Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1320

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-06-2021
Datum publicatie
23-06-2021
Zaaknummer
201807969/3/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:971, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Eemsmond, thans: gemeente Het Hogeland opgedragen om binnen 26 weken na verzending van die uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin onder 14.2 is overwogen het gebrek in het besluit van de raad van 12 juli 2018, waarbij het bestemmingsplan "Eemsmond Gebouwd Erfgoed" is vastgesteld, te herstellen. In de tussenuitspraak, overweging 14.2, heeft de Afdeling overwogen dat de raad bij zijn onderzoek naar de karakteristieke waarde van de boerderij op het perceel [locatie] te Warffum, ten onrechte heeft volstaan met een globale beoordeling van de buitenkant van het pand. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat de erven van [appellant] een rapport hebben overgelegd waarin inzicht is gegeven in de diverse gebreken aan dat pand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Gst. 2021/113 met annotatie van J.W. van Zundert
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807969/3/R3.

Datum uitspraak: 23 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

de erven van [appellant], allen wonend te Warffum, gemeente Eemsmond, thans: gemeente Het Hogeland,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Eemsmond, thans: gemeente Het Hogeland,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:971, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van die uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin onder 14.2 is overwogen het gebrek in het besluit van de raad van 12 juli 2018, waarbij het bestemmingsplan "Eemsmond Gebouwd Erfgoed" is vastgesteld, te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij brieven van 29 september 2020 en 9 oktober 2020 heeft de raad verzocht om verlenging van de hersteltermijn.

Bij beschikking van 22 oktober 2020, nr. 201807969/2/R3, heeft de Afdeling de hersteltermijn verlengd met 26 weken.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het besluit van 12 juli 2018 bij brief van 25 maart 2021 nader onderbouwd.

De erven van [appellant] hebben, daartoe in de gelegenheid gesteld, bij brief van 28 april 2021 een zienswijze ingebracht.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft.

Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Het besluit van 12 juli 2018 en de tussenuitspraak

1.       In de tussenuitspraak, overweging 14.2, heeft de Afdeling overwogen dat de raad bij zijn onderzoek naar de karakteristieke waarde van de boerderij op het perceel [locatie] te Warffum, ten onrechte heeft volstaan met een globale beoordeling van de buitenkant van het pand. Daarbij heeft de Afdeling betrokken dat de erven van [appellant] een rapport hebben overgelegd waarin inzicht is gegeven in de diverse gebreken aan dat pand. De raad heeft niet inzichtelijk gemaakt dat ondanks de slechte staat van het pand, de door de raad genoemde karakteristieke waarden van zodanige betekenis zijn dat het pand tegen gehele of gedeeltelijke sloop moet worden beschermd. Verder heeft de Afdeling daarbij betrokken dat de erven van [appellant] hebben aangegeven te beschikken over een sloopvergunning voor de aan het voorhuis gebouwde schuur en dat de raad onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt wat de juridische status van deze schuur is, en of deze in het licht daarvan wel in aanmerking diende te komen voor een beschermingsregeling tegen gedeeltelijke of gehele sloop ervan.

2.       Gelet hierop heeft de raad het bestreden besluit, voor zover daarmee de aanduiding "specifieke vorm van waarde - karakteristiek boerderij" aan het perceel [locatie] te Warffum is toegekend, in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) genomen. Het besluit van 12 juli 2018 dient in zoverre te worden vernietigd.

3.       De Afdeling heeft in de tussenuitspraak de raad van de gemeente Het Hogeland opdragen om met inachtneming van overweging 14.2:

- alsnog inzichtelijk te maken wat de bouwtechnische staat is van de in bijlage 2 bij het bestemmingsplan als karakteristiek aangemerkte bouwwerken op het perceel [locatie] te Warffum;

- te onderzoeken of en in hoeverre al een sloopvergunning is verleend voor bouwwerken op het perceel [locatie] te Warffum, in het bijzonder wat betreft de aan het voorhuis aangebouwde schuur;

- te bezien of het besluit van 12 juli 2018, voor zover daarmee de aanduiding "specifieke vorm van waarde - karakteristiek boerderij" aan het perceel [locatie] te Warffum is toegekend, in het licht van het voorgaande wel of niet in stand kan blijven en zo nodig een ander besluit te nemen.

De nadere motivering

4.       Hierna zal de Afdeling bezien of er gelet op de nadere motivering die de raad heeft overgelegd, aanleiding bestaat om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten.

5.       Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad het rapport "Bouwhistorische inventarisatie en schade inspectie [boerderij] te Warffum" van Wieringa bouwadvies van 15 maart 2021 (hierna: de bouwtechnische inspectie) overgelegd. Daarin wordt uiteengezet wat de bouwtechnische staat van de boerderij op het perceel [locatie] is, en in welke mate karakteristieke elementen en details van de boerderij nog aanwezig zijn. De conclusie van dat rapport is dat ondanks dat bepaalde karakteristieke details in de afwerking van de voorhuizen door schade grotendeels of helemaal afwezig zijn, het casco van die voorhuizen nog van hoge monumentale waarde is. De karakteristieke details van de voorhuizen die ontbreken, kunnen hersteld worden en tezamen met de nog aanwezige details, zoals de getoogde kozijnen, de bordestrap en de gevelstenen, de monumentale waarde van de voorhuizen versterken. Ook op de twee schuren zijn volgens de bouwtechnische inspectie karakteristieke details aanwezig, zoals de met natuurstenen bewerkte gevel- en sluitstenen, de gele baksteenrijen onder de goot in de achtergevel en de gietijzeren goten langs de zijgevels. Ondanks dat delen van het casco van de schuren (in verregaande mate) vervallen zijn, verdient plaatselijk herstel van de schuren op basis van de karakteristieke details aanbeveling. Ten slotte wordt aanbevolen, om een goed beeld te krijgen van de algehele staat van de boerderij, ook het interieur van de boerderij te beoordelen.

De raad stelt zich onder verwijzing naar de conclusies uit de bouwkundige inspectie op het standpunt dat ondanks de matige tot slechte constructieve toestand van het exterieur van de boerderij geen aanleiding bestaat om het pand niet langer aan te merken als karakteristiek. Hiertoe acht de raad van belang dat het een unieke boerderij met monumentale waarde betreft en dat uit de bouwtechnische inspectie niet is gebleken dat de bouwtechnische staat van de bouwwerken zodanig slecht is dat het niet gerechtvaardigd is om de bouwwerken als karakteristiek aan te merken. Weliswaar deelt de raad de aanbeveling in de bouwtechnische inspectie om ook een inspectie van het interieur van de boerderij te verrichten, maar hieraan hebben de erven van [appellant] geen medewerking willen verlenen. Mede gelet hierop zijn volgens de raad met de bouwtechnische inspectie geen zodanig nieuwe inzichten verkregen in de bouwtechnische staat van de boerderij, dat het niet langer gerechtvaardigd is om die boerderij als karakteristiek aan te merken.

Voor zover de erven van [appellant] hebben gesteld te beschikken over een sloopvergunning voor de aan het voorhuis gebouwde schuur, geeft de raad aan dat uit het archief is gebleken dat op 24 september 2014 een sloopmelding is gedaan, die op 2 oktober 2014 is geaccepteerd. Vervolgens is de schuur echter niet gesloopt. Voor de schuur is geen sloopvergunning verleend, terwijl inmiddels op grond van het bestemmingsplan een omgevingsvergunningplicht geldt voor het slopen.

5.1.    De erven van [appellant] stellen dat de bouwtechnische staat van de boerderij op het perceel [locatie] zodanig slecht is dat het niet gerechtvaardigd is om deze boerderij aan te merken als karakteristiek. De slechte bouwkundige staat heeft volgens hen niets met de binnenkant te maken. Uit de bouwtechnische inspectie die de raad heeft overgelegd, volgt dat de constructieve toestand van het exterieur over het algemeen matig tot slecht is. In aanvulling hierop wijzen de erven van [appellant] op het rapport "Rapportage bouwtechnische staat [boerderij]" van Architectenbureau Nienhuis van april 2021 (hierna: de second opinion). Hierin vallen volgens de erven van [appellant] op: het ernstig achterover hellen van gevels, het grote verval van het casco van de schuren en rot. Ook volgt uit dat rapport dat een groot gedeelte van de zuidgevel van de boerderij is ingestort. Het metselwerk is overal ernstig gescheurd, staat niet loodrecht en de constructieve verbanden ontbreken. Gelet hierop is de staat van de boerderij volgens de erven van [appellant] zodanig slecht dat deze geheel gesloopt zal moeten worden.

De erven van [appellant] wijzen voorts op de in de second opinion ingeschatte kosten voor herstel van de boerderij. Deze worden door Architectenbureau Nienhuis ingeschat op meer dan € 835.000. Daarnaast wijzen de erven van [appellant] erop dat voor de exploitatie van hun agrarische bedrijf rekening gehouden moet worden met de huidige technische en bedrijfsefficiënte eisen voor een dergelijk bedrijf. Gelet hierop, en in aanmerking genomen dat de boerderij zwaar is beschadigd door aardbevingen en dat er asbest gesaneerd moet worden, bestaan er volgens de erven van [appellant] zwaarwegende belangen om de boerderij te kunnen slopen.

Ten slotte betwisten de erven van [appellant] dat alleen sprake is van een sloopmelding, en niet van een omgevingsvergunning voor slopen. Die is immers aangevraagd in combinatie met een omgevingsvergunning voor bouwen voor een nieuwe schuur, die volgens hen ook is verleend.

5.2.    De Afdeling overweegt dat de raad zich onder verwijzing naar de bouwtechnische inspectie op het standpunt heeft gesteld dat de bouwtechnische staat van de boerderij op het perceel [locatie] te Warffum, in aanmerking genomen de hoge cultuurhistorische waarde die dat pand vertegenwoordigt, niet zodanig slecht is dat het niet gerechtvaardigd is om dat pand aan te merken als karakteristiek. In hetgeen de erven van [appellant] daarover hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich onder verwijzing naar de bouwtechnische inspectie niet in redelijkheid op dit standpunt heeft kunnen stellen. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat uit de bouwtechnische inspectie en de second opinion volgt dat de bouwtechnische staat van het exterieur van het pand matig tot slecht is, maar dat deze staat ook deels te wijten valt aan de mate waarin onderhoud aan dat pand is verricht. Bovendien volgt uit de bouwtechnische inspectie dat de karakteristieke elementen, die maken dat de boerderij cultuurhistorische waarde vertegenwoordigt, deels nog steeds aanwezig zijn en voor zover ze niet meer aanwezig zijn het volgens dat rapport mogelijk en aanbevelenswaardig is om deze elementen weer te herstellen. Verder volgt uit dat rapport dat de karakteristieke vorm van het casco, bestaande uit het dubbele voorhuis en de daaraan gebouwde schuur, ondanks de gebrekkige staat ervan, nog steeds aanwezig is en dat het aanbevelenswaardig is om deze vorm te behouden.

In de bouwtechnische inspectie wordt voorts vermeld dat het, om een volledig beeld van de bouwtechnische staat van de boerderij te verkrijgen, noodzakelijk is om ook een bouwtechnische inspectie van het interieur van de boerderij uit te voeren. De Afdeling stelt vast, onder meer op grond van de brieven van 16 november 2020 en 29 januari 2021 van de erven van [appellant] en de zienswijze van de erven van [appellant], dat de erven van [appellant] menen dat een dergelijke inspectie geen bijdrage zou kunnen leveren aan het oordeel of de aanwijzing van de boerderij als karakteristiek in relatie tot de bouwtechnische staat ervan, gerechtvaardigd zou zijn. Daarom hebben zij hieraan geen medewerking verleend. Zij hebben echter niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijke inspectie in dit geval niet relevant is. Onder die omstandigheden kan het de raad niet verweten worden dat geen volledig beeld is verkregen van de bouwtechnische staat van de boerderij.

5.3.    Voor zover de erven van [appellant] betogen dat het beschermen van de boerderij in het plan tegen gedeeltelijke of gehele sloop niet gerechtvaardigd is omdat dit zou leiden tot onevenredig hoge herstelkosten, dat dit in de weg staat aan de exploitatie van het agrarische bedrijf op het perceel [locatie] en dat deze regeling in de weg staat aan de sanering van asbest ter plaatse, overweegt de Afdeling als volgt.

Ingevolge artikel 3.4.1 van de planregels is het verboden hoofdgebouwen of delen daarvan en de in bijlage 1 en bijlage 2 genoemde andere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, of delen daarvan ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van waarde - karakteristiek boerderij" te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. In artikel 3.4.2, onder b, van de planregels is bepaald dat een omgevingsvergunning voor het slopen van (delen) van bouwwerken genoemd in bijlage 2 bij de planregels slechts wordt verleend indien aan de daar genoemde voorwaarden wordt voldaan. In artikel 3.4.2, onder b, lid 6, van de planregels is bovendien een specifieke regeling opgenomen voor karakteristieke bedrijfsschuren. Daarin staat dat een omgevingsvergunning voor gehele of gedeeltelijke sloop van een dergelijke schuur onder meer kan worden verleend in de situatie dat zinvol (her)gebruik van het gebouw overeenkomstig de geldende agrarische bestemming objectief gezien niet mogelijk is en het belang van de vergunningsaanvrager bij de sloop van het gebouw in redelijkheid dient te prevaleren boven het cultuurhistorisch belang bij het behoud ervan. Hierbij dient het bevoegd gezag de bouwkundige en gebruikstechnische staat van het gebouw en de mate waarin het gebouw door het treffen van voorzieningen geschikt kan worden gemaakt, te betrekken. Voor het dubbele woonhuis geldt ingevolge artikel 3.4.2, onder b, lid 1, van de planregels een soortgelijke regeling, met dien verstande dat een omgevingsvergunning voor gehele of gedeeltelijke sloop kan worden verleend als zinvol (her)gebruik van het gebouw overeenkomstig de geldende bestemming of een andere uit het oogpunt van een goede fysieke leefomgeving passende bestemming objectief gezien niet mogelijk is.

Uit deze bepalingen volgt naar het oordeel van de Afdeling dat de toekenning van de aanduiding "specifieke vorm van waarde - karakteristiek boerderij" aan het perceel [locatie] het niet zonder meer onmogelijk maakt dat de daar aanwezige boerderij wordt gesloopt. De omstandigheden dat herstel van de boerderij tot onevenredig hoge kosten zou leiden, dat de agrarische exploitatie van het perceel niet langer mogelijk is en dat er asbest gesaneerd moet worden, moeten ingevolge artikel 3.4.2, onder b, eerste en zesde lid, van de planregels worden betrokken bij de beoordeling van een aanvraag om omgevingsvergunning voor gehele of gedeeltelijke sloop.

Voor de sloop van de aan het voorhuis gebouwde schuur is een sloopmelding gedaan, die het gemeentebestuur op 2 oktober 2014 heeft geaccepteerd. Daargelaten wat daarvan precies de juridische status is, hebben de melding en de acceptatie daarvan plaatsgevonden voorafgaand aan de vaststelling van het bestreden plan. De Afdeling stelt vast dat de erven van [appellant] om wat voor reden dan ook geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de desbetreffende schuur te slopen. Nadien heeft de raad vastgesteld dat deze schuur voldoende cultuurhistorische waarde vertegenwoordigt. Hierbij heeft de raad, gelet op wat hiervoor onder 5.2 is overwogen, de bouwtechnische staat van de schuur en de andere op het perceel Juffer Marthastraat aanwezige bouwwerken voldoende in de beoordeling betrokken.

5.4.    Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen de erven van [appellant] hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat de raad het in de tussenuitspraak geconstateerde gebrek niet heeft hersteld.

Conclusie

6.       Gezien het vorenstaande is het in de tussenuitspraak vastgestelde gebrek aan het besluit hersteld en ziet de Afdeling aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van 12 juli 2018, voor zover dat bij deze uitspraak wordt vernietigd, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb geheel in stand te laten.

7.       Proceskosten

8.       De raad van de gemeente Het Hogeland moet de proceskosten van de erven van [appellant] vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Eemsmond van 12 juli 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Eemsmond Gebouwd Erfgoed", voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van waarde - karakteristiek boerderij" ter plaatse van het perceel [locatie] te Warffum;

III.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven voor zover het betreft de vaststelling van het plandeel met de aanduiding "specifieke vorm van waarde - karakteristiek boerderij" ter plaatse van het perceel [locatie] te Warffum;

IV.     veroordeelt de raad van de gemeente Het Hogeland tot vergoeding van bij de erven van [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.370,16 (zegge: dertienhonderdzeventig euro en zestien cent), waarvan € 1.355,00 (zegge: dertienhonderdvijfenvijftig euro) is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.      gelast dat de raad van de gemeente Het Hogeland aan de erven van [appellant] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. A. Kuipers, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2021

271-901.