Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1278

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
16-06-2021
Datum publicatie
16-06-2021
Zaaknummer
202005229/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:7608, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 januari 2017 heeft het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft besloten op een verzoek van [appellant] op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens. [appellant] heeft het college verzocht om inzage in de hem betreffende persoonsgegevens die het verwerkt. Bij het besluit van 13 januari 2017 heeft het college op dat verzoek gereageerd en heeft het een geprinte versie van wat het heeft aangeduid als het digitale dossier van [appellant] verstrekt. Het college heeft onder verwijzing naar een advies van de Commissie voor Bezwaarschriften het bezwaar van [appellant] bij het besluit van 20 juni 2019 ongegrond verklaard. Volgens het college is [appellant] in voldoende mate in staat gesteld om kennis te nemen van de persoonsgegevens die het college van hem verwerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2021/66
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202005229/1/A3.

Datum uitspraak: 16 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Den Haag,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 augustus 2020 in zaak nr. 19/5008 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van bestuur van de Technische Universiteit Delft.

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2017 heeft het college besloten op een verzoek van [appellant] op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp).

Bij besluit van 20 juni 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 10 augustus 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), niet verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 mei 2021, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door mr. drs. J. van Leeuwen en ir. M.S.D. Sussenbach, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellant] heeft het college verzocht om inzage in de hem betreffende persoonsgegevens die het verwerkt. Bij het besluit van 13 januari 2017 heeft het college op dat verzoek gereageerd en heeft het een geprinte versie van wat het heeft aangeduid als het digitale dossier van [appellant] verstrekt.

1.1.    Tegen dat besluit heeft [appellant] via een e-mail van 23 januari 2017 aan de studieadviseur bezwaar gemaakt, omdat het volgens hem een dossier betreft dat incompleet is. Bij brief van 29 mei 2017 heeft hij het college in gebreke gesteld omdat hij nog geen reactie had ontvangen. Bij besluit van 13 juli 2017 heeft het college dat bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het volgens het college niet binnen de termijn van zes weken was ingediend.

1.2.    De rechtbank heeft bij uitspraak van 24 april 2019 geoordeeld dat het college het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. De studieadviseur had het e-mailbericht van 23 januari 2017 door moeten sturen naar het college. Dat had de studieadviseur pas gedaan op 14 september 2017. De rechtbank heeft het college opgedragen om binnen vier weken een besluit te nemen op het bezwaar van [appellant] van 23 januari 2017.

Besluitvorming

2.       Het college heeft onder verwijzing naar een advies van de Commissie voor Bezwaarschriften het bezwaar van [appellant] bij het besluit van 20 juni 2019 ongegrond verklaard. Volgens het college is [appellant] in voldoende mate in staat gesteld om kennis te nemen van de persoonsgegevens die het college van hem verwerkt. Hij heeft op 13 januari 2017 een kopie van zijn dossier ontvangen en op 7 februari 2017 inzage gehad in zijn dossier waarbij enkele ontbrekende stukken zijn verstrekt. Bij het besluit van 20 juni 2019 heeft het college een overzicht van verwerkingen van persoonsgegevens gevoegd. Verder heeft [appellant] niet duidelijk gemaakt welke gegevens ontbreken, zodat het college er van uitgaat dat het dossier compleet is. Daarnaast heeft het college aangegeven dat het geen interne notities en persoonlijke opvattingen van studieadviseurs, studentendecanen en docenten verstrekt, omdat deze persoonlijke gedachten bevatten en uitsluitend bedoeld zijn voor intern overleg. De rechtbank heeft dat besluit rechtmatig geacht.

Toepasselijk recht

3.       De Wbp is op 25 mei 2018 ingetrokken en vervangen door de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: Avg). Het besluit dat ter toetsing voorligt is het besluit van 20 juni 2019. Dat betekent dat in dit geding niet de Wbp van toepassing is, zoals de rechtbank heeft overwogen, maar de Avg.

Het verzoek om geheimhouding van stukken

4.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de op grond van artikel 8:29 van de Awb verzochte beperking van kennisneming van de overgelegde stukken gerechtvaardigd is. Op grond van de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3686, had de rechtbank moeten oordelen dat de door het college genoemde redenen geen gewichtige zijn om toepassing van artikel 8:29 van de Awb te rechtvaardigen. Voor zover die gewichtige redenen wel bestaan, had hij geen toestemming hoeven geven aan de rechtbank om die stukken in te zien. Dat is in strijd met het beginsel van ‘equality of arms’, aldus [appellant].

4.1.    Artikel 8:29 van de Awb luidt:

‘1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

[…]

5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. […]’

Artikel 14, derde lid, van de Procesregeling bestuursrechterlijke colleges 2017 luidt: ‘Indien het beroep betrekking heeft op een besluit tot weigering van openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur, wordt steeds gehandeld alsof een mededeling als bedoeld in het eerste lid is gedaan en het college heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.’

4.2.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, r.o. 15, volgt dat als het (hoger) beroep gaat over inzage in of verstrekking van stukken of gegevens op grond van bijvoorbeeld de Uitvoeringswet AVG, geen beslissing op het verzoek op grond van artikel 8:29 van de Awb genomen hoeft te worden, omdat de stukken voorwerp van geschil vormen. In dat geval mag worden gehandeld alsof het verzoek gerechtvaardigd is (vergelijk artikel 14, derde lid, van de Procesregeling). Uit de uitspraak van de rechtbank van 6 november 2019 over het verzoek van het college op grond van artikel 8:29 van de Awb volgt niet dat het verzoek gerechtvaardigd is geacht vanwege gewichtige redenen, maar omdat dit uit de aard van de stukken volgt. Kennisneming van de stukken is de kern van het geschil. Als de stukken ook bekend zouden zijn bij [appellant], zou een inhoudelijke behandeling van het beroep zinloos zijn, aldus de rechtbank. De door [appellant] genoemde uitspraak van 4 november 2019 kan hem niet baten, omdat in die uitspraak de gegevens waarvan geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb was verzocht geen onderwerp van het geschil vormden. De rechtbank heeft, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2020, op juiste wijze toepassing gegeven aan artikel 8:29 van de Awb. Deze regeling brengt met zich dat de bestuursrechter de stukken waarop de beperking rust eerst zal inzien nadat hij toestemming heeft gekregen als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb om mede op de grondslag van die stukken uitspraak te doen. Dat is niet in strijd met het beginsel van ‘equality of arms’ (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 10 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1367, r.o. 4). Die toestemming heeft [appellant] zowel de rechtbank als de Afdeling, ook nadat dit met hem ter zitting is besproken, niet gegeven. Omdat die toestemming niet is gegeven, komen de gevolgen van deze weigering voor rekening van [appellant].

Het betoog faalt.

Deugdelijkheid van het proces-verbaal van de rechtbank

5.       [appellant] heeft zich op het standpunt gesteld dat de inhoud van het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank op 9 juli 2020 geen juiste weergave is van hetgeen is besproken. Dat heeft ervoor gezorgd dat de rechtbank een onjuiste uitspraak heeft gedaan, aldus [appellant]. Daarbij heeft hij een transcript gevoegd van wat naar zijn idee op de zitting bij de rechtbank is besproken.

In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om te oordelen dat het proces-verbaal een onjuiste weergave bevat van wat is besproken op de zitting bij de rechtbank. Het proces-verbaal bevat een zakelijke weergave van wat is besproken. Het is daarom niet nodig dat elk woord dat is besproken op de zitting in het proces-verbaal komt te staan. Niet is gebleken dat de rechtbank op basis van een onjuist proces-verbaal uitspraak heeft gedaan.

Het betoog faalt.

Heeft het college op juiste wijze toepassing gegeven aan het verzoek tot inzage van persoonsgegevens?

6.       Verder betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college op juiste wijze toepassing heeft gegeven aan artikel 35 van de Wbp. Het college heeft slechts een samenvatting van het dossier overgelegd. Daarmee is niet voldaan aan zijn verzoek en heeft hij onvoldoende inzage gehad in zijn dossier. Ook heeft hij niet kunnen controleren of wat hij wel heeft gekregen klopt, omdat hij de onderliggende stukken niet heeft ontvangen. Die onderliggende stukken hadden aan hem verstrekt moeten worden, aldus [appellant].

6.1.    Artikel 35 van de Wbp is vervangen door artikel 15 van de Avg.

6.2.    Artikel 15 van de Avg luidt:

‘1. De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke uitsluitsel te verkrijgen over het al dan niet verwerken van hem betreffende persoonsgegevens en, wanneer dat het geval is, om inzage te verkrijgen van die persoonsgegevens en van de volgende informatie:

a) de verwerkingsdoeleinden;

b) de betrokken categorieën van persoonsgegevens;

c) de ontvangers of categorieën van ontvangers aan wie de persoonsgegevens zijn of zullen worden verstrekt, met name ontvangers in derde landen of internationale organisaties;

d) indien mogelijk, de periode gedurende welke de persoonsgegevens naar verwachting zullen worden opgeslagen, of indien dat niet mogelijk is, de criteria om die termijn te bepalen;

e) dat de betrokkene het recht heeft de verwerkingsverantwoordelijke te verzoeken dat persoonsgegevens worden gerectificeerd of gewist, of dat de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens wordt beperkt, alsmede het recht tegen die verwerking bezwaar te maken;

f) dat de betrokkene het recht heeft klacht in te dienen bij een toezichthoudende autoriteit;

g) wanneer de persoonsgegevens niet bij de betrokkene worden verzameld, alle beschikbare informatie over de bron van die gegevens;

h) het bestaan van geautomatiseerde besluitvorming, met inbegrip van de in artikel 22, leden 1 en 4, bedoelde profilering, en, ten minste in die gevallen, nuttige informatie over de onderliggende logica, alsmede het belang en de verwachte gevolgen van die verwerking voor de betrokkene.

[…]

3. De verwerkingsverantwoordelijke verstrekt de betrokkene een kopie van de persoonsgegevens die worden verwerkt. Indien de betrokkene om bijkomende kopieën verzoekt, kan de verwerkingsverantwoordelijke op basis van de administratieve kosten een redelijke vergoeding aanrekenen. Wanneer de betrokkene zijn verzoek elektronisch indient, en niet om een andere regeling verzoekt, wordt de informatie in een gangbare elektronische vorm verstrekt.

[…]’

6.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2559) blijkt uit de toelichting op de Avg en uit andere begeleidende EU stukken bij de totstandkoming van de Avg, niet wat onder ‘kopie van persoonsgegevens’ moet worden verstaan. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat gelet op de algehele systematiek van artikel 15 van de AVG het verstrekken van een kopie van een document waarin persoonsgegevens zijn vervat niet altijd noodzakelijk is. Zij heeft verder overwogen dat artikel 15 van de Avg behoort tot hoofdstuk III van de Avg, genaamd "De rechten van de betrokkene". In punt 11 van de considerans staat dat een doeltreffende bescherming van persoonsgegevens in de gehele Unie de versterking van de rechten van betrokkenen vereist. Binnen die rechten van betrokkenen moet volgens punt 63 van de considerans de betrokkene het recht hebben om de persoonsgegevens die over hem zijn verzameld in te zien, en dat recht eenvoudig en met redelijke tussenpozen kunnen uitoefenen. Het doel van artikel 15 van de Avg is dat betrokkene zich van de verwerking op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren, aldus de Afdeling.

6.4.    Een bestuursorgaan mag kiezen voor de vorm waarin de kopie van de persoonsgegevens wordt verstrekt, als met de gekozen wijze van verstrekking maar aan het doel van artikel 15, derde lid, van de Avg wordt voldaan.

6.5.    Weliswaar heeft het college het besluit genomen op grond van artikel 35 van de Wbp, maar dat artikel verschilt inhoudelijk niet van hetgeen in artikel 15 van de Avg is opgenomen. Het doel van artikel 15 van de Avg is dat betrokkene zich van de verwerking van persoonsgegevens op de hoogte kan stellen en de rechtmatigheid daarvan kan controleren. Het college heeft bij het besluit van 13 januari 2017 een geprinte versie van het digitale dossier van [appellant] verstrekt. Vervolgens heeft [appellant] op 7 februari 2017 wederom inzage gehad in zijn dossier en heeft hij ontbrekende stukken ontvangen. Van deze inzage is op 8 februari 2017 een gespreksverslag opgesteld waaruit dit blijkt. Bij het besluit van 20 juni 2019 heeft het college een overzicht van verwerkingen van zijn persoonsgegevens gevoegd. Het college heeft aldus niet alleen een samenvatting gegeven van zijn volledige dossier. Bovendien heeft het college ter zitting bij zowel de rechtbank als de Afdeling toegelicht dat [appellant] een deel van zijn persoonsgegevens wel als samenvatting heeft ontvangen bij het inzagemoment op 7 februari 2017. Dit zijn persoonsgegevens van [appellant] die niet verloren zijn gegaan uit een oud studentregistratiesysteem over de periode 2004 tot en met 2010. In 2009 is het college overgegaan op een nieuw studentregistratiesysteem. Verder kan de Afdeling niet controleren of het college terecht de interne notities en persoonlijke opvattingen niet heeft verstrekt aan [appellant], omdat [appellant] de Afdeling geen toestemming heeft gegeven de door het college op grond van artikel 8:29 van de Awb overgelegde stukken in te zien. Daarom moet er van worden uitgegaan dat het college op juiste gronden heeft geweigerd [appellant] inzage te verlenen in die documenten. De Afdeling is vanwege het voorgaande van oordeel dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college in voldoende mate [appellant] de gelegenheid heeft gegeven om van zijn inzagerecht gebruik te maken en dat hij de rechtmatigheid van de verwerking van zijn persoonsgegevens kan controleren.

Voor zover [appellant] van mening is dat het dossier incompleet is, geldt dat de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 3 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:452), dat, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, het in beginsel aan degene is die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. Het college heeft niet ongeloofwaardig toegelicht dat [appellant] inzage heeft gehad in alle persoonsgegevens die op hem betrekking hebben. Bovendien heeft het college ter zitting nogmaals toegelicht hoe het in alle systemen grondig heeft gezocht, maar dat het niet meer documenten heeft gevonden. Met de enkele stelling dat het dossier incompleet is, heeft [appellant] het tegendeel niet aannemelijk gemaakt. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Het betoog faalt.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, met, gelet op hetgeen hiervoor onder overweging 3 is overwogen, verbetering van de gronden waarop deze berust.

8.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 16 juni 2021

280-857