Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:124

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
21-01-2021
Datum publicatie
27-01-2021
Zaaknummer
202004077/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:7994, Meerdere afhandelingswijzen
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 26 mei 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen hen een inreisverbod uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004077/1/V3.

Datum uitspraak: 21 januari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 juli 2020 in zaken nrs. NL20.11430 en NL20.11434 in het geding tussen:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kinderen,

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluiten van 26 mei 2020 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen en tegen hen een inreisverbod uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 17 juli 2020 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van de uitspraak.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdelingen hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluiten van 26 augustus 2020 heeft de staatssecretaris de aanvragen van de vreemdelingen opnieuw afgewezen.

De hiertegen door de vreemdelingen bij de rechtbank ingediende gronden heeft de griffier van de rechtbank ter behandeling doorgezonden aan de Afdeling.

Overwegingen

Inleiding

1.       De vreemdelingen hebben verschillende nationaliteiten. De man (hierna: de vreemdeling) heeft de Syrische nationaliteit, de vrouw heeft de Egyptische nationaliteit en twee van de drie minderjarige kinderen hebben de Amerikaanse nationaliteit. Daarnaast heeft de staatssecretaris zich onweersproken op het standpunt gesteld dat de drie kinderen van rechtswege de Egyptische nationaliteit hebben. De vreemdeling en de vrouw zijn in Nederland van elkaar gescheiden. Zij en hun kinderen verblijven momenteel in Nederland. Eerdere verzoeken om internationale bescherming hebben in Nederland niet tot vergunningverlening geleid. De staatssecretaris heeft bij de nu voorliggende aanvragen Egypte als veilig derde land aan de vreemdeling tegengeworpen. In deze uitspraak gaat het om de vraag of de staatssecretaris met de resultaten van een onderzoek van Team Onderzoek en Expertise Land en Taal (hierna: TOELT) aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling tot Egypte wordt toegelaten.

Egypte als veilig derde land

2.       De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de resultaten van het onderzoek van TOELT zijn gebaseerd op algemene informatie over Egypte en dat hij daarmee heeft voldaan aan het toetsingskader als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 13 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3380, onder 5.2. en 6.1. Hij betoogt verder dat hij met die onderzoeksresultaten aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling wordt toegelaten tot Egypte en dat hij daarmee, anders dan de rechtbank heeft overwogen, het besluit deugdelijk heeft gemotiveerd.

2.1.    Uit de resultaten van het onderzoek van TOELT blijkt dat de vreemdeling mogelijkheden heeft om tot Egypte te worden toegelaten door onder meer een aanvraag om gezinshereniging met zijn kinderen in te dienen bij de Egyptische ambassade. Daarvoor is het nodig dat de kinderen de Egyptische nationaliteit hebben. De staatssecretaris betoogt, gezien deze algemene informatie die afkomstig is van de Egyptische autoriteiten en zijn onweersproken standpunt dat de kinderen van de vreemdeling van rechtswege de Egyptische nationaliteit hebben, terecht dat hij daarmee aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling tot Egypte wordt toegelaten. Het is dan vervolgens aan de vreemdeling om te staven dat deze mogelijkheden om tot Egypte toegelaten te worden voor hem niet bestaan (vgl. de hierboven genoemde uitspraak van 13 december 2017, onder 5.2. en 6.1.). Anders dan de vreemdelingen in hun schriftelijke uiteenzetting aanvoeren, is hij hierin niet geslaagd. Met hun standpunten dat zij de onderzoeksresultaten niet inzichtelijk vinden, deze resultaten in twijfel trekken en de door TOELT gestelde vragen incompleet vinden, hebben de vreemdelingen namelijk niet gestaafd dat het voor de vreemdeling niet mogelijk is om tot Egypte toegelaten te worden. De rechtbank heeft door te overwegen dat de staatssecretaris met de resultaten van het onderzoek van TOELT niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vreemdeling in beginsel zal worden toegelaten tot Egypte dat niet onderkend.

De grief slaagt.

3.       De staatssecretaris klaagt in zijn tweede grief terecht dat de rechtbank ten onrechte het beroep van de vrouw en de minderjarige kinderen van de vreemdeling gegrond heeft verklaard onder verwijzing naar de overwegingen in haar uitspraak over het toetsingskader van Egypte als veilig derde land. Hij betoogt hierover terecht dat dit toetsingskader geen deel uitmaakt van de besluitvorming op de aanvragen van de vrouw en de minderjarige kinderen.

De grief slaagt.

4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De staatssecretaris heeft de besluiten van 26 augustus 2020 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Omdat die uitspraak wordt vernietigd, worden de besluiten van 26 augustus 2020 vernietigd. De Afdeling beoordeelt de beroepen tegen de besluiten van 26 mei 2020. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

Inreisverbod

5.       De vreemdelingen betogen in beroep dat de tegen hen uitgevaardigde inreisverboden onrechtmatig zijn omdat de staatssecretaris daaraan geen geldige terugkeerbesluiten ten grondslag heeft gelegd. Zij verwijzen daarvoor naar de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 5 juni 2019, waarin hun beroepen gegrond zijn verklaard en de in die procedure bestreden besluiten, die eveneens golden als terugkeerbesluiten, zijn vernietigd.

5.1.    De staatssecretaris heeft zich in de besluiten van 26 mei 2020 onbestreden op het standpunt gesteld dat de terugkeerbesluiten van 3 november 2017 nog steeds gelden. De door de vreemdelingen tegen deze besluiten ingestelde beroepen heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, bij uitspraak van 5 december 2017 ongegrond verklaard. De staatssecretaris heeft daarom terecht de inreisverboden in de voorliggende besluiten gebaseerd op de terugkeerbesluiten van 3 november 2017.

De beroepsgrond faalt.

Thematisch Ambtsbericht positie van Syriërs in Egypte

6.       De vreemdeling heeft in beroep gewezen op het 'Thematisch Ambtsbericht positie van Syriërs in Egypte, december 2018' van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Uit dit ambtsbericht blijkt dat voorafgaand aan het indienen van een visumaanvraag voor Egypte, de Syrische staatsveiligheidsdienst een veiligheidsonderzoek uitvoert. De Syrische visumaanvrager moet volgens de informatie in het ambtsbericht zelf de Syrische autoriteiten verzoeken om zo'n onderzoek naar hem uit te voeren. De Egyptische veiligheidsdienst baseert zich vervolgens bij haar veiligheidsonderzoek op de onderzoeksresultaten van de Syrische veiligheidsdienst. De vreemdeling voert hierover aan dat van hem niet verlangd mag worden dat hij contact met de Syrische autoriteiten opneemt.

6.1.    Uit de resultaten van het onderzoek van TOELT, die dateren van februari 2020, blijkt niet dat de Egyptische autoriteiten van de vreemdeling verlangen dat hij contact opneemt met de Syrische veiligheidsdienst in het kader van een veiligheidsonderzoek. Hoewel uit het ambtsbericht blijkt dat in het algemeen van Syriërs wordt verwacht dat ze bij de Syrische autoriteiten om een veiligheidsonderzoek vragen, heeft de vreemdeling met de verwijzing naar het ambtsbericht niet gestaafd dat ook in zijn geval zo'n veiligheidsonderzoek wordt verlangd. Hij heeft ook niet gesteld dat hij een poging heeft gedaan om hierover concrete informatie bij bijvoorbeeld de Egyptische autoriteiten in te winnen. Gezien de bewijslastverdeling had dit op zijn weg gelegen (vgl. de eerder genoemde uitspraak van 13 december 2017, onder 5.2. en 6.1.). De Afdeling betrekt bij haar oordeel dat in zowel het onderzoek van TOELT als de informatie uit het ambtsbericht over het veiligheidsonderzoek naar Syriërs, gebruik is gemaakt van een vertrouwelijke bron. Ook betrekt zij hierbij dat de informatie uit het onderzoek van TOELT, waarover de Egyptische autoriteiten in dat onderzoek zijn benaderd, is toegespitst op de situatie van de vreemdelingen en recenter is dan de informatie uit het ambtsbericht over het veiligheidsonderzoek naar Syriërs.

De beroepsgrond faalt.

Ambtshalve vergunningverlening op reguliere gronden

7.       In beroep stelt de vrouw zich op het standpunt dat het in het belang van de kinderen is om met beide ouders contact te houden. Zij doet daarbij een beroep op artikel 8 van het EVRM en betoogt dat de staatssecretaris ten onrechte heeft nagelaten om bij het eerste verzoek om internationale bescherming van haar jongste kind een ambtshalve beoordeling in het kader van deze bepaling te maken. Verder betoogt zij dat de staatssecretaris ten onrechte niet ambtshalve een verblijfsvergunning heeft verleend wegens schrijnende omstandigheden (artikel 3.6ba van het Vb 2000).

7.1.    De staatssecretaris heeft in zijn verweerschrift terecht gewezen op een aanvullend voornemen van 8 mei 2020 waarin hij zich op het standpunt heeft gesteld dat de door de vreemdelingen aangevoerde informatie geen aanleiding geeft om aan het jongste kind ambtshalve een verblijfsvergunning krachtens artikel 8 van het EVRM te verlenen. Bovendien heeft hij zich in het verweerschrift terecht op het standpunt gesteld dat er geen aanleiding bestaat om een schending van artikel 8 van het EVRM in het kader van gezinsleven aan te nemen, omdat op de vreemdelingen een vertrekplicht rust en zij Nederland moeten verlaten. De staatssecretaris heeft zich in het hiervoor genoemde voornemen verder onbestreden op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die aanleiding geven om het jongste kind van de vreemdelingen op humanitaire gronden in het bezit te stellen van een verblijfsvergunning en dat daarom geen aanleiding bestaat voor vergunningverlening krachtens artikel 14 van de Vw 2000, samen met artikel 3.6ba, eerste lid, van het Vb 2000.

De beroepsgrond faalt.

8.       De beroepen tegen de besluiten van 26 mei 2020 zijn ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 juli 2020 in zaken nrs. NL20.11430 en NL20.11434;

III.      verklaart de beroepen ongegrond;

IV.     vernietigt de besluiten van 26 augustus 2020, V-nummers […], […], […], […] en […].

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

w.g. Van Laar

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 21 januari 2021

373-922.