Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1237

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
202000761/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 12 december 2019 heeft de raad van de gemeente Hoogeveen het bestemmingsplan "Stadscentrum, deelplan Dwingelandpark 2015" vastgesteld. Het bestemmingsplan maakt onder meer een vergroting van het oppervlak van het Dwingelandpark en het bouwen van totaal 28 wooneenheden op twee plekken langs de westrand van dit park mogelijk. [appellant] woont aan de [locatie] in Hoogeveen. Zijn achtertuin grenst aan het plangebied en ligt op ongeveer 45 m van de beoogde woningbouw. [appellant] vreest overlast als gevolg van het plan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2021/8524
ABkort 2021/410
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000761/1/R3.

Datum uitspraak: 9 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Hoogeveen,

en

de raad van de gemeente Hoogeveen,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Stadscentrum, deelplan Dwingelandpark 2015" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De raad heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2021, waar [appellant], in persoon, en de raad, vertegenwoordigd door G. Haisma, U. Demiroglu en K. Hofstee, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het bestemmingsplan maakt onder meer een vergroting van het oppervlak van het Dwingelandpark en het bouwen van totaal 28 wooneenheden op twee plekken langs de westrand van dit park mogelijk.

2.       [appellant] woont aan de [locatie] in Hoogeveen. Zijn achtertuin grenst aan het plangebied en ligt op ongeveer 45 m van de beoogde woningbouw. [appellant] vreest overlast als gevolg van het plan.

Ingetrokken beroepsgronden

3.       Ter zitting heeft [appellant] zijn beroepsgronden over de omvang en de kindvriendelijke inrichting van het park ingetrokken.

Procedurele gronden

4.       [appellant] betoogt dat de procedure die is gevolgd tekort doet aan de in de gemeenteraad ingediende motie om meer burgerparticipatie te laten plaatsvinden en dat hij een participatiebeleid in de gemeente mist.    

4.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat op uitgebreide wijze invulling is gegeven aan participatie. Zo heeft tijdens het bestemmingsplanproces op meerdere momenten een afstemming met belanghebbenden plaatsgevonden en is in het bijzonder een werkgroep met omwonenden samengesteld om tot een breed gedragen ontwerp voor het nieuwe park te komen.

4.2.    Het bieden van gelegenheid tot burgerparticipatie zoals hier aan de orde, voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, maakt geen onderdeel uit van de in de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure.

De Afdeling stelt vast dat de motie, daargelaten welke betekenis daaraan moet worden toegekend, niet door de raad is aangenomen. Het gestelde onvoldoende bieden van participatie in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet.

5.       [appellant] betoogt dat de zienswijzeprocedure niet correct is verlopen. [appellant] voert daartoe aan dat de interpretatie van zijn zienswijze door de raad en de korte reactie daarop, afbreuk doet aan de werkelijke intentie van zienswijzen in het algemeen en aan zijn schrijven. Ook voert [appellant] aan dat bepaalde zienswijzen ten onrechte zijn weggelaten in vervolgdocumenten.

5.1.    De Afdeling overweegt dat artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zich er niet tegen verzet dat de raad de zienswijzen samengevat weergeeft. Voor een voldoende motivering is het niet nodig dat op elk argument afzonderlijk en uitgebreid wordt ingegaan. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten van [appellant] niet in de besluitvorming van de raad zijn betrokken.

Het betoog slaagt niet.

6.       Ook betoogt [appellant] dat het ten tijde van het opstellen van zijn zienswijzen en zijn beroepschrift niet mogelijk was om online besluiten en andere overheidsdocumenten te bekijken, waaronder de m.e.r-beoordeling en de Ontwikkelingsvisie stadscentrum (hierna: ontwikkelingsvisie), omdat de website van de gemeente niet bereikbaar was. [appellant] stelt dat hij als gevolg hiervan niet voldoende de mogelijkheid heeft gehad om zijn bedenkingen tegen het plan naar voren te brengen.

6.1.    De raad stelt dat alle stukken behorende bij het ontwerp- en vastgestelde bestemmingsplan tijdig ter inzage hebben gelegen en waren in te zien op www.ruimtelijkeplannen.nl, en de websites van de Hoogeveense Courant en de Staatscourant. Ook lagen alle bestanden ter inzage bij het gemeenteloket. Ter zitting heeft de raad hieraan toegevoegd dat documenten zoals de ontwikkelingsvisie via Google goed vindbaar zijn.

6.2.    [appellant] heeft zijn zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan naar voren gebracht. Deze zienswijze bevat citaten uit onder andere de m.e.r.-beoordeling en de ontwikkelingsvisie. Gelet hierop heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de stukken niet beschikbaar waren en dat hij niet alle punten naar voren heeft kunnen brengen op grond waarvan hij zich niet met het plan kan verenigen.

Voor zover [appellant] betoogt dat hij ten tijde van het opstellen van zijn beroepschrift bepaalde online besluiten en andere overheidsdocumenten niet heeft kunnen inzien, ziet dit op een mogelijke onregelmatigheid van na de datum van het bestreden besluit en kan dit de rechtmatigheid van dat besluit niet aantasten. Deze mogelijke onregelmatigheid kan dus geen reden zijn voor de vernietiging van het bestreden besluit.

Het betoog slaagt niet.

Toetsingskader

7.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Begrenzing plangebied

8.       [appellant] betoogt dat de raad ten onrechte bepaalde percelen buiten het plan heeft gelaten, waaronder een aantal percelen aan de Bentinckslaan en de school aan het Stoekeplein. Hij stelt zich op het standpunt dat deze percelen onderdeel moet uitmaken van het plangebied om versnippering te voorkomen.

8.1.    De raad stelt dat het plangebied in 2016 tot stand is gekomen naar aanleiding van beoogde ontwikkelingen. Vervolgens is bij de conceptfase van het plan het plangebied na veranderde inzichten aangepast, omdat ter plaatse van de woningen en de school geen ontwikkelingen meer zullen plaatsvinden die relevant zijn voor het bestemmingsplan.

8.2.    De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan. Deze ruimte is echter niet zo groot dat de raad een begrenzing kan vaststellen die in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Gelet op wat [appellant] heeft aangevoerd is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling neemt daarbij in aanmerking dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat tussen de percelen grenzend aan het plangebied en gelegen aan de Bentinckslaan en het Stoekeplein en de percelen in het plangebied een zodanige ruimtelijke samenhang bestaat dat deze percelen om die reden in het plan opgenomen hadden moeten worden. Het standpunt van de raad dat deze percelen buiten het plangebied zijn gelaten, omdat daar geen ontwikkelingen meer zullen plaatsvinden die relevant zijn voor dit bestemmingsplan, komt de Afdeling niet onjuist voor.

Het betoog slaagt niet.

Woningbouw

9.       [appellant] betoogt dat het plan ten onrechte woningbouw mogelijk maakt. Hij voert aan dat de behoefte aan de mogelijk gemaakte woningbouw aan het Stoekeplein onvoldoende is gemotiveerd. Ook wordt de leegstand ten onrechte niet aangepakt. [appellant] verwijst in dit kader naar de ontwikkelingsvisie.

9.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat de woonbehoefte voldoende is gemotiveerd. Volgens de raad heeft het aanpakken van leegstand niet te maken met de onderhavige ontwikkeling die zich richt op het creëren van een stadspark en het bieden van een unieke woonlocatie daarin.

9.2.    In paragraaf 3.1 van de plantoelichting wordt onder "Actuele regionale woonbehoefte" verwezen naar de Woonvisie 2017-2020, waarin het gemeentelijk beleid omtrent het wonen is neergelegd. In de plantoelichting staat dat de woonvisie laat zien dat de woonbehoefte steeds meer verschuift naar de stad: wonen in de stad met voorzieningen in de directe nabijheid. Hierbij is een grote behoefte waarneembaar aan kwalitatief goede grondgebonden woonmilieus. Met name binnen het stadscentrum is een vraagoverschot. Verder is er een groep mensen die Hoogeveen verlaat, omdat zij niet een voor hen geschikte woning kunnen vinden.

In paragraaf 3.4.4 van de plantoelichting staat dat de focus van woningbouw de komende jaren op de stad ligt. De woningvraag is gericht op praktisch woongenot zoals voorzieningen in de nabijheid en ruim en groen wonen tegen een goede prijs per vierkante meter woonoppervlak. Verder staat in diezelfde paragraaf dat er behoefte is aan woningen die aan de volgende voorwaarden voldoen:

        Waar mogelijk grondgebonden, met voldoende ruimte in de woning en een goede buitenruimte, zoals een kleine eigen tuin en een ruime gemeenschappelijke tuin;

        Zorg in de buurt, niet per sé in het gebouw zelf maar wel binnen handbereik;

        Het centrum heeft de voorkeur, maar locaties op korte loopafstand van wijkvoorzieningen zijn ook aantrekkelijk;

        Met aandacht voor veiligheid en toegankelijkheid van de woning, maar ook daarbuiten, zoals een goed ingerichte openbare ruimte en veilige prettige routes naar voorzieningen.

Volgens de toelichting wordt hier met dit plan een invulling aan gegeven.    

9.3.    Wat [appellant] naar voren heeft gebracht, geeft de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van deze beschrijving door de raad van de behoefte aan de woningen in dit gebied in het centrum. Het kan niet leiden tot de conclusie dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling neemt hierbij in aanmerking dat de ontwikkelingsvisie niet uitgaat van het principe dat nieuwe woningbouw niet wordt toegestaan zolang eventuele leegstand niet is aangepakt.

Het betoog slaagt niet.

10.     [appellant] betoogt dat de kwaliteit van de woningbouw onvoldoende is gewaarborgd. [appellant] voert aan dat de raad ten onrechte en in strijd met de ontwikkelingsvisie de typologie van de woningen niet heeft vastgesteld, waardoor gestapelde woningbouw is toegestaan. Ook voert hij aan dat de raad in de bouwregels voor de bestemming "Wonen" ten onrechte geen aansluiting heeft gezocht bij de bouwregels die gelden voor de bebouwing in de omgeving, zoals de woningen aan de Bentinckslaan. In het bijzonder betoogt [appellant] dat ten onrechte geen maximale goothoogte is vastgesteld. Tot slot voert hij aan dat ten onrechte geen beeldkwaliteitsplan is vastgesteld en dat ten onrechte geen aansluiting is gezocht bij de welstandseisen die voor zijn woning gelden.

10.1.  De raad stelt dat ervoor is gekozen om de woontypologie niet van te voren vast te stellen en slechts een maximum aantal wooneenheden te bepalen vanwege de marktsituatie. Dit geldt ook voor het niet vaststellen van een maximale goothoogte. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat het opstellen van een beeldkwaliteitsplan voor het bestemmingsplan overbodig is. Volgens de raad worden in de uitgiftestrategie nadere eisen gesteld over beeldkwaliteit en typologie.

10.2.  Aan de gronden waar de woningbouw is voorzien is de bestemming "Wonen" toegekend. Op grond van artikel 7.1 van de planregels zijn de voor "Wonen" aangewezen gronden bestemd voor "woningen" en "aan- en uitbouwen" en "bijgebouwen". Voor het bouwen van de hoofdgebouwen geldt op grond van artikel 7.2.1 van de planregels dat het aantal wooneenheden maximaal 28 mag bedragen en dat de hoofdgebouwen vrijstaand, twee-aan-een, aaneengeschakeld of gestapeld mogen worden gerealiseerd. Op grond van ditzelfde artikel mag de bouwhoogte van een hoofdgebouw maximaal 11 m bedragen. Een maximale goothoogte is niet opgenomen.

10.3.  Ten aanzien van de stelling van [appellant] dat de raad ten onrechte de woontypologie niet in het plan heeft vastgesteld, overweegt de Afdeling dat dit in lijn is met de Woonvisie 2017-2020, waarin staat dat concrete locaties worden aangewezen waar meer vrijheid is, zoals in de vorm van flexibele bestemmingsplannen. De raad heeft hier in zijn verweerschrift aan toegevoegd dat de keuze om geen woontypologie vast te stellen mede is ingegeven door de marktsituatie. De raad wil hiermee inspelen op de meest actuele woonvraag en een onderscheidend woonmilieu ontwikkelen. De Afdeling acht dit niet onredelijk. De Afdeling acht hierbij van belang dat in de Wro of in een ander wettelijk voorschrift geen bepaling is aan te wijzen op grond waarvan de raad in een geval als hier aan de orde verplicht is de woontypologie, een beeldkwaliteitsplan of welstandseisen in het bestemmingsplan te regelen. Ook acht de Afdeling van belang dat in de plantoelichting staat dat in de uitgiftestrategie nadere eisen zullen worden gesteld aangaande de typologie en beeldkwaliteit. Ter zitting heeft de raad dit bevestigd en in aanvulling daarop toegelicht dat deze eisen in overleg met een klankbordgroep van omwonenden worden opgesteld en dat deze eisen vervolgens het kader zullen vormen voor de prijsvraag die voor de woningbouw wordt uitgeschreven. Bovendien bevat artikel 7.3 van de planregels een bevoegdheid voor het college van burgemeester en wethouders om nadere eisen te stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van onder andere een samenhangend straat- en bebouwingsbeeld.

10.4.  Op grond van het bestemmingsplan "Stadscentum 2008" gelden ter plaatse van de woningen aan de Bentinckslaan, gelegen op ongeveer 80 m ten noorden van de beoogde woningbouw, verschillende maximale goot- en bouwhoogten van 4 tot 10 m. Ter plaatse van het schoolgebouw direct ten noordoosten van de beoogde woningbouw geldt een maximale goot- en bouwhoogte van 10 m. Voor bebouwing aan de overkant van het Stoekeplein, gelegen op ongeveer 30 m van de beoogde woningbouw, gelden ook verschillende maximale goot- en bouwhoogten van 10 tot 13 m. Voor de bebouwing ter plaatse van het schoolgebouw en de bebouwing aan de overkant van het Stoekeplein geldt dat de toegestane goothoogten gelijk zijn aan de bouwhoogten.

In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen afzien van het opnemen van een maximale goothoogte die lager is dan de maximale bouwhoogte. Daarbij betrekt de Afdeling dat ook uit wat op zitting is besproken, is gebleken dat de beoogde woningbouw, anders dan de woningen aan de Bentinckslaan, niet in een historisch lint komt te liggen, maar aan het Stoekeplein. Voor bebouwing aan dit plein gelden geen maximale goothoogten die lager zijn dan de maximale bouwhoogten.

10.5.  Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog slaagt niet.

Parkeren

11.     [appellant] betoogt dat het plan leidt tot een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk bij zijn woning door een vermindering van het aantal parkeerplaatsen op het Stoekeplein. [appellant] stelt daartoe dat de raad voor de onderbouwing dat er genoeg parkeerplaatsen in de omgeving zijn ten onrechte verwijst naar de parkeergarage De Kaap en naar de documenten en onderzoeken die zijn opgesteld voor deelproject De Kaap. Verder stelt [appellant] dat de parkeerdruk momenteel al te hoog is. De raad had daarom een parkeerdrukmeting moeten laten uitvoeren en een handhavingsstrategie moeten opstellen.

11.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat parkeergarage De Kaap voorziet in de volledige compensatie van de afname van de parkeercapaciteit van het Stoekeplein. Dit blijkt volgens de raad ook uit een in 2018 door Goudappel Coffeng uitgevoerd parkeeronderzoek in het centrum van Hoogeveen in het kader van de actualisatie van het parkeerbeleid van de gemeente (hierna: het parkeeronderzoek).

11.2.  In paragraaf 5.10 van de plantoelichting staat dat het aantal parkeerplaatsen op het Stoekeplein na afronding van de herinrichting van het Dwingelandpark is teruggebracht naar ongeveer 80 parkeerplaatsen. De raad heeft dit aantal in het verweerschrift gespecificeerd en gesteld dat het besluit om de basisschool niet te verplaatsen, en de daarmee samenhangende planaanpassing, heeft geresulteerd in een netto afname van 64 parkeerplaatsen op het Stoekeplein, waardoor de toekomstige capaciteit 97 parkeerplaatsen is. Het aantal parkeerplaatsen in de directe nabijheid blijft volgens de plantoelichting gelijk. Dit omdat het reeds gerealiseerde deelproject De Kaap voorziet in een ondergrondse parkeergarage met 483 parkeerplaatsen.

Uit het parkeeronderzoek blijkt dat in de maanden juni en oktober 2018 op verschillende dagen in de week en op verschillende tijdstippen tellingen zijn verricht. De raad heeft ter zitting gesteld een parkeerdruk van 85% aanvaardbaar te achten. Tijdens het parkeeronderzoek werd dit percentage op twee momenten op het Stoekeplein overschreden. Op zaterdag 2 juni 2018 om 15.00 uur waren van de 162 beschikbare parkeerplaatsen op het Stoekeplein 157 parkeerplaatsen bezet, een percentage van 97%. Op vrijdag 15 juni 2018 om 19.30 uur waren 158 parkeerplaatsen bezet, een percentage van 98%. Op deze momenten waren in parkeergarage De Kaap nog respectievelijk 181 en 267 parkeerplaatsen beschikbaar. [appellant] heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht op grond waarvan moet worden aangenomen dat op een andere dag of een ander tijdstip dan vrijdagavond om 19.30 uur de parkeerbezetting hoger is.

Gelet op de beschikbare parkeerplaatsen in De Kaap, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het verlies aan parkeercapaciteit op het Stoekeplein in parkeergarage De Kaap kan worden opgevangen. De verwijzing van de raad naar parkeergarage De Kaap en het wijzigingsplan waarmee de parkeergarage is mogelijk gemaakt, komt de Afdeling daarmee niet onjuist voor.

Voor zover [appellant] stelt dat de parkeerdruk bij zijn woning momenteel al te hoog is, heeft de raad ter zitting nader toegelicht dat overlast als gevolg van parkeren de aandacht heeft, maar dat in de gemeente Hoogeveen geen sprake is van een capaciteitsprobleem, maar een verdeelprobleem. De raad heeft verklaard na het parkeeronderzoek passende maatregelen te hebben getroffen om hinder als gevolg van parkeren te voorkomen, zoals de invoering van een gedifferentieerd tarievenstelsel en een uitbreiding van de betaald-parkeren-tijd. Deze maatregelen beogen een betere spreiding van bezoekers over de parkeerpleinen/garages te bewerkstelligen. Voor zover [appellant] vreest voor overlast als gevolg van fout parkeren voor zijn woning, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving is die in deze procedure niet ter beoordeling staat.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat ten gevolge van dit plan geen onaanvaardbare parkeerhinder zal ontstaan en het plan in zoverre strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog slaagt niet.

Ontbreken exploitatieplan

12.     [appellant] betoogt dat niet is gebleken dat een exploitatieplan is vastgesteld, terwijl de Wro hier wel toe verplicht.

12.1.  De raad stelt dat geen exploitatieplan is vastgesteld, omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd, namelijk door gemeentelijke gronduitgifte.

12.2.  Op grond van artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 8:6 van de Awb en artikel 2 van bijlage 2 bij de Awb, kan een belanghebbende bij de Afdeling beroep instellen tegen een besluit omtrent vaststelling van een exploitatieplan voor gronden, begrepen in een gelijktijdig bekendgemaakt bestemmingsplan.

Op grond van artikel 8.2, vierde lid, van de Wro wordt als belanghebbende bij een besluit tot vaststelling van een exploitatieplan in elk geval aangemerkt degene die een grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de in het desbetreffende besluit opgenomen gronden, of die eigenaar is van die gronden.

12.3.  Het beroep van [appellant] is gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan. Indien de raad een exploitatieplan zou hebben vastgesteld, zou [appellant] niet als belanghebbende bij het exploitatieplan kunnen worden aangemerkt. Daarvoor is van belang dat [appellant] geen eigenaar is van gronden in het exploitatiegebied en ook geen grondexploitatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot deze gronden. Gelet hierop en omdat ook anderszins niet is gebleken van een belang dat rechtstreeks betrokken is bij de vaststelling van een exploitatieplan, kan hij ook niet worden aangemerkt als belanghebbende bij het niet vaststellen van een exploitatieplan.

Het beroep is op dit punt niet-ontvankelijk. Dit betekent dat de Afdeling het betoog niet inhoudelijk behandelt.

Conclusie en proceskosten

13.     Het beroep is voor zover gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond.

14.     De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet vaststellen van een exploitatieplan niet-ontvankelijk;

II.       verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Soede, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2021

270-964.