Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1231

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
202100164/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 augustus 2020 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam zijn beslissing om op 28 juli 2020 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 125,00, voor rekening van [appellant] komen. De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een plastic boodschappentas met restafval die op 28 juli 2020 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer ter hoogte van de Dahliastraat 72 in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de boodschappentas verkeerd heeft aangeboden, omdat daarin een tot hem herleidbaar poststuk is aangetroffen. Het poststuk is een aan hem geadresseerde brief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202100164/1/R4.

Datum uitspraak: 9 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Rotterdam,

appellant,

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 augustus 2020 heeft het college zijn beslissing om op 28 juli 2020 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening Rotterdam 2009 aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 125,00, voor rekening van [appellant] komen.

Bij besluit van 30 november 2020 heeft het college het door [appellant] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 mei 2021, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door I. Keric, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een plastic boodschappentas met restafval die op 28 juli 2020 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer ter hoogte van de Dahliastraat 72 in Rotterdam. Het college is ervan uitgegaan dat [appellant] de boodschappentas verkeerd heeft aangeboden, omdat daarin een tot hem herleidbaar poststuk is aangetroffen. Het poststuk is een aan hem geadresseerde brief.

2.       [appellant] betwist dat de aangetroffen boodschappentas van hem afkomstig is. Hij voert aan dat de omgeving waar de boodschappentas is aangetroffen hem onbekend voorkomt en dat hij niet weet hoe zijn poststuk in de boodschappentas terecht is gekomen. Hij wijst erop dat hij aan het Zuidplein woont en geen reden heeft om zijn huisvuil helemaal aan de Dahliastraat aan te bieden. Verder stelt hij dat hij zijn naam en adresgegevens niet zou achterlaten als hij zijn huisvuil onjuist zou aanbieden. Tot slot stelt hij dat hij enkele jaren geleden al een vergelijkbaar bestuursdwangbesluit heeft gekregen wegens het verkeerd aanbieden van huisvuil en dat hij daarvan heeft geleerd en zijn huisvuil niet nog een keer verkeerd zou aanbieden.

2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

2.2.    Door het daarin aangetroffen poststuk is de boodschappentas tot [appellant] te herleiden. Dit betekent dat het college mag aannemen dat hij de overtreder is, tenzij hij aannemelijk maakt dat hij niet degene is geweest die de huisvuilzak verkeerd heeft aangeboden. Met zijn stellingen dat de omgeving van de Dahliastraat hem onbekend voorkomt, dat hij niet weet hoe zijn poststuk in de boodschappentas terecht is gekomen en dat hij geen reden heeft om zijn huisvuil daar aan te bieden, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij niet de overtreder is. Deze verklaringen zijn daarvoor onvoldoende objectief. De omstandigheid dat de boodschappentas op bijna een kilometer afstand van zijn woning is aangetroffen, maakt op zichzelf ook niet aannemelijk dat hij niet de overtreder is. Ook zijn verklaringen dat hij niet nog een keer zijn huisvuil verkeerd zou aanbieden en dat hij, als hij dat wel zou doen, niet zijn naam en adresgegevens daarin zou achterlaten, zijn onvoldoende objectief om op grond daarvan aan te nemen dat hij niet degene is geweest die de boodschappentas verkeerd heeft aangeboden. Het college heeft hem dan ook terecht als overtreder aangemerkt.

Het betoog faalt.

3.       Het beroep is ongegrond.

4.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Michiels

lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Kors

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2021

687