Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1221

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
201905233/1/R2
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 23 november 2017 heeft het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar aan JAVO een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, het aanleggen van een uitrit en het maken van handelsreclame ten behoeve van de realisatie van een supermarkt met bijbehorende werken op het perceel aan de Rijksweg 121 te Mook. JAVO heeft op 28 juli 2017 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een supermarkt op het perceel ten behoeve van de supermarktketen Jan Linders. Het project omvat het bouwen van het hoofdgebouw, twee masten en een winkelwagenstalling, het plaatsen van handelsreclame in de vorm van witte doosletters die voorzien zijn van verlichting en het realiseren van twee uitwegen aan de Prinses Beatrixstraat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8516
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905233/1/R2.

Datum uitspraak: 9 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar,

2.       JAVO Invest B.V., gevestigd te Ottersum, gemeente Gennep,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 juni 2019 in zaak nr. 18/1853 in het geding tussen:

PLUS Vastgoed B.V., gevestigd te Utrecht,

PLUS Retail B.V., gevestigd te Utrecht,

[partij A], gevestigd te Mook,

Food-Retail Mook B.V., gevestigd te Mook,

Retail Mook Holding B.V., gevestigd te Mook, en

[partij B], wonend te [woonplaats],

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 23 november 2017 heeft het college aan JAVO een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan, het aanleggen van een uitrit en het maken van handelsreclame ten behoeve van de realisatie van een supermarkt met bijbehorende werken op het perceel aan de Rijksweg 121 te Mook (hierna: het perceel).

Bij besluit van 26 juni 2018 heeft het college het daartegen door PLUS Vastgoed B.V., PLUS Retail B.V. en [partij B] gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard, het door [partij A], Food Retail Mook B.V. en Retail Mook Holding B.V. (hierna: [partij A] en anderen) gemaakte bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 23 november 2017, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

Bij uitspraak van 11 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door PLUS Vastgoed B.V., PLUS Retail B.V. en [partij B] ingestelde beroep ongegrond verklaard, het door [partij A] en anderen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 juni 2018 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en JAVO hoger beroep ingesteld.

[partij A] en anderen en [partij B] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 20 augustus 2019 heeft het college het door [partij A] en anderen gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard, het door PLUS Vastgoed B.V., PLUS Retail B.V. en [partij B] gemaakte bezwaar opnieuw niet-ontvankelijk verklaard, de situatie- en terreintekening behorende bij en onderdeel uitmakende van het besluit van 23 november 2017 vervangen en dit besluit, onder aanvulling van de motivering, in stand gelaten.

[partij A] en anderen en [partij B] hebben een zienswijze naar voren gebracht over het besluit van 20 augustus 2019.

JAVO en [partij A] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting, gevoegd met zaak nr. 201905530/1/A2, behandeld op 26 maart 2021, waar het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.M. Gelissen en T.H.M. Pouwels, en JAVO, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. B. de Haan, advocaat te Arnhem en [gemachtigde C], zijn verschenen. Voorts zijn [partij A] en anderen en [partij B], vertegenwoordigd door mr. V.J. Leijh en mr. S. Jeurissen, advocaat te Amsterdam, bijgestaan door [gemachtigde D], ter zitting gehoord. Daarna zijn de zaken gesplitst.

Overwegingen

Inleiding

1.       JAVO heeft op 28 juli 2017 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor het realiseren van een supermarkt op het perceel ten behoeve van de supermarktketen Jan Linders. Het project omvat het bouwen van het hoofdgebouw, twee masten en een winkelwagenstalling, het plaatsen van handelsreclame in de vorm van witte doosletters die voorzien zijn van verlichting en het realiseren van twee uitwegen aan de Prinses Beatrixstraat. Het college heeft de omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten bouwen, het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, het maken van handelsreclame en het maken of veranderen van een uitweg. [partij A] en anderen zijn eigenaar en exploitant van de nabijgelegen supermarkt. Zij vrezen voor parkeeroverlast.

Het ter plaatste geldende bestemmingsplan "Mook en Molenhoek" kent de bestemming "Centrum" aan het perceel toe. Binnen deze bestemming is het toegestaan om detailhandel uit te voeren. Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet in overeenstemming is met het bestemmingplan, omdat de winkelwagenstalling buiten het bouwvlak is voorzien. Daarom is er een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan nodig. Daarvoor heeft het college met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), in samenhang gelezen met artikel 4, aanhef en eerste lid, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht omgevingsvergunning verleend.

Aangevallen uitspraak

2.       De rechtbank heeft overwogen dat de parkeereis in artikel 2.5.30 van de "Bouwverordening gemeente Mook en Middelaar, 14e serie wijzigingen" (hierna: de bouwverordening), gelet op de korte afstand van de supermarkt van [partij A] en anderen tot het perceel, in dit geval strekt tot de bescherming van hun belang, omdat niet kan worden uitgesloten dat een eventueel parkeertekort bij de nieuwe supermarkt tot parkeeroverlast bij de supermarkt van [partij A] en anderen zal leiden.

Met betrekking tot het betoog van [partij A] en anderen dat het college uit is gegaan van een onjuiste parkeerbehoefte, heeft de rechtbank overwogen dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bij de berekening van de parkeerbehoefte uit is gegaan van het gebiedstype ‘centrum’ en niet van het gebiedstype ‘schil centrum’ als bedoeld in de publicatie 317 "Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie" van het CROW (hierna: de CROW publicatie 317). Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de vraag naar parkeerplaatsen wordt bepaald door de locatie en het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen en het college in zijn berekening geen verband heeft gelegd met het openbaar vervoer in de directe omgeving van het perceel, terwijl onbestreden is gesteld dat in de directe omgeving slechts beperkt openbaar vervoer voorhanden is. Daarnaast heeft het college volgens de rechtbank achterwege gelaten om het standpunt dat een Jan Linders supermarkt zoals met de aanvraag beoogd behoort tot het middelhoog en hoog segment (lees: prijsniveau), als bedoeld in de CROW-publicatie 317 te motiveren. Indien wordt uitgegaan van een ‘fullservice supermarkt (laag en middellaag segment)’ in een ‘schil centrum’ in een ‘niet-stedelijk gebied’ bedraagt de minimale parkeerbehoefte op grond van de CROW-publicatie 317 56 parkeerplaatsen. Nu het bouwplan slechts over 55 parkeerplaatsen beschikt, is het besluit op dit punt onvoldoende gemotiveerd, aldus de rechtbank. Aan de beoordeling van de overige beroepsgronden is de rechtbank niet meer toegekomen.

Relativiteitsvereiste

3.       Het college en JAVO betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening strekt tot de bescherming van de belangen van [partij A] en anderen. Daartoe voeren zij aan dat, anders dan de rechtbank heeft overwogen, wel kan worden uitgesloten dat er sprake zal zijn van parkeeroverlast in de omgeving van het bouwplan, gelet op het aantal parkeerplaatsen dat nodig is ten behoeve van dit bouwplan, het aantal parkeerplaatsen dat in het plan is opgenomen en de lage parkeerdruk in de omgeving van het bouwplan. Nu uitgesloten kan worden dat er sprake zal zijn van parkeeroverlast in de omgeving van het bouwplan, strekt de parkeernorm van artikel 2.5.30 van de bouwverordening niet tot de bescherming van de belangen van [partij A] en anderen en staat artikel 8:69a van de Awb in de weg aan de vernietiging van het besluit van 26 juni 2018, aldus het college en JAVO.

3.1.    Artikel 2.5.30 van de bouwverordening, zoals dit gold ten tijde van het besluit, luidt:

"1. Indien de omvang of de bestemming van een gebouw daartoe aanleiding geeft, moet ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's in voldoende mate ruimte zijn aangebracht in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort. Deze ruimte mag niet overbemeten zijn, gelet op het gebruik of de bewoning van het gebouw, waarbij rekening moet worden gehouden met de eventuele bereikbaarheid per openbaar vervoer.

[…]."

Artikel 8:69a van de Awb luidt:

"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

3.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 17 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1252, strekt het gelijkluidende artikel 2.5.30 van de bouwverordening ertoe te waarborgen dat voor een bouwplan voldoende parkeerplaatsen aanwezig zijn om zo parkeeroverlast in de directe omgeving van het perceel waarop het bouwplan is voorzien te voorkomen.

Nu artikel 2.5.30 van de bouwverordening strekt tot het voorkomen van parkeeroverlast in de directe omgeving van het perceel, waartoe het perceel van [partij A] en anderen kan worden gerekend, heeft de rechtbank terecht overwogen dat artikel 2.5.30, eerste lid, van de bouwverordening in dit geval kennelijk strekt tot de bescherming van de belangen van [partij A] en anderen. Niet kan worden uitgesloten dat een eventueel parkeertekort bij de nieuwe supermarkt, bij de supermarkt van [partij A] en anderen tot parkeeroverlast zal leiden, zodat het relativiteitsvereiste niet in de weg staat aan vernietiging van het bestreden besluit. Dat volgens het college en JAVO met de getroffen parkeermaatregelen in het plan uitgesloten kan worden dat er sprake zal zijn van parkeeroverlast, maakt niet dat de ingeroepen rechtsregel daardoor niet langer strekt tot de bescherming van de belangen van [partij A] en anderen.

Het betoog faalt.

Parkeerbehoefte

4.       Het college en JAVO betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat onvoldoende is gemotiveerd dat aan de parkeernorm wordt voldaan. Daartoe voert het college aan dat de rechtbank ten onrechte uit is gegaan van de parkeerkencijfers die gelden voor een ‘fullservice supermarkt (laag en middellaag prijsniveau)’ in het gebiedstype ‘schil centrum’ in een ‘niet-stedelijk gebied’ als bedoeld in de CROW-publicatie 317.

Het gebied moet volgens het college en JAVO worden gekarakteriseerd als 'centrum' en niet als 'schil centrum'. Ten onrechte heeft de rechtbank de onderbouwing dat de locatie behoort tot het centrum niet betrokken in het oordeel. Volgens het college en JAVO bevindt het perceel zich binnen het gebiedstype ‘centrum’, omdat het gebied in de "structuurvisie Mook en Molenhoek 2025", het bestemmingsplan "Mook en Molenhoek", het stuk "Mook magnifiek aan de Maas" en het "Programma Centrum inrichting Mook" als centrum is aangemerkt. Daarnaast is het gebied aan te merken als centrum, gelet op de Rijksweg en de monumentale panden, de publieke gebouwen, de passantenhaven, het Maaspark, de horecagelegenheden, het gemeenschapshuis, het winkelcentrum en de basisschool die in de omgeving van het perceel zijn gelegen. Volgens het college behoort het perceel ook vanuit de geschiedenis gezien tot het centrum, nu er vanaf 1903 een bekend horecabedrijf heeft gestaan. Bovendien is er ook sprake van een centrum gelet op het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen in de omgeving. Er zijn drie bushaltes gelegen aan de Rijksweg. Het varieert hoe vaak een bus stopt, maar op sommige tijden komt er om het kwartier een bus, daarna om het half uur en na 22.00 uur komt er om het uur een bus. De frequentie van de busverbinding in een dorpscentrum als Mook maakt duidelijk dat dit het gebiedstype ‘centrum’ betreft, aldus het college en JAVO. Daarnaast heeft het college ter zitting gesteld dat de kwaliteit en het aanbod van het openbaar vervoer in dit geval niet van belang zijn bij de beoordeling van de parkeerbehoefte, omdat de klanten van de nieuwe supermarkt in de regel niet met het openbaar vervoer komen.

Verder voert het college aan dat er sprake is van een ‘fullservice supermarkt (middelhoog en hoog prijsniveau)’ in plaats van een ‘fullservice supermarkt (laag en middellaag prijsniveau)’. Volgens het college is er sinds 2015 bij Jan Linders een grote focus op verse producten en is er een nieuwe balans tussen kwaliteit, service, voordeel en beleving. Jan Linders onderscheidt zich volgens het college op verschillende punten van de door de rechtbank genoemde supermarkten zoals C1000, Nettorama en Jumbo. Zo wordt Jan Linders al verschillende jaren verkozen tot de beste (vers) supermarkt in "Brood en Bier", is zij in 2015 door "CustomersFirst" uitgeroepen tot meest klantvriendelijke supermarkt, stond zij in 2019 op de tweede plek van klantvriendelijkste supermarkten en op de 15de plek in de top 50 klantvriendelijkste bedrijven, terwijl Nettorama niet op deze lijst voorkwam en Jumbo op de 45ste plek stond. Daarom bevindt de servicegraad van Jan Linders zich in het middelhoog en hoog segment, stelt het college. Daarnaast is uit verschillende prijspeilingen van de Consumentenbond af te leiden dat Jan Linders zich over de jaren heen steeds meer in het duurdere prijsniveau begeeft. Gelet hierop is voldoende onderbouwd dat de Jan Linders aangemerkt moet worden als een ‘fullservice supermarkt (middelhoog en hoog prijsniveau)’, aldus het college.

Voorts voert het college aan dat ook wordt voldaan aan de parkeerbehoefte indien wordt uitgegaan van een ‘fullservice supermarkt (middelhoog en hoog prijsniveau)’ in het gebiedstype ‘schil centrum’ of een ‘fullservice supermarkt (laag en middellaag prijsniveau)’ in het gebiedstype ‘centrum’.

4.1.    De Afdeling stelt voorop dat de bij besluit van 23 november 2017 verleende omgevingsvergunning onder meer is verleend voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met het bestemmingsplan als bedoeld artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo.

In artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo is bepaald dat de omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo wordt geweigerd indien niet aannemelijk is dat het bouwen van een bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft, voldoet aan de voorschriften die zijn gesteld bij de bouwverordening. Derhalve is artikel 2.5.30 van de bouwverordening in dit geval van toepassing.

4.2.    De Afdeling stelt vast dat in de bouwverordening en het bestemmingsplan geen parkeernormen zijn opgenomen. In de toelichting van de bouwverordening wordt wel verwezen naar de in 2008 geactualiseerde versie van de landelijke parkeerkencijfers van "Aanbevelingen voor verkeersvoorzieningen binnen de bebouwde kom" van het CROW (hierna: de ASVV) van 2003. Hoewel er niet wordt verwezen naar de ASVV van 2012, acht het college het aangewezen om de meest geactualiseerde cijfers te hanteren. Het college heeft daarom aansluiting gezocht bij de parkeerkencijfers van de CROW-publicatie 317.

4.3.    Het college heeft in het besluit van 26 juni 2018 toegelicht dat is uitgegaan van de bandbreedte van de parkeerkencijfers van de CROW-publicatie 317 voor een ‘fullservice supermarkt (middelhoog en hoog prijsniveau)’ in gebiedstype ‘centrum’, in een ‘niet-stedelijk gebied’. De Afdeling overweegt dat in de ASVV 2012 voorop wordt gesteld dat de parkeerkencijfers niet ontwikkeld zijn om als norm te dienen, maar bedoeld zijn als hulpmiddel om een orde van grootte uit te rekenen voor het aantal aan te leggen parkeerplaatsen bij een bepaalde voorziening. De vraag naar parkeerplaatsen wordt bepaald door de locatie en het aanbod en de kwaliteit van alternatieve vervoerswijzen. Bovendien is de hoogte van het parkeerkencijfer niet alleen afhankelijk van het gebiedstype, maar ook van de stedelijkheidsgraad. Zo is het aanbod van de alternatieve vervoerswijzen in het centrum van, bijvoorbeeld, Rotterdam van een ander niveau dan in het centrum van Oosterhout, aldus de ASVV 2012.

Door te oordelen dat voor de keuze van het gebiedstype met name de aanwezigheid van openbaar vervoer en het effect daarvan op de parkeervraag bepalend is, dat in de directe omgeving van de projectlocatie slechts beperkt openbaar vervoer voorhanden is en dat het college bij het berekenen van het parkeerkencijfer geen verband heeft gelegd met het openbaar vervoer in de directe omgeving, heeft de rechtbank in dit geval onevenredig veel gewicht toegekend aan het enkele aspect van het aanbod en de kwaliteit van het openbaar vervoer voor de keuze van het gebiedstype. Hoewel de kwaliteit en het aanbod van het openbaar vervoer een rol kunnen spelen bij het bepalen van het te hanteren gebiedstype, is het openbaar vervoer in dit geval volgens het college, gelet op de ligging van het perceel in het centrum en de beoogde lokale functie van de supermarkt, niet van doorslaggevend belang. De keuze van het college om bij het bepalen van het te hanteren gebiedstype geen doorslaggevend gewicht toe te kennen aan het openbaar vervoer maar uit te gaan van de ligging van het perceel in het centrum, de verschillende functies in de omgeving, de feitelijke kenmerken van het omliggende gebied en het ontbreken van een fysieke schil tussen het centrum van Mook en het omliggende woongebied, acht de Afdeling niet onredelijk. Daarbij neemt de Afdeling ook in aanmerking dat het gebied in verschillende ruimtelijke beleidsdocumenten is aangemerkt als centrum, de locatie volgens de ASVV 2012 minstens zo bepalend is voor de gebiedstypering als het openbaar vervoer, het college bij het bepalen van de stedelijkheidsgraad volgens de rechtbank terecht uit is gegaan van een ‘niet-stedelijk gebied’, waarin al verdisconteerd is dat het aanbod van alternatieve vervoerswijzen van een ander niveau is dan in een ‘stedelijk gebied’, en dat het college beoordelingsruimte heeft bij de invulling van de parkeerbehoefte van artikel 2.5.30 van de bouwverordening. Gelet op deze omstandigheden heeft het college in redelijkheid gebiedstype ‘centrum’ kunnen hanteren en heeft het die keuze bij het besluit van 26 juni 2018 voldoende gemotiveerd. Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat sprake is van het gebiedstype ‘centrum’ in plaats van ‘schil centrum’.

De Afdeling stelt vast dat het minimum parkeerkencijfer voor een ‘fullservice supermarkt (middelhoog en hoog prijsniveau)’ in het gebiedstype ‘centrum’ in een ‘niet-stedelijk gebied’ 39 parkeerplaatsen bedraagt en dat het minimum parkeerkencijfer voor een ‘fullservice supermarkt (laag en middellaag prijsniveau)’ in gebiedstype ‘centrum’ in een ‘niet-stedelijk gebied’ 33 parkeerplaatsen bedraagt. Dit betekent dat het bouwplan met 55 parkeerplaatsen, ongeacht of bij de berekening van het parkeerkencijfer wordt uitgegaan van een ‘fullservice supermarkt (middelhoog en hoog prijsniveau)’ of een ‘fullservice supermarkt (laag en middellaag prijsniveau)’, voorziet in een groter aantal parkeerplaatsen dan het minimum parkeerkencijfer. Gelet hierop heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan in voldoende parkeerplaatsen voorziet. Gelet op het voorgaande kan de Afdeling het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een motiveringsgebrek niet volgen. De rechtbank heeft het besluit van 26 juni 2018 ten onrechte vernietigd. Gelet hierop behoeven de overige beroepsgronden van het college en JAVO geen bespreking meer.

Het betoog slaagt.

Conclusie hoger beroep

5.       De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient, voor zover daarbij het beroep van [partij A] en anderen gegrond is verklaard, het besluit van 26 juni 2018 is vernietigd en het college is opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen, te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog de overige bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

Beoordeling beroep [partij A] en anderen

NEN-normen

6.       [partij A] en anderen betogen dat het college de omgevingsvergunning niet heeft kunnen verlenen met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo, omdat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Daartoe voeren zij aan dat door de aanwezigheid van de winkelwagenstalling niet wordt voorzien in voldoende parkeerplaatsen en dat de afmetingen van de parkeerplaatsen niet voldoen aan de NEN 2443:2013. Zij verwijzen daarbij naar de onderzoeksrapporten van Goudappel Coffeng van 15 februari 2018 en 29 augustus 2018.

6.1.    De Afdeling stelt voorop dat de NEN-norm niet van toepassing is op de afmetingen van parkeerplaatsen zoals hier aan de orde. Dit zou anders kunnen zijn indien dit in de beleidsregels was bepaald. Nu in dit geval geen sprake is van parkeerbeleid dat expliciet verwijst naar de NEN-norm, hoeft er niet aan de afmetingen van de NEN-norm te worden voldaan. Alleen al daarom faalt het betoog in zoverre.

Voor zover [partij A] en anderen aanvoeren dat geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening, overweegt de Afdeling dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de parkeerplaatsen voldoende ruim zijn, omdat de afmetingen van de parkeerplaatsen zijn afgestemd op gangbare personenauto’s, hetgeen in overeenstemming is met artikel 2.5.30, tweede lid, van de bouwverordening. Daarnaast heeft het college zich, zoals onder 4.3 is overwogen, in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het bouwplan in voldoende parkeerplaatsen voorziet. In wat door [partij A] en anderen is aangevoerd, ziet de Afdeling dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet in redelijkheid met toepassing van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2º, van de Wabo heeft kunnen verlenen.

Het betoog faalt.

Laad- en losvoorziening

7.       [partij A] en anderen betogen dat het bouwplan in strijd is met artikel 2.5.30, derde lid, van de bouwverordening. Zij voeren aan dat de laad- en losvoorziening op het parkeerterrein niet bereikbaar is met een trekker-oplegger-combinatie dan wel dat de laad- en losvoorziening slechts bereikt kan worden met manoeuvres die leiden tot een verkeersonveilige situatie. Zij verwijzen daarbij naar de onderzoeksrapporten van Goudappel Coffeng van 15 februari 2018 en 29 augustus 2018. Nu niet aannemelijk is dat het bouwplan voldoet aan de voorschriften van de bouwverordening, had het college de omgevingsvergunning moeten weigeren, aldus [partij A] en anderen.

7.1.    Artikel 2.5.30 van de bouwverordening luidt:

"[…].

3. Indien de bestemming van een gebouw aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen, moet in deze behoefte in voldoende mate zijn voorzien aan, in of onder dat gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij dat gebouw behoort.

[…]."

7.2.    Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het onderzoeksrapport en de rijcurvesimulaties van DTV Consultants van 26 maart 2018, die door JAVO zijn overgelegd, blijkt dat het mogelijk is om de laad- en losvoorziening te bereiken.

In het onderzoeksrapport van DTV Consultants staat dat het laden en lossen over het algemeen twee keer per dag zal plaatsvinden, waarvan één keer voor de openingstijd. Op de rijcurvesimulaties te zien is dat de beweging waarbij een linkse bocht achteruit wordt gedraaid, niet te maken is zonder een aantal keren te steken. De beweging met een rechtse bocht achteruit kan wel in één keer gemaakt worden, al wijkt het voertuig daarbij wel uit over het voetpad aan de Beatrixlaan. Gelet hierop zijn beide bewegingen in principe mogelijk, maar gaat de voorkeur uit naar de beweging met een rechtse bocht achteruit, omdat die beweging in één keer gemaakt kan worden. Daarbij heeft de chauffeur minder zicht op zijn oplegger. Een oplossing daarvoor ligt in de begeleiding door een medewerker van de supermarkt, aldus het onderzoeksrapport van DTV Consultants.

7.3.    De Afdeling ziet in hetgeen [partij A] en anderen hebben aangevoerd geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in voldoende mate op eigen terrein is voorzien in ruimte voor laden en lossen en dat de laad- en losvoorziening bereikbaar is. Uit de onderzoeksrapporten van Goudappel Coffeng volgt niet dat het onmogelijk is om de laad- en losvoorziening te bereiken. De enkele stellingen uit het onderzoekrapport van Goudappel Coffeng van 29 augustus 2018 dat de laad- en losvoorziening niet kan worden bereikt en dat omwille van de verkeersveiligheid een bocht rechts achteruit niet gemaakt kan worden, bieden onvoldoende grond voor twijfel aan de juistheid van de conclusies uit het onderzoeksrapport en de rijcurvesimulaties van DTV Consultants. Het betoog faalt.

Algemene plaatselijke verordening

8.       [partij A] en anderen betogen dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan niet in strijd is met artikel 2:12 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Mook en Middelaar 2018 (hierna: de APV). Zij voeren aan dat er parkeerplaatsen en groen vervallen door het realiseren van de in- en uitritten aan de Prinses Beatrixstraat en dat de verkeersveiligheid afneemt. Volgens hen dienen de vervallen parkeerplaatsen te worden gecompenseerd, gelet op de bestaande parkeerdruk in en rondom het bouwplan. Zij verwijzen daarbij naar het rapport van Goudappel Coffeng van 15 februari 2018.

8.1.    Artikel 2:12 van de APV luidt:

"1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het college een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 wordt de vergunning slechts geweigerd:

a. ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b. als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

c. als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

d. als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of het openbaar groen."

8.2.    Het college heeft zich in het besluit op bezwaar van 26 juni 2018 op het standpunt gesteld dat het noodzakelijk is om de in- en uitritten aan de Prinses Beatrixstraat te situeren, omdat de Rijksweg, in tegenstelling tot de Prinses Beatrixstraat, een drukke doorgaande route voor zowel auto’s als fietsers is. Door het verplaatsen van de in- en uitritten naar de Prinses Beatrixstraat zijn er minder veiligheidsrisico’s. Daarnaast is de inrit ver genoeg van de Rijksweg gelegen, zodat voldoende wordt voorzien in de verkeersveiligheid en de doorstroom van verkeer. Er vervallen daarom geen parkeerplaatsen zonder noodzaak, aldus het college.

8.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat er zich op grond van artikel 2:12, tweede lid, van de APV geen weigeringsgronden voordoen. Daarbij is van belang dat er voor gekozen is om de in- en uitritten te situeren aan de Prinses Beatrixstraat in plaats van de Rijksweg, omdat er daardoor minder veiligheidsrisico’s zullen zijn. Het college heeft voldoende gemotiveerd dat het vervallen van enkele openbare parkeerplaatsen noodzakelijk is. [partij A] en anderen hebben de stelling dat het groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast, niet verder onderbouwd. Gelet op hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college heeft miskend dat de omgevingsvergunning op grond van artikel 2:12, tweede lid, van de APV geweigerd had moeten worden. Het betoog faalt.

Algemene beginselen van behoorlijk bestuur

9.       Voor zover [partij A] en anderen in algemene zin betogen dat het besluit op bezwaar van 26 juni 2018 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd, overweegt de Afdeling dat zij dit betoog niet verder hebben onderbouwd. De Afdeling ziet alleen al daarom geen aanleiding voor het vernietigen van het besluit op bezwaar van 26 juni 2018. Het betoog faalt.

Samenhang met het verkeersbesluit van 15 november 2017

10.     [partij A] en anderen betogen dat het college de omgevingsvergunning en het verkeersbesluit van 15 november 2017 in onderlinge samenhang had moeten beoordelen. Zij voeren aan dat het perceel niet bereikbaar is zonder het verkeerbesluit. Indien het verkeersbesluit niet in stand blijft, kan het besluit waarbij omgevingsvergunning is verleend ook niet in stand blijven. Dit geldt ook andersom, omdat het verkeersbesluit niet nodig is als het bouwplan niet gerealiseerd kan worden. Daarom hadden aan beide besluiten voorschriften moeten worden verbonden die zorgen voor samenhang en rechtszekerheid, aldus [partij A] en anderen.

10.1.  Het college heeft zich bij het besluit op bezwaar van 26 juni 2018 op het standpunt gesteld dat het verkeersbesluit en het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning niet onlosmakelijk met elkaar zijn verbonden. Volgens het college is het bouwplan ook zonder het verkeersbesluit bereikbaar voor personen- en vrachtverkeer via de Koningin Julianastraat en het eerste gedeelte van de Prinses Beatrixstraat, waar al sprake is van tweerichtingsverkeer. Het verkeersbesluit zorgt wel voor een betere verspreiding van het verkeer en een betere routing, maar het is niet zo dat de omgevingsvergunning geen stand kan houden zonder het verkeersbesluit van 15 november 2017, aldus het college.

10.2.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het perceel ook zonder het verkeersbesluit van 15 november 2017 bereikt kan worden en terecht heeft gesteld dat er geen sprake is van een formeel-juridische koppeling tussen beide besluiten. Dit betekent dat een eventuele vernietiging van het verkeersbesluit niet tot gevolg heeft dat de omgevingsvergunning voor het bouwplan niet verleend had mogen worden. Er is derhalve geen grond voor het oordeel dat het college gehouden was om het verkeersbesluit en het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning in onderlinge samenhang te beoordelen. Het betoog faalt.

Relativiteitsvereiste

11.     De Afdeling overweegt dat, nu bij de beoordeling van het beroep van [partij A] en anderen is geoordeeld dat de beroepsgronden falen, zij zich niet uitspreekt over de vraag of het relativiteitsvereiste aan vernietiging van het besluit van 26 juni 2018 in de weg zou hebben gestaan.

Conclusie beroep

12.     Het beroep van [partij A] en anderen is ongegrond.

Conclusie besluit 20 augustus 2019

13.     Bij besluit van 20 augustus 2019 heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, een nieuw besluit op bezwaar genomen. Nu dit besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, is door de vernietiging van die uitspraak de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen, zodat het alleen al daarom dient te worden vernietigd. Het voorgaande betekent dat het besluit van 26 juni 2018 herleeft en de daarbij gehandhaafde omgevingsvergunning geldend is.

14.     Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de hoger beroepen van het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar en JAVO Invest B.V. gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Limburg van 11 juni 2019 in zaak nr. 18/1853, voor zover daarbij het beroep van [partij A], Food Retail Mook B.V. en Retail Mook Holding B.V gegrond is verklaard, het besluit van 26 juni 2018 is vernietigd en het college is opgedragen om een nieuw besluit op bezwaar te nemen;

III.      verklaart het door [partij A], Food Retail Mook B.V. en Retail Mook Holding B.V bij de rechtbank ingestelde beroep tegen het besluit van 26 juni 2018 ongegrond;

IV.      bevestigt de uitspraak voor het overige;

V.       vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Mook en Middelaar van 20 augustus 2019, kenmerk CM19.1803.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2021

429-884.