Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1219

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
202004956/1/V6 en 202004944/1/V1
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2020:7790, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluiten van 3 december 2019 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken krachtens artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap en hem ongewenst verklaard krachtens artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000. [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] en heeft vanaf zijn geboorte de Marokkaanse, Egyptische en Nederlandse nationaliteit. Op 1 maart 2017 is [appellant] wegens vertrek uit Nederland uitgeschreven uit de basisregistratie personen. De staatssecretaris heeft zijn Nederlanderschap krachtens artikel 14, vierde lid, van de RWN ingetrokken, omdat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die deelneemt aan een internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de Nederlandse nationale veiligheid. De staatssecretaris heeft in dit verband verwezen naar het individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van 18 oktober 2019.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004956/1/V6 en 202004944/1/V1.

Datum uitspraak: 9 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], met onbekende verblijfplaats,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 augustus 2020 in zaken nrs. 19/8055 en 19/10210 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluiten van 3 december 2019 heeft de staatssecretaris het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken krachtens artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) en hem ongewenst verklaard krachtens artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c en e, van de Vw 2000.

Bij brief van 27 december 2019 heeft de staatssecretaris de rechtbank in kennis gesteld van de besluiten van 3 december 2019. Ingevolge artikel 22a, derde lid, van de RWN wordt [appellant] hiermee geacht beroep te hebben ingesteld tegen deze besluiten.

Bij uitspraak van 11 augustus 2020 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak is namens [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Namens [appellant] is een nader stuk ingediend.

Krachtens artikel 22c, eerste lid, van de RWN heeft de voorzitter van de Afdeling de Raad voor Rechtsbijstand een last tot toevoeging gegeven voor mr. C.F. Wassenaar (hierna: Wassenaar), advocaat te Rotterdam.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 april 2021, waar [appellant], vertegenwoordigd door Wassenaar, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.       [appellant] is geboren op [geboortedatum] 1994 in [geboorteplaats] en heeft vanaf zijn geboorte de Marokkaanse, Egyptische en Nederlandse nationaliteit. Op 1 maart 2017 is [appellant] wegens vertrek uit Nederland uitgeschreven uit de basisregistratie personen. De staatssecretaris heeft zijn Nederlanderschap krachtens artikel 14, vierde lid, van de RWN ingetrokken, omdat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die deelneemt aan een internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormt voor de Nederlandse nationale veiligheid. De staatssecretaris heeft in dit verband verwezen naar het individueel ambtsbericht van de Algemene Inlichtingen- en Veiligheidsdienst van 18 oktober 2019 (hierna: het individueel ambtsbericht). Daarin staat dat [appellant] op 8 september 2016 is vertrokken naar Turkije en in de periode daarna is doorgereisd naar Syrië. Nadat hij in Syrië was aangekomen heeft hij zich aangesloten bij ISIS. [appellant] bleef ook na 11 maart 2017 in Syrië aangesloten bij ISIS, waarvoor hij als strijder heeft gediend en taken heeft uitgevoerd zoals gewapende beveiligingstaken. Hij zou van plan zijn geweest om terug te reizen naar Europa om hier een aanslag te plegen. Momenteel zit [appellant] gevangen bij Koerdische strijdgroeperingen in Syrië.

3.       Deze uitspraak gaat over zowel de intrekking van het Nederlanderschap als de ongewenstverklaring. De Afdeling zal in deze uitspraak eerst ingaan op de ontvankelijkheid van het hoger beroep. Dit is van belang voor de hogerberoepsgronden tegen beide besluiten. Daarna zal de Afdeling de gronden gericht tegen de intrekking van het Nederlanderschap behandelen, onder 5 tot en met 12. Tot slot zal de Afdeling ingaan op de hogerberoepsgrond gericht tegen de ongewenstverklaring, onder 13.

Ontvankelijkheid hoger beroep

4.       Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 30 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:926) is een raadsman als bedoeld in artikel 22b, derde lid, van de RWN bevoegd om te handelen in het kader van de belangenbehartiging van betrokkene. Dat betekent dat die raadsman ook bevoegd is om, in het belang van betrokkene, hoger beroep in te stellen. Dit geldt ook voor een raadsman die krachtens artikel 22b, vijfde lid, van de RWN aan een betrokkene is toegewezen. De wetgever heeft met deze regeling immers willen aansluiten bij de bestaande systematiek van rechtsbescherming onder de RWN.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

Geheim gehouden stukken

5.       De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft bepaald dat beperking van de kennisname van de stukken die aan het individueel ambtsbericht ten grondslag liggen, gerechtvaardigd is. De rechtbank heeft Wassenaar vervolgens gevraagd om toestemming te geven om mede op grondslag van de onderliggende stukken van de ambtsberichten uitspraak te doen.

6.       Uit eerder genoemde uitspraak van 30 april 2021 volgt dat het betoog van Wassenaar dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij niet bevoegd was om toestemming te geven als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb, faalt. De rechtbank heeft terecht overwogen dat Wassenaar, met zijn standpunt dat hij de toestemming kan weigeren noch geven, niet expliciet de toestemming heeft verleend om mede op grondslag van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht uitspraak te doen. De rechtbank heeft daarom terecht geen kennis genomen van de informatie die ten grondslag ligt aan het individueel ambtsbericht. In hoger beroep heeft Wassenaar volhard in zijn standpunt dat hij de toestemming kan weigeren noch geven. Ook heeft Wassenaar desgevraagd ter zitting toegelicht dat hij niet heeft gepoogd om contact op te nemen met [appellant]. De Afdeling heeft Wassenaar ter zitting gevraagd of hij voorwaardelijk toestemming zou willen verlenen om mede op grondslag van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht uitspraak te doen, voor het geval dat de Afdeling van oordeel zou zijn dat Wassenaar gerechtigd is de in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb bedoelde toestemming te verlenen. Wassenaar heeft ter zitting te kennen gegeven deze toestemming ook niet onder die voorwaarde te verlenen. Dat betekent dat hij niet expliciet de krachtens de wet vereiste toestemming heeft verleend aan de Afdeling om mede op grondslag van de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht uitspraak te doen. Daardoor moet het ervoor worden gehouden dat de toestemming niet is verleend. De Afdeling heeft daarom geen kennis kunnen nemen van de informatie die ten grondslag ligt aan het individueel ambtsbericht.

Gevaar nationale veiligheid

7.       Uit de uitspraak van 30 april 2021, rechtsoverweging 9.2, volgt dat het namens [appellant] gevoerde betoog dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij geen actueel gevaar vormt voor de nationale veiligheid, omdat hij inmiddels is gedetineerd door Koerdische strijdgroeperingen in Syrië, faalt. Ook volgt uit rechtsoverweging 9.1 van die uitspraak dat het namens [appellant] gevoerde betoog dat er zonder strafrechtelijke veroordeling met betrekking tot de relevante periode geen sprake is van een schending van essentiële belangen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het Europees Verdrag inzake nationaliteit, faalt.

Verbod van willekeur

8.       Uit de uitspraak van 30 april 2021, rechtsoverweging 10, volgt dat het namens [appellant] gevoerde betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat geen sprake is van willekeur, faalt. Gelet op de inhoud van het individueel ambtsbericht geeft de intrekking van het Nederlanderschap geen blijk van willekeur.

Proportionaliteit

9.       Namens [appellant] wordt betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring rechtmatig zijn, ondanks dat het Openbaar Ministerie (hierna: het OM) bij brief van 12 november 2019 heeft meegedeeld dat de intrekking van het Nederlanderschap een onaanvaardbare doorkruising oplevert van de belangen van opsporing, vervolging en berechting. Aangevoerd wordt dat het middel van intrekking krachtens artikel 14, vierde lid, van de RWN in dit geval niet geschikt was en dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris gebruik had moeten maken van een lichter middel van de intrekking van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, tweede lid, van de RWN.

9.1.    Zoals de Afdeling in de uitspraak van 30 april 2021 heeft overwogen, is het aan de staatssecretaris om te kiezen voor de grondslag voor intrekking van het Nederlanderschap, wanneer aan de vereisten van beide bepalingen is voldaan. De staatssecretaris heeft in redelijkheid artikel 14, vierde lid, van de RWN aan de intrekking van het Nederlanderschap ten grondslag kunnen leggen. In de brief van het OM staat dat indien de ongewenstverklaring tot gevolg heeft dat [appellant] niet naar Nederland mag komen om bij zijn strafzaak aanwezig te zijn, het belang van vervolging op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist. Deze situatie doet zich volgens het OM echter niet voor indien [appellant] na intrekking van het Nederlanderschap en de ongewenstverklaring naar Nederland kan komen om zijn strafzaak bij te wonen en een eventuele opgelegde straf te ondergaan. Ook staat in de brief dat de intrekking van het Nederlanderschap consequenties heeft voor de rechtsmacht van het OM voor eventuele nieuwe strafrechtelijke gedragingen. De staatssecretaris heeft zich in het besluit dat ziet op de intrekking van het Nederlanderschap terecht op het standpunt gesteld dat met een tijdelijke opheffing van de ongewenstverklaring kan worden bereikt dat [appellant] zijn strafzaak in Nederland kan bijwonen. Daargelaten of het belang van opsporing, vervolging en berechting, als bedoeld in artikel 68c, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap (hierna: het BVVN) strekt tot bescherming van de belangen van [appellant] - het relativiteitsvereiste als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb - heeft de staatssecretaris daarmee in voldoende mate de bezwaren van het OM in de beoordeling betrokken.

9.2.    In paragraaf 2.1, ad 2, van de toelichting op artikel 14, vierde lid, van de RWN, vervat in de Handleiding RWN, staat dat de intrekking van het Nederlanderschap het belang van strafrechtelijke vervolging op onaanvaardbare wijze schaadt, wanneer bijvoorbeeld bij het OM al een omvangrijk dossier is voorbereid en er sprake is van een reële verwachting dat betrokkene op korte termijn effectief kan worden vervolgd. Van een dergelijke reële verwachting is echter in dit geval geen sprake. De staatssecretaris heeft zich in het besluit voorts terecht op het standpunt gesteld dat het meer algemene belang van het OM om eventuele toekomstige strafbare gedragingen te kunnen opsporen en vervolgen, geen belang is als bedoeld in artikel 68c, eerste lid, aanhef en onder b, van het BVVN. De staatssecretaris hoeft dit aspect dus ook niet bij zijn besluitvorming te betrekken.

Het betoog faalt.

Discriminatie

10.     Gelet op de uitspraak van 30 april 2021 faalt het namens [appellant] gevoerde betoog dat de intrekking van zijn Nederlanderschap discriminatoir is wegens het door de staatssecretaris bij het toepassen van deze maatregel gemaakte onderscheid tussen monopatriden en bipatriden dan wel tussen Nederlanders met een Westerse en niet-Westerse achtergrond. De toepasselijkheid van de “compelling or very weighty reasons”-test maakt dit niet anders, aangezien het voorkomen van staatloosheid het maken van onderscheid tussen mono- en bipatriden al rechtvaardigt.

Evenredigheidsbeoordeling

11.     Namens [appellant] wordt betoogd dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de door de staatssecretaris verrichte Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling gebrekkig is. Aangevoerd wordt dat volgens een opinie van A. Walmsley een veroordeling voor een terroristisch misdrijf nodig is om het Nederlanderschap krachtens artikel 14, vierde lid, van de RWN in te trekken. Verder wordt namens [appellant] aangevoerd dat een gedetailleerde, op de persoon van de betrokkene toegespitste beoordeling vereist is en de afweging waartoe artikel 68c, eerste lid, aanhef en onder c, van het BVVN noopt niet voldoet.

11.1.  Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 30 december 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:3045) heeft het Hof van Justitie in het arrest Rottmann van 2 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:104, punten 54-56, overwogen dat in het geval dat de intrekking van de nationaliteit tot gevolg heeft dat de betrokkene naast de nationaliteit van de betrokken lidstaat ook het burgerschap van de Unie verliest, nagegaan moet worden of het intrekkingsbesluit in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat de gevolgen ervan voor de situatie van de betrokkene uit het oogpunt van het Unierecht betreft, in voorkomend geval naast de toetsing van de evenredigheid van dit besluit aan het nationale recht. Bijgevolg moet, indien het aangevoerde daartoe aanleiding geeft, bij de toetsing van een besluit tot intrekking van een nationaliteit rekening worden gehouden met de eventuele gevolgen ervan voor de situatie van de betrokkene en in voorkomend geval voor zijn gezinsleden wat betreft het verlies van de rechten die elke burger van de Unie geniet. In dit verband moet met name worden nagegaan of dit verlies gerechtvaardigd is in het licht van de ernst van de door de betrokkene gepleegde inbreuk, het tijdsverloop tussen de naturalisatie en het intrekkingsbesluit en de mogelijkheid voor de betrokkene om zijn vroegere nationaliteit terug te krijgen.

11.2.  In deze zaak speelt de mogelijkheid om de vroegere nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie terug te krijgen geen rol. [appellant] heeft immers naast de Nederlandse nationaliteit uitsluitend de Marokkaanse en Egyptische nationaliteit bezeten en hij bezit de Marokkaanse en Egyptische nationaliteit nog steeds.

Zoals de Afdeling heeft overwogen in genoemde uitspraak van 30 april 2021, is een strafrechtelijke veroordeling niet vereist voor de intrekking van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, vierde lid, van de RWN. De staatssecretaris heeft zich in het kader van het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel terecht op het standpunt gesteld dat uit de handelingen van [appellant] niet is gebleken dat hij daadwerkelijk actief gebruik heeft gemaakt van zijn Unieburgerschap en dat uit zijn handelingen na vertrek uit Nederland niet kan worden afgeleid dat hij hier sterk aan hecht, waardoor aan het verlies van zijn Unieburgerrechten een beperkt gewicht toekomt. De staatssecretaris heeft eveneens terecht in aanmerking genomen dat [appellant] zich bij een terroristische organisatie heeft aangesloten die niet alleen qua ideologie maar ook door feitelijke handelingen als het plegen van aanslagen sterk gekant is tegen de Europese waarden en zijn instituties. Daaruit blijkt reeds dat [appellant] geen prijs stelt op behoud van het staatsburgerschap van Nederland en het Unieburgerschap. Gelet hierop heeft de staatssecretaris een deugdelijke Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling gemaakt.

Het betoog faalt.

Prejudiciële vragen

12.     Gelet op de uitspraak van 30 december 2020 faalt het namens [appellant] gevoerde betoog dat aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen aan het Hof over de intrekking van de nationaliteit van een lidstaat na een afwezigheid van minder dan 10 jaar. Gelet op de uitspraak van 30 april 2021 faalt het namens [appellant] gevoerde betoog dat aanleiding bestaat prejudiciële vragen te stellen over de bevoegdheid van een lidstaat om de nationaliteit in te trekken zonder strafrechtelijke veroordeling en welke omstandigheden daarbij moeten worden betrokken.

Ongewenstverklaring

13.     Namens [appellant] wordt tot slot betoogd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de ongewenstverklaring niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. Aangevoerd wordt dat [appellant] geen actueel gevaar vormt voor de openbare orde, omdat hij zich ver weg in het buitenland bevindt en bovendien waarschijnlijk daar in een detentiekamp verblijft. Daarbij heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met het langdurig rechtmatig verblijf dat [appellant] in Nederland had.

13.1.  Gelet op wat de Afdeling hiervoor heeft overwogen staat vast dat [appellant] een gevaar vormt voor de nationale veiligheid, waardoor is voldaan aan het criterium voor toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat ook aan het criterium voor toepassing van artikel 67, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 is voldaan, omdat vast is komen te staan dat [appellant] is aangesloten bij ISIS en deze organisatie op de sanctielijst van de Verenigde Naties en de Europese Unie is geplaatst. De staatssecretaris heeft terecht bij zijn besluit verwezen naar de door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties op 29 oktober 2001 aangenomen resolutie 1373 (2001) waarin Staten wordt opgeroepen maatregelen te treffen tegen internationaal terrorisme en naar de bijzondere verplichting van Nederland met de invoering van het Akkoord van Schengen jegens de overige lidstaten om in het kader van buitengrensbewaking het gemeenschappelijk grondgebied te vrijwaren van personen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid.

Dat [appellant] zich in het buitenland bevindt en gevangen zit, maakt niet dat de staatssecretaris had moeten afzien van de ongewenstverklaring. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 14, eerste lid, van de RWN (Kamerstukken II, 2015/16, 34 356 (R2064), nr. 3, p. 3) volgt dat de terugkeer van personen die zich bij een terroristische organisatie hebben aangesloten moet worden voorkomen en dat dit kan worden bereikt door hun Nederlanderschap in te trekken en hen tegelijkertijd ongewenst te verklaren. Verder staat op pagina 4 dat hoewel feitelijke terugkeer niet in alle gevallen kan worden voorkomen, al het mogelijke moet worden gedaan om terugkeer naar Nederland te voorkomen wanneer betrokkene een bedreiging vormt voor de nationale veiligheid.

13.2.  De rechtbank heeft eveneens terecht overwogen dat de ongewenstverklaring niet in strijd is met artikel 8 van het EVRM. De staatssecretaris heeft terecht bij zijn besluit betrokken dat [appellant] op 8 september 2016 uit Nederland is vertrokken en er zelf voor heeft gekozen om zich te vestigen in een door ISIS beheerst gebied. Hij heeft daarmee zelf de afweging gemaakt om niet langer feitelijk in de nabijheid van zijn familieleden in Nederland te verblijven. Van belang is dat [appellant] op dat moment juridisch gezien niet gedwongen was Nederland te verlaten. De staatssecretaris heeft zich daarom niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat het belang van de staat bij de bescherming van de nationale veiligheid en de goede internationale betrekkingen in dit geval prevaleert boven het belang van [appellant] bij een ongestoord privé- of familie- en gezinsleven.

Het betoog faalt.

Conclusie

14.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. G. Kamminga, griffier.

w.g. Van Eck

voorzitter

w.g. Kamminga

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2021

670-876.

 

BIJLAGE

 

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 14

Het genot van de rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, moet worden verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere mening, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.

Europees Verdrag inzake nationaliteit

Artikel 4

De regels inzake nationaliteit van elke Staat die Partij is, moeten zijn gebaseerd op de volgende beginselen:

[…]

c. aan niemand mag willekeurig zijn of haar nationaliteit worden ontnomen;

[…].

Artikel 7

1. Een Staat die Partij is, mag in zijn nationale wetgeving niet voorzien in het verlies van zijn nationaliteit van rechtswege of op initiatief van de Staat die Partij is, behoudens in de volgende gevallen:

[…]

d. gedrag dat de essentiële belangen van de Staat die Partij is, ernstig schaadt;

[…]

3. Een Staat die Partij is, mag in zijn nationale wetgeving niet voorzien in het verlies van zijn nationaliteit ingevolge het eerste en tweede lid van dit artikel indien de betrokken persoon daardoor staatloos zou worden, behoudens in de gevallen genoemd in het eerste lid, letter b, van dit artikel.

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 67

1. Tenzij afdeling 3 van toepassing is, kan Onze Minister de vreemdeling ongewenst verklaren:

[…]

c. indien hij een gevaar vormt voor de openbare orde of nationale veiligheid en geen rechtmatig verblijf heeft als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e dan wel l;

[…]

e. in het belang van de internationale betrekkingen van Nederland.

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 14

[…]

4. Onze Minister kan in het belang van de nationale veiligheid het Nederlanderschap intrekken van een persoon die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en die zich buiten het Koninkrijk bevindt, indien uit zijn gedragingen blijkt dat hij zich heeft aangesloten bij een organisatie die door Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de Rijksministerraad, is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid.

Artikel 22a

[…]

3. Uiterlijk op de achtentwintigste dag na de bekendmaking van een besluit tot intrekking van het Nederlanderschap als bedoeld in artikel 14, vierde lid, stelt Onze Minister de rechtbank of het Gerecht van eerste aanleg van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba hiervan in kennis, tenzij degene die het betreft voordien zelf beroep heeft ingesteld. Zodra de rechtbank onderscheidenlijk het Gerecht van eerste aanleg de kennisgeving heeft ontvangen, wordt degene die het betreft geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap.

4. Tegen de uitspraak van de rechtbank, bedoeld in het eerste lid, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen de uitspraak van het Gerecht van eerste aanleg, bedoeld in het eerste lid, kan hoger beroep worden ingesteld bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba.

[…].

Artikel 22b

[…]

3. Kan de belanghebbende zijn wil te dien aanzien niet doen blijken en heeft hij geen wettelijke vertegenwoordiger of bijzondere gemachtigde, dan is zijn echtgenoot of de meest gerede van zijn in het Koninkrijk verblijvende bloed- of aanverwanten, tot de vierde graad ingesloten, tot die keuze bevoegd.

[…]

5. Voor zover deze Rijkswet niet op andere wijze in de toevoeging voorziet, voegt een bij algemene maatregel van rijksbestuur te bepalen bevoegd orgaan aan de vreemdeling een raadsman toe.

Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap

Artikel 68c

1. Bij zijn besluit tot intrekking van het Nederlanderschap op grond van artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet houdt Onze Minister onder meer rekening met:

a. de proportionaliteit van de maatregel, mede gelet op de rol die betrokkene vervult bij de in artikel 14, vierde lid, van de Rijkswet bedoelde organisatie en de daarmee samenhangende mate van dreiging voor de nationale veiligheid die van betrokkene uitgaat;

b. het eventuele belang van opsporing, vervolging en berechting van betrokkene en de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf;

c. de gevolgen van het verlies van Unieburgerschap, indien dit ten gevolge van de intrekking van het Nederlanderschap optreedt; en

d. de eventuele minderjarigheid van betrokkene en zeer bijzondere persoonlijke omstandigheden van betrokkene, voor zover deze relevant zijn voor het besluit tot intrekking van het Nederlanderschap.

2. Intrekking van het Nederlanderschap vindt niet plaats indien de met de intrekking verband houdende ongewenstverklaring in strijd zou zijn met artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.