Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1203

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
202002447/1/R3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOVE:2020:935, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 oktober 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Enschede de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van 9 studio’s aan de [locatie] te Enschede buiten behandeling gesteld. Het college heeft de aanvraag van [appellant] voor een omgevingsvergunning voor de bouw van 9 studio’s buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag niet voldeed aan de indieningsvereisten zoals vastgelegd in de Regeling omgevingsrecht. De aanvraag was onvolledig en de plattegrondtekening van onvoldoende kwaliteit. [appellant] is in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. [appellant] heeft aanvullende gegevens verstrekt en aangegeven dat de aanvraag compleet was. Het college heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van meerdere opgevraagde stukken en omdat de kwaliteit van de uitwerking van het bouwplan onvoldoende was om het bouwplan inhoudelijk te kunnen beoordelen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002447/1/R3.

Datum uitspraak: 9 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Enschede,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 maart 2020 in zaak

nr. AWB 19/1358 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Enschede.

Procesverloop

Bij besluit van 2 oktober 2018 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een omgevingsvergunning te verlenen voor de bouw van 9 studio’s aan de [locatie] te Enschede buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 21 juni 2019 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 3 maart 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 mei 2021, waar [appellant] en het college, vertegenwoordigd door D. Cramers en A. Horsthuis, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het college heeft de aanvraag van [appellant] voor een omgevingsvergunning voor de bouw van 9 studio’s buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag niet voldeed aan de indieningsvereisten zoals vastgelegd in de Regeling omgevingsrecht. De aanvraag was onvolledig en de plattegrondtekening van onvoldoende kwaliteit. [appellant] is in de gelegenheid gesteld om de aanvraag aan te vullen. [appellant] heeft aanvullende gegevens verstrekt en aangegeven dat de aanvraag compleet was. Het college heeft de aanvraag buiten behandeling gesteld vanwege het ontbreken van meerdere opgevraagde stukken en omdat de kwaliteit van de uitwerking van het bouwplan onvoldoende was om het bouwplan inhoudelijk te kunnen beoordelen. Het college heeft de bezwaren van [appellant] tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag ongegrond verklaard.

2.       De rechtbank heeft het beroep van [appellant] ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat onvoldoende gegevens zijn overgelegd voor een inhoudelijke beoordeling van de aanvraag van [appellant]. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat het beroep van [appellant] op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt, omdat niet is gebleken van gelijke gevallen en dat het ter zitting gedane verzoek van [appellant] om deze beroepsgrond te onderbouwen in strijd is met de goede procesorde.

Beoordeling van het hoger beroep

3.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college zich op het standpunt heeft mogen stellen dat voor de beoordeling van de aanvraag onvoldoende gegevens zijn overgelegd en dat de bouwtekeningen van onvoldoende kwaliteit zijn. Het college beschikte volgens [appellant] na verstrekking van de aanvullende gegevens op 25 september 2018, over voldoende gegevens en stukken om een inhoudelijk besluit op de aanvraag te nemen. [appellant] heeft per e-mail nog gevraagd of de stukken compleet waren. Het college heeft vergelijkbare aanvragen voor een omgevingsvergunning voor drie andere panden in Enschede op basis van dezelfde gegevens en stukken wel in behandeling genomen. Bij deze aanvragen zaten tekeningen van vergelijkbare kwaliteit. De aanvragen voor de Kuipersdijk 90 en de Wooldriksweg 100 zijn volgens [appellant] vergelijkbaar met de aanvraag voor de [locatie]. Ook hier gaat het namelijk om panden met een winkel op de begane grond en woningen op de verdieping.

Daarnaast wijst [appellant] erop dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat er geen trappenhuis op de tekening staat. Ook heeft de rechtbank er volgens [appellant] ten onrechte op gewezen dat er geen tekeningen zijn ingediend voor de verdieping. Op de verdieping bevinden zich 2 appartementen; hieraan wordt niets verbouwd en hier zijn dus geen tekeningen voor nodig, aldus [appellant].

3.1.    De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat [appellant] onvoldoende gegevens heeft overgelegd om tot een inhoudelijke beoordeling te komen. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, onder andere in de uitspraak van 13 november 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1886, waar de rechtbank naar heeft verwezen, heeft het bevoegd gezag beoordelingsruimte bij de beoordeling of voldoende gegevens zijn overgelegd voor de inhoudelijke behandeling van een aanvraag. Het college heeft aangegeven dat er ook na de aanvullende gegevens van 25 september 2018 nog gegevens ten aanzien van de brandveiligheid en constructieve veiligheid ontbraken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vereisten voor deze gegevens, waarom het college had verzocht, zijn opgenomen in artikel 2.9 van de Regeling omgevingsrecht. [appellant] heeft niet onderbouwd waarom de aanvraag volgens hem wel compleet was. Dat [appellant] per e-mail heeft gevraagd of de gegevens compleet waren, laat het voorgaande onverlet.

De rechtbank heeft naar het oordeel van de Afdeling terecht overwogen dat niet is gebleken van gelijke gevallen in de zin van gelijkluidende bouwaanvragen, die wel in behandeling zijn genomen.

[appellant] heeft zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel bij de rechtbank niet met stukken onderbouwd. Voor zover [appellant] dit betoog in hoger beroep alsnog met stukken heeft willen onderbouwen, merkt de Afdeling op dat het hoger beroep zich richt tegen de uitspraak van de rechtbank. In dit stadium kan [appellant] deze beroepsgrond niet meer onderbouwen met nieuwe stukken. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank anders had moeten oordelen over het beroep op het gelijkheidsbeginsel.

3.2.    Voor zover [appellant] erop heeft gewezen dat het trappenhuis wel op de tekening staat, overweegt de Afdeling dat dit slechts één van de punten is die volgens het college ontbrak. Dat de tekst ‘trappenhuis bovenwoningen’ wel op de tekening staat, leidt alleen daarom al niet tot een ander oordeel. Het college heeft overigens aangegeven dat de tekst op de tekening onvoldoende is. De tekst maakt niet inzichtelijk welke aanpassingen worden gedaan aan het trappenhuis en welke gevolgen het verkleinen van de entree voor de bovenverdiepingen heeft.

Dat geen aanpassingen worden gedaan op de verdieping, betekent niet dat hier geen tekeningen van benodigd zijn. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het bouwplan gevolgen kan hebben voor het gehele bouwwerk en dat het college in staat moet worden gesteld om te beoordelen in hoeverre de bestaande situatie ongewijzigd blijft. Dit is onder andere van belang om te kunnen bepalen of de entree van de bovenverdiepingen blijft voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit 2012.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. F.D. van Heijningen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.I.Y. Lap, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2021

288-944.