Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1202

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
202006668/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 oktober 2020 heeft de raad van de gemeente Westland het bestemmingsplan "Sportlaan nabij 19 te De Lier" vastgesteld. Het plangebied ligt in de kern van De Lier en wordt omsloten door de Sportlaan en de Chrysant te De Lier. In het plangebied bevond zich in het verleden een tuinbouwschool die is gesloopt. Het plangebied bestaat op dit moment uit een braakliggend terrein. Het plan maakt ter plaatse de realisatie van een appartementengebouw en grondgebonden woningen mogelijk. [appellant] woont aan de [locatie 1] te De Lier nabij het plangebied. Hij is van mening dat het plan niet past bij het huidige straat- en bebouwingsbeeld. Ook vreest hij dat het plan leidt tot parkeer- en ontsluitingsproblemen. Verder wijst hij op de toename aan stikstofdepositie als gevolg van het plan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202006668/1/R3.

Datum uitspraak: 9 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te De Lier, gemeente Westland,

en

de raad van de gemeente Westland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2020 heeft de raad het bestemmingsplan "Sportlaan nabij 19 te De Lier" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld. [appellant] heeft nadien binnen de beroepstermijn twee brieven verzonden ter aanvulling en verduidelijking van zijn beroep.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 mei 2021, waar [appellant] en de raad, vertegenwoordigd door mr. W.C.M. Niekus-de Vries, zijn verschenen. Ook is ter zitting Stichting Arcade mensen en wonen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], als partij gehoord.

Overwegingen

Toetsingskader

1.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Inleiding

2.       Het plangebied ligt in de kern van De Lier en wordt omsloten door de Sportlaan en de Chrysant te De Lier. In het plangebied bevond zich in het verleden een tuinbouwschool die is gesloopt. Het plangebied bestaat op dit moment uit een braakliggend terrein. Het plan maakt ter plaatse de realisatie van een appartementengebouw en grondgebonden woningen mogelijk.

3.       [appellant] woont aan de [locatie 1] te De Lier nabij het plangebied. Hij is van mening dat het plan niet past bij het huidige straat- en bebouwingsbeeld. Ook vreest hij dat het plan leidt tot parkeer- en ontsluitingsproblemen. Verder wijst hij op de toename aan stikstofdepositie als gevolg van het plan.

De hoogte en omvang van de nieuwe woningen

4.       [appellant] wijst erop dat hij op dit moment vanuit zijn woning richting het plangebied uitkijkt op een groene haag. Als gevolg van het nieuwe plan zullen volgens hem op ongeveer 16 m uit de erfgrens nieuwe woningen worden gerealiseerd met een nokhoogte van 11 m en een goothoogte van 7 m. Naast dat dit leidt tot een aantasting van zijn uitzicht, is [appellant] ook van mening dat het plan niet past bij het huidige straat- en bebouwingsbeeld. De huidige woningen aan de Chrysant hebben volgens hem een goothoogte van 3 meter, waar het nieuwe plan bij had moeten aansluiten.

Ook betoogt [appellant] dat het nieuwe appartementengebouw dat in het plan wordt mogelijk gemaakt te massaal en te hoog is voor de omgeving waar hij woont.

4.1.    Op de verbeelding is voor de grondgebonden woningen die tegenover de woning van [appellant] worden gerealiseerd een maximum bouwhoogte opgenomen van 11 m en een maximum goothoogte van 7 m. Voor het appartementengebouw varieert de maximum bouwhoogte tussen de 17 m en 20 m. In de planregels is geborgd dat deze maximum bouw- en goothoogte niet mogen worden overschreden. De Afdeling verwijst naar artikel 5.2.1, onder b en c, van de planregels.

4.2.    Op de zitting is aan de hand van afbeeldingen van de omgeving van het plangebied gebleken dat de omliggende woningen, waaronder aan de [locatie 2] en hoger, grotendeels bestaan uit twee bouwlagen met een kap. Hoewel het dakvlak bij de woningen aan de [locatie 3] tot en met [locatie 4] is doorgetrokken tot de eerste bouwlaag, bestaan ook deze woningen in feite uit twee bouwlagen met een kap. De Afdeling ziet gelet hierop geen aanleiding [appellant] te volgen in zijn opvatting dat de nieuwe grondgebonden woningen in het plangebied met een goothoogte van 7 m en een nokhoogte van 11 m wezenlijk afwijken van de bestaande woningen in de omgeving van het plangebied. Het standpunt van de raad dat deze woningen passen in de omgeving acht de Afdeling dan ook niet onredelijk.

Verder heeft de raad op de zitting onderkend dat als gevolg van de nieuwe grondgebonden woningen in het plangebied het karakter van de straat waarin [appellant] woont als ook zijn uitzicht zullen veranderen. Dit heeft voor de raad echter geen aanleiding gevormd het plan niet vast te stellen. De Afdeling acht deze keuze van de raad niet onredelijk. In de toekomstige situatie zal [appellant] uitkijken op de achtertuinen van de nieuwe grondgebonden woningen. De achtergevels van deze nieuwe woningen bevinden zich op ongeveer 20 m van de voorgevel van de woning van [appellant]. Een dergelijke situatie is niet ongebruikelijk op een locatie in binnenstedelijk gebied, zoals in dit geval in het woongebied van De Lier.

4.3.    Het appartementengebouw is achter de nieuwe grondgebonden woningen mogelijk gemaakt en heeft een maximum bouwhoogte variërend tussen de 17 m en 20 m. Volgens de raad is een dergelijk appartementengebouw passend in de omgeving, omdat het gebouw is gelegen aan de Sportlaan. Dit is een belangrijke ontsluitingsweg binnen de kern De Lier, waarlangs volgens de raad ruimte is voor hogere bebouwing die deze ontsluitingsweg kan begeleiden. Bij de keuze voor een appartementengebouw heeft de raad gelet op de plantoelichting ook van belang geacht dat in de gemeente behoefte bestaat aan nieuwe woningen in het lagere segment. Met het appartementengebouw beoogt de raad in deze behoefte te voorzien, omdat het appartementengebouw ruimte biedt voor de realisatie van 42 sociale huurwoningen. De Afdeling acht deze keuze van de raad niet onredelijk. In de belangen van [appellant] ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. Zijn woning bevindt zich op ongeveer 50 m van het dichtstbijzijnde deel van het appartementengebouw. Gelet op deze afstand acht de Afdeling het niet aannemelijk dat het appartementengebouw zijn woon- en leefklimaat onevenredig zal aantasten. Daarbij verwijst de Afdeling ook naar de als bijlage 1 bij de plantoelichting gevoegde bezonningsstudie. Hieruit blijkt dat het appartementengebouw bij de woning van [appellant] geen negatief effect heeft op de bezonning.

4.4.    De betogen slagen niet.

Verkeerssituatie en parkeren

5.       [appellant] wijst erop dat de Chrysant op dit moment zo is ingericht dat de vier woningen aan de [locatie 3] tot en met [locatie 4] bereikbaar zijn met de auto. Vanaf [locatie 4] gaat de Chrysant over een voetpad richting de Sportlaan, welk voetpad op dit moment niet toegankelijk is voor autoverkeer. In de toekomstige situatie bestaat vanaf de Chrysant een ontsluitingsmogelijkheid op de Sportlaan. [appellant] vreest dat dit leidt tot verkeersonveilige situaties op de Chrysant. Volgens hem dienen de nieuwe woningen tegenover [locatie 4] om die reden geen mogelijkheid te hebben voor de realisatie van een parkeerplaats in de achtertuin grenzend aan de Chrysant. [appellant] wijst daarbij op plannen van de initiatiefnemer om bij de woningen tegenover [locatie 4] tot aan de Sportlaan vijf parkeerplaatsen in de achtertuin te realiseren. Hij stelt dat de raadsleden in de vergadering van de raadscommissie waarin dit plan aan de orde is gesteld op dit punt op het verkeerde been zijn gezet, omdat van de zijde van het college van burgemeester en wethouders tijdens deze vergadering een afbeelding is getoond waarop deze vijf parkeerplaatsen niet waren ingetekend.

5.1.    Het aantal grondgebonden woningen dat in het plangebied vanaf de [locatie 3] tot aan de Sportlaan is voorzien, is beperkt. Uit de door [appellant] overgelegde impressies van de inrichting van het plangebied blijkt dat de bouwvlakken langs dit deel van de Chrysant ruimte bieden voor de realisatie van ongeveer acht grondgebonden woningen, waarvan ongeveer de helft is voorzien langs het deel van de Chrysant dat op dit moment bestaat uit een voetpad. Volgens de raad is het aantal verkeersbewegingen dat met dit aantal nieuwe woningen gepaard gaat dermate laag dat niet hoeft te worden gevreesd voor verkeersonveilige situaties op het deel van de Chrysant waar zich de woning van [appellant] bevindt. De Afdeling ziet geen redenen om dit standpunt van de raad onredelijk te achten. De breedte van de Chrysant is ter plaatse niet dusdanig beperkt dat daarvan niet een beperkt aantal extra auto’s gebruik zou kunnen maken. Gelet hierop ziet de Afdeling ook geen aanleiding te vereisen dat in het plan wordt uitgesloten dat de nieuwe woningen nabij de woning van [appellant] een parkeergelegenheid kunnen realiseren in de achtertuin grenzend aan de Chrysant. Gezien de beperkte verkeerseffecten van deze parkeerplaatsen, ziet de Afdeling tot slot geen reden [appellant] te volgen in zijn opvatting dat de raad tijdens de commissievergadering, waarin een tekening was getoond waarop de desbetreffende parkeerplaatsen langs de Chrysant niet waren ingetekend, op het verkeerde been is gezet.

5.2.    Op de zitting heeft [appellant] in dit verband nog gesteld dat hij met zijn betoog over de maximum bouwhoogte van het appartementengebouw ook heeft beoogd te bereiken dat de hoogte van appartementengebouw wordt verlaagd, zodat dit gebouw minder ruimte biedt voor de realisatie van nieuwe woningen. De parkeerbehoefte van de nieuwe grondgebonden woningen langs de Chrysant zou dan kunnen worden opgevangen binnen het deel waar de parkeerplaatsen voor de bewoners van het appartementencomplex zijn voorzien, aldus [appellant]. De Afdeling ziet geen aanleiding om te oordelen dat de raad dit voorstel in overweging had moeten nemen. Naast het feit dat niet is gebleken dat de parkeerplaatsen in de achtertuinen van de grondgebonden woningen leiden tot verkeersonveilige situaties, zou een vermindering van het aantal woningen in het appartementengebouw ook niet passen bij de wens van de raad om gelet op de woonbehoefte een groot aantal nieuwe sociale huurwoningen mogelijk te maken.

5.3.    De betogen slagen niet.

6.       [appellant] heeft over het aspect parkeren verder betoogd dat hij vreest dat na de realisatie van het plan een parkeerprobleem zal ontstaan. Volgens hem is namelijk onduidelijk waar alle benodigde parkeerplaatsen exact zullen worden gerealiseerd en of bij de berekening van het aantal parkeerplaatsen een parkeernorm wordt gehanteerd die past bij het type woningen dat wordt mogelijk gemaakt. Dit had al bij de vaststelling van het bestemmingsplan geregeld moeten worden, aldus [appellant].

6.1.    Niet vereist is dat al bij de vaststelling van het bestemmingsplan exact wordt bepaald waar de parkeerplaatsen in het plangebied worden gerealiseerd. In artikel 11.3 van de planregels is bepaald dat bij de oprichting van een bouwwerk moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Voldoende parkeergelegenheid is gedefinieerd in artikel 1.64 van de planregels, waarin is bepaald dat het aantal parkeerplaatsen en de omvang daarvan dient te voldoen aan de beleidsregel "Parkeernormering gemeente Westland", zoals die geldt ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan en - indien deze beleidsregel gedurende de planperiode wordt gewijzigd - aan die wijziging. Met artikel 11.3 van de planregels is geborgd dat bij de bouw van de nieuwe woningen moet worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, waaraan bij de verlening van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woningen wordt getoetst. Dan zal aan de hand van het type woning en de in de beleidsregel "Parkeernormering gemeente Westland" opgenomen parkeernormen worden beoordeeld in welk aantal parkeerplaatsen moet worden voorzien. Niet is gebleken dat het plangebied onvoldoende ruimte biedt om hieraan te voldoen. Daarbij wijst de Afdeling erop dat in artikel 5.1, onder c, van de planregels de mogelijkheid is opgenomen voor de realisatie van een parkeergelegenheid onder de gestapelde woningen.

Het betoog slaagt niet.

Stikstof

7.       [appellant] betoogt tot slot dat het plan strijdig is met de op dit moment gelende stikstofregels. Natura 2000-gebieden zijn er volop in de directe omgeving en daar is volgens hem ten onrechte geen rekening mee gehouden. In zijn nadere brief van 9 december 2020 verwijst [appellant] in dit verband naar de als bijlage 13 bij de plantoelichting gevoegde rapportage "Stikstofdepositie Sportlaan, De Lier" (hierna: rapportage stikstofdepositie), waarin volgens hem de stikstofuitstoot tijdens de sloop- en aanlegfase onjuist is berekend.

7.1.    Artikel 8:69a van de Awb luidt: "De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."

7.2.    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

De bepalingen in de Wnb over de beoordeling van plannen die gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied strekken ter bescherming van het behoud van de natuurwaarden in deze gebieden. Uit overweging 10.51 in de uitspraak van de Afdeling van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, volgt dat de individuele belangen van burgers bij het behoud van een goede kwaliteit van hun leefomgeving, waarvan een Natura 2000-gebied deel uitmaakt, zo verweven kunnen zijn met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen, dat niet kan worden geoordeeld dat de betrokken normen van de Wnb kennelijk niet strekken tot bescherming van hun belangen.

7.3.    In de rapportage stikstofdepositie is vermeld dat in de directe nabijheid van het plangebied geen Natura 2000-gebieden zijn gelegen. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het gebied Solleveld & Kapittelduinen dat op 4 km van het plangebied is gelegen. Gelet op deze afstand maakt het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied geen deel uit van de leefomgeving van [appellant] en bestaat daarmee geen verwevenheid tussen de individuele belangen van [appellant] bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving en het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. Dit betekent dat hij zich, gelet op artikel 8:69a van de Awb, niet op die norm kan beroepen. Omdat het relativiteitsvereiste in de weg staat aan een vernietiging van het bestreden besluit vanwege deze beroepsgrond, ziet de Afdeling af van een inhoudelijke bespreking daarvan.

Conclusie

8.       Het beroep is ongegrond.

9.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.C. van Zuijlen, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2021

810.