Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1197

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
09-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
202000465/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 november 2019 heeft de raad van de gemeente Dinkelland het bestemmingsplan "[locatie 1] Denekamp, [locatie 2] en [locatie 3] Oud Ootmarsum" vastgesteld. Het plan maakt het mogelijk om op perceel [locatie 1] in Denekamp een woning te bouwen. Dit perceel was in gebruik door waterbedrijf Vitens. [partij] is nu de eigenaar van dit perceel. Als tegenprestatie voor het mogen bouwen van de woning moet [partij] bestaande bedrijfsbebouwing op het perceel en op twee andere locaties slopen. Ook voor die twee andere plekken bevat het plan een regeling. [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen zijn het er niet mee eens dat op het perceel [locatie 1] een nieuwe woning mag worden gebouwd. Zij betogen hoofdzakelijk dat het plan niet voldoet aan het "Rood voor Rood"-beleid dat de raad heeft vastgesteld op 6 oktober 2015.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000465/1/R3.

Datum uitspraak: 9 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1], wonend te Denekamp, gemeente Dinkelland,

2.       [appellant sub 2], wonend te Denekamp, gemeente Dinkelland, en anderen,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Dinkelland,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 november 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "[locatie 1] Denekamp, [locatie 2] en [locatie 3] Oud Ootmarsum" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 februari 2021, waar zijn verschenen:

        [appellant sub 1], bijgestaan door [gemachtigde],

       [appellant sub 2] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant sub 2] en [appellant sub 2A],

        de raad, vertegenwoordigd door mr. M.Y. Rutjes.

Ook zijn op de zitting gehoord [partij A] en [partij B] (hierna in enkelvoud: [partij]).

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan maakt het mogelijk om op perceel [locatie 1] in Denekamp een woning te bouwen. Dit perceel was in gebruik door waterbedrijf Vitens. [partij] is nu de eigenaar van dit perceel. Als tegenprestatie voor het mogen bouwen van de woning moet [partij] bestaande bedrijfsbebouwing op het perceel en op twee andere locaties slopen. Ook voor die twee andere plekken bevat het plan een regeling.

2.       [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen zijn het er niet mee eens dat op het perceel [locatie 1] een nieuwe woning mag worden gebouwd. Zij betogen hoofdzakelijk dat het plan niet voldoet aan het "Rood voor Rood"-beleid dat de raad heeft vastgesteld op 6 oktober 2015 (hierna: het beleid).

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ontvankelijkheid

4.       De raad stelt zich op het standpunt dat [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen geen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit en daartegen dus geen beroep kunnen instellen. Volgens de raad is de afstand van hun percelen tot het plangebied namelijk te groot om gevolgen van het plan te kunnen ondervinden. Voor zover er toch enige gevolgen zouden zijn, dan zijn die volgens de raad in ieder geval niet van enige betekenis.

4.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb.

4.2.    Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ van de activiteit dient als correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft betrokkene geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van betrokkene zijn, wordt acht geslagen op de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat, waarbij die factoren zo nodig in onderlinge samenhang worden bezien. Ook aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

- [appellant sub 1]

4.3.    [appellant sub 1] woont aan de [locatie 4] in Denekamp, ten noorden van het plangebied aan de Ootmarsumsestraat. De kortste afstand van het woonperceel tot het plangebied is ongeveer 75 m. Dit betreft de gronden die in het plan zijn bestemd als "Agrarisch - 1". De gronden tussen het woonperceel van [appellant sub 1] en het plangebied zijn weilanden en [appellant sub 1] heeft onweersproken gesteld dat hij van een gedeelte daarvan de eigenaar is.

Verder is van belang dat de afstand van het woonperceel van [appellant sub 1] tot de gronden die in het plan zijn bestemd voor "Wonen" ongeveer 140 m is. Het is tussen partijen niet in geschil dat [appellant sub 1] in ieder geval zicht heeft op deze plek in de periode waarin de tussen deze twee locaties gelegen bosschages niet in blad staan.

Omdat [appellant sub 1] eigenaar is van gronden die grenzen aan het plangebied en vanaf zijn woonperceel zicht heeft op de plek waar de nieuwe woning mag worden gebouwd, kan hij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van het plan. Hij onderscheidt zich daarmee voldoende van anderen en daarom is er geen reden om de correctie voor ‘gevolgen van enige betekenis’ toe te passen. Dit betekent dat [appellant sub 1] belanghebbende is bij het bestreden besluit en daartegen beroep kan instellen.

- [appellant sub 2] en anderen

4.4.    [appellant sub 2] en anderen wonen aan de Gervelink. Deze straat loopt ongeveer parallel aan de oostelijke kant van het plangebied aan de Ootmarsumsestraat. De afstanden van de woonpercelen tot het plangebied liggen tussen ongeveer 90 en 135 m. Tussen de Gervelink en het plangebied ligt een groenstrook. Gelet op foto’s die [appellant sub 2] en anderen hebben overgelegd, hebben zij in ieder geval zicht op de plek waar de woning mag worden gebouwd in de periode waarin de bosschages niet in blad staan. Daarom kunnen zij rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervinden van het plan. Zij onderscheiden zich daarmee voldoende van anderen en daarom is er geen reden om de correctie voor ‘gevolgen van enige betekenis’ toe te passen. Dit betekent dat [appellant sub 2] en anderen belanghebbenden zijn bij het bestreden besluit en daartegen beroep kunnen instellen.

5.       De raad heeft erop gewezen dat [appellant sub 2] en anderen hun zienswijzen over het ontwerpplan niet naar voren hebben gebracht binnen de daarvoor geldende termijn. Ook om deze reden vindt de raad dat hun beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard, in dit geval op grond van artikel 6:13 van de Awb.

5.1.    Uit de uitspraak van de Afdeling van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, volgt dat in zaken over bestemmingsplannen artikel 6:13 van de Awb niet aan belanghebbenden kan worden tegengeworpen. Dit betekent, kortom, dat het beroep van [appellant sub 2] en anderen ontvankelijk is.

Sloop niet-agrarische bebouwing

6.       [appellant sub 1] betoogt dat het plan niet voldoet aan de eis in het beleid dat de te slopen bebouwing voor agrarische doeleinden in gebruik moet zijn of zijn geweest. De bebouwing aan de [locatie 1] wordt volgens hem gebruikt voor het hobbymatig stallen van paarden.

6.1.    De raad stelt zich op het standpunt dat het plan voldoet aan de voorwaarden voor de sloop van landschapsontsierende bebouwing. De plek voor de nieuwe woning had in het vorige plan de bestemming "Agrarisch - 1". De hier te slopen bebouwing is destijds opgericht voor andere dan agrarische doeleinden, maar kan volgens de raad wel worden ingebracht.

6.2.    In het beleid staat over de slooplocatie:

"2. Er dient een oppervlakte van minimaal 850m² landschapsontsierende bebouwing of 4500m² kassen te worden gesloopt voordat een compensatiekavel kan worden verkregen. (…).

(…)

7. De te slopen bebouwing is in gebruik of in gebruik geweest voor agrarische doeleinden. Bebouwing met andere doeleinden kan worden ingebracht in een Rood voor Rood project, wanneer de gemeente dat goedkeurt. Hiervoor gelden soortgelijke uitgangspunten ten aanzien van sloopoppervlakten, erfplan en dergelijke."

6.3.    Het uitgangspunt van het beleid is dus dat de te slopen bebouwing in gebruik moet zijn of zijn geweest voor agrarische doeleinden, maar het is ook mogelijk dat andere bebouwing wordt ingebracht. Dat is echter niet zonder meer mogelijk, maar alleen als de gemeente - in dit geval: de gemeenteraad - dat goedkeurt.

In deze zaak gaat het wat betreft de Ootmarsumsestraat om bestaande bebouwing die oorspronkelijk niet voor agrarische doeleinden is gebouwd. Omdat aan deze bebouwing in het vorige bestemmingsplan, "Buitengebied 2010", de bestemming "Agrarisch - 1" was toegekend, mocht zij wel voor agrarische doeleinden worden gebruikt. Verder is van belang dat de bebouwing volgens de raad landschapsontsierend is. Gelet hierop is het plan niet in strijd met punt 7 van het beleid voor de slooplocatie.

Het betoog slaagt niet.

Geen sloop waterreservoir

7.       [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het behoud van het waterreservoir aan de Ootmarsumsestraat niet op een duidelijke en zorgvuldige manier in de besluitvorming is betrokken. [appellant sub 1] heeft in zijn zienswijze op het waterreservoir gewezen, maar hij concludeert dat er voor de gemeente op dat moment kennelijk reeds sprake was van een rijdende trein die niet meer tot stilstand kon worden gebracht. Hij vermoedt dat dit verband houdt met het gemeentelijk belang bij het verwijderen van de oude bedrijfsgebouwen op de andere locaties.

7.1.    In de toelichting op het ontwerpplan staat dat voor de situering van de woning is gekozen voor "een locatie nabij de bestaande fundering aan de [locatie 1]". Ook staat er: "Van deze fundering kan gebruik gemaakt worden ten behoeve van het te realiseren bijgebouw."

Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant sub 1] hierover staat in de zienswijzennota dat de omschrijving "bestaande fundering" mogelijk niet helemaal de lading dekt van de feitelijke situatie. Het gaat volgens de zienswijzennota om een kelder (bodemreservoir) die in het verleden is gebruikt voor de opslag van water. De kelder zelf is niet zichtbaar maar de verhoging in het landschap vanwege de opgebrachte grond wel. Uit nader onderzoek is gebleken dat de bovenzijde van de kelder ongeveer 50 tot 70 cm hoger ligt dan het aansluitende maaiveld.

Verder is in de zienswijzennota toegelicht waarom de raad vindt dat het waterreservoir niet hoeft te worden gesloopt. Het zal deels dienen als fundering van een bijgebouw en het zal worden gebruikt als opslag voor hemelwater. Het zal bovendien zowel stedenbouwkundig als landschappelijk worden ingepast. Dat laatste is gewaarborgd door middel van een voorwaardelijke verplichting.

In de toelichting van het vastgestelde plan wordt het bouwwerk niet meer "fundering" maar "kelder" genoemd.

7.2.    Gelet op de zienswijzennota en de toelichting van het vastgestelde plan heeft de raad onderkend dat op het perceel aan de Ootmarsumsestraat niet zozeer een fundering, maar een waterreservoir aanwezig is dat niet wordt gesloopt. De raad heeft daarbij toegelicht waarom dit bouwwerk op een voor hem aanvaardbare manier kan worden ingepast bij de nieuwe woning. De Afdeling ziet niet in waarom het plan wat dit betreft onzorgvuldig zou zijn voorbereid. Het is immers een van de functies van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb om onvolkomenheden in het ontwerpbesluit te herstellen naar aanleiding van de daarover naar voren gebrachte zienswijzen.

De betogen slagen niet.

8.       [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen hebben tijdens de zitting toegelicht dat het waterreservoir boven de grond uitsteekt en dat zij ervoor vrezen dat er straks een bijgebouw op gezet wordt dat dan boven de omgeving uittorent. Het waterreservoir wordt volgens hen niet goed ingepast en zou volledig moeten worden gesloopt.

8.1.    De raad heeft tijdens de zitting gewezen op de regel over het peil in het bestemmingsplan. Die waarborgt volgens de raad dat zowel de woning als de bijgebouwen op dezelfde hoogte worden gebouwd als andere woningen in de omgeving. Verder stelt de raad zich op het standpunt dat het waterreservoir, door het uitvoeren van het ruimtelijk kwaliteitsplan, goed zal worden ingepast in de omgeving. Dit is in de regels van het bestemmingsplan als voorwaarde gesteld voor het bouwen van de woning, aldus de raad.

8.2.    In het beleid staat over de slooplocatie:

"4. Alle aanwezige landschapsontsierende bebouwing op de slooplocatie dient gesloopt te worden. Silo’s, kuilvoerplaten en dergelijke dienen wel gesloopt te worden, maar tellen niet mee met de sloopoppervlakte.

A. Gebouwen die in eerste instantie landschapsontsierend zijn, maar die op het erf ingepast kunnen worden en waarvoor een goede vervolgfunctie in beeld is, kunnen worden uitgezonderd van de sloopverplichting. Hierbij kunnen eisen worden gesteld aan het verbeteren van het gebouw."

8.3.    Artikel 1.40 van de regels van het plan omschrijft "peil" als "23.90 meter boven het Normaal Amsterdams Peil".

Artikel 2.4 bepaalt dat bij de toepassing van de regels de bouwhoogte wordt gemeten: "Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen."

Ingevolge artikel 4.2.1, aanhef en onder f, geldt voor het bouwen in het bestemmingsvlak "Wonen" dat de bouwhoogte van een hoofdgebouw ten hoogste 9,00 m zal bedragen.

Ingevolge artikel 4.2.2, aanhef en onder f, is de bouwhoogte van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping ten minste 1,00 m lager dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw.

Artikel 4.4.3 bepaalt dat tot een met de bestemming strijdig gebruik in elk geval wordt gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken in de bestemming "Wonen" ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van wonen - bouwlocatie" zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen in de bestemmingen "Agrarisch - 1" en "Wonen" conform het in bijlage 3 opgenomen ruimtelijk kwaliteitsplan teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.

8.4.    Gelet op de regels in het plan over het peil en de maximale bouwhoogten voor hoofd- en bijgebouw is het uitgesloten dat het behoud van een deel van het waterreservoir tot gevolg heeft dat daarop een bijgebouw wordt gebouwd dat vanwege de hoogte zal detoneren met andere bouwwerken in de omgeving. Verder is van belang dat in het ruimtelijk kwaliteitsplan is beschreven hoe de nieuwe woning en het daarbij te bouwen bijgebouw in de omgeving moeten worden ingepast. Daarom voldoet het plan in zoverre aan punt 4, onderdeel A, van het beleid over de slooplocatie.

De betogen slagen niet.

9.       [appellant sub 1] betoogt dat het behoud van het waterreservoir gevaarlijk is. Als het water wordt gebruikt om de omliggende landen te besproeien dan is er volgens hem gevaar voor een legionellabesmetting voor de gebruikers - zoals hijzelf - van het wandelpad dat grenst aan het plangebied.

9.1.    Het perceel aan de [locatie 1] was in het vorige plan bestemd als "Agrarisch - 1". Dit betekent dat het waterreservoir voor agrarische doeleinden mocht worden gebruikt. Het nieuwe plan wijzigt de bestemming van een gedeelte van het perceel - waar het waterreservoir zich bevindt - naar "Wonen". De Afdeling ziet niet in waarom deze wijziging zou leiden tot een groter gevaar voor legionellabesmettingen. Alleen al hierom geeft het betoog geen reden voor het oordeel dat de raad het plan niet in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.

Het betoog slaagt niet.

Oppervlakte compensatiekavel

10.     [appellant sub 1] vindt onduidelijk hoe de omvang van het perceel aan de Ootmarsumsestraat van 1,4 ha zich verhoudt tot de eis in het beleid dat de maximale oppervlakte van een compensatiekavel 1.200 m2 is. Volgens hem moeten de bestemmingen "Wonen" en "Agrarisch - 1" hierbij in samenhang worden bezien. Hij wijst daartoe op artikel 3.1, onder c, van de regels over erfinrichtingsplannen binnen de bestemming "Agrarisch - 1".

10.1.  De raad stelt dat alleen de gronden met de bestemming "Wonen" de compensatiekavel vormen. De raad wijst op de definitie van dit begrip in het beleid. De oppervlakte van het bestemmingsvlak "Wonen" is 1.200 m2, aldus de raad.

10.2.  Onderdeel 4 van het beleid voor de herbouwlocatie luidt:

"De maximale omvang van één compensatiekavel voor een enkele woning bedraagt 1200m²."

In het beleid is ‘compensatiekavel’ omschreven als:

"De kavel die wordt verkregen als tegenprestatie voor de sloop van minimaal 850m² landschapsontsierende bebouwing of 4500m² kassen."

10.3.  Ingevolge artikel 3.1, aanhef en onder c, van de planregels zijn de voor "Agrarisch - 1" aangewezen gronden bestemd voor het uitvoeren van erfinrichtingsplannen en landschapsplannen.

10.4.  Het bestemmingsvlak "Wonen" is op de verbeelding ongeveer 1.200 m2. In zoverre voldoet het plan aan onderdeel 4 van het beleid voor de herbouwlocatie. Dit wordt niet anders doordat de voor "Agrarisch - 1" bestemde gronden mede zijn bestemd voor het uitvoeren van erfinrichtingsplannen en landschapsplannen. Deze regeling heeft als doel om de landschappelijke inpassing overeenkomstig bijlage 3 van de planregels uitdrukkelijk toe te staan op de gronden die zijn bestemd als "Agrarisch - 1". Er volgt niet uit dat deze gronden voor woondoeleinden mogen worden gebruikt en om die reden als onderdeel van de compensatiekavel moeten worden gezien.

Het betoog slaagt niet.

Aansluiten op bestaande bebouwing

11.     [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat het plan niet voldoet aan de eis in het beleid dat de nieuwe woning aansluit op de bestaande bebouwing. [appellant sub 1] stelt dat het plan in wezen voorziet in een solitaire woning in het buitengebied. Er is volgens hem geen enkele ruimtelijke samenhang met de woningen aan de Gervelink en de Knik.

[appellant sub 2] en anderen vinden dat aansluiten betekent dat de bebouwing in lijn komt te liggen met de andere bebouwing langs de Ootmarsumsestraat. De nieuwe woning komt volgens hen op te grote afstand van de weg.

11.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat het perceel aan de [locatie 1] geen slooplocatie is waar zonder meer teruggebouwd mag worden, omdat er geen bestemmingsvlak van een (voormalig) agrarisch bedrijf aanwezig is. Het beleid maakt het mogelijk om een andere ruimtelijk verantwoorde locatie aan te dragen. De compensatiewoning moet dan aansluiten op de bestaande bebouwing. Het kan hierbij gaan om kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing en bestaande erfstructuren. De raad stelt dat de terugbouwlocatie in dit geval een overgang vormt van de kern naar het buitengebied. Het gaat om een dorpsrand. Het perceel ligt in het landschapstype kampenlandschap en er zijn in de omgeving meerdere woningen aanwezig. De compensatiewoning is daarmee te vergelijken. Er zijn ook positieve stedenbouwkundige en landschapsadviezen over een woning op deze locatie gegeven. De raad wijst ook op het ruimtelijk kwaliteitsplan waar de ontwikkeling aan moet voldoen. Ten slotte benadrukt de raad het belang van de sloop van landschapsontsierende bebouwing op het perceel.

11.2.  In het beleid staat over de herbouwlocatie:

"6. De compensatiekavel wordt op de slooplocatie of één van de slooplocaties gerealiseerd.

A. Wanneer de slooplocatie of één van de slooplocaties niet benut wordt als herbouwlocatie, dan kan de aanvrager een andere ruimtelijk verantwoorde locatie indienen.

i. De compensatiewoning dient aan te sluiten op bestaande     bebouwing. Het kan dan gaan om kernen, dorpsranden, buurtschappen, lintbebouwing en bestaande erfstructuren.

ii. Initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het aandragen van een herbouwlocatie. De gemeente besluit of de aangedragen locatie geschikt is voor een compensatiekavel."

11.3.  De Afdeling is het niet eens met [appellant sub 1] dat uit het beleid volgt dat de nieuwe woning in dit geval een ruimtelijke samenhang moet hebben met de woningen aan de Gervelink en de Knik. De nieuwe woning komt immers niet aan die straten te liggen, maar aan de Ootmarsumsestraat. Gelet op de ligging van het perceel tussen de kern van Denekamp en het buitengebied heeft de raad ervan uit mogen gaan dat het perceel behoort tot de dorpsrand. De raad heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de plek van de compensatiewoning daarbij past.

Uit op internet beschikbare luchtfoto’s blijkt dat [appellant sub 2] en anderen er terecht op wijzen dat de nieuwe woning niet direct aan de Ootmarsumsestraat komt te staan, terwijl er andere woningen zijn die wel op korte afstand van die weg staan. Er staan echter ook woningen op wat grotere afstand van de weg, zoals bijvoorbeeld op nummer […]. Alleen al hierom bestaat in zoverre geen reden voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de nieuwe woning aansluit bij bestaande bebouwing.

De betogen slagen niet.

Bijbehorende bouwwerken

12.     [appellant sub 1] en [appellant sub 2] en anderen betogen dat de raad bij de nieuwe woning ten onrechte een groter oppervlak aan bijbehorende bouwwerken heeft toegestaan dan op basis van het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" gebruikelijk is.

12.1.  De raad stelt zich op het standpunt dat de regeling voor bijbehorende bouwwerken wel degelijk aansluit bij die in het bestemmingsplan "Buitengebied 2010". Weliswaar is de 250 m2 die is toegestaan meer dan de 100 m2 die standaard is in dat plan, maar dat is in dit geval gerechtvaardigd. Er wordt namelijk 260 m2 meer gesloopt dan de norm (1.110 m2 in plaats van 850 m2). Het plan voor het buitengebied staat bij sanering zelfs 350 m2 aan bijgebouwen toe, aldus de raad.

12.2.  Aan het perceel [locatie 1] is op de verbeelding de aanduiding "Maatvoering maximum oppervlakte (m2) = 250" toegekend.

Artikel 4.2.2 van de regels luidt:

"Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

(…)

c. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 100 m² bedragen, tenzij:

1. de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte ten hoogste de bestaande oppervlakte zal bedragen, met een maximum van 350 m²;

2. de gronden zijn voorzien van de aanduiding 'maximum oppervlakte (m2)', in welk geval de gezamenlijke oppervlakte van de aan- uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding aangegeven maximum oppervlakte bedragen, met dien verstande dat de bestaande kelder ten behoeve van de opslag van hemelwater niet wordt meegerekend in de gezamenlijke oppervlakte als voornoemd;

(…)."

12.3.  In het bestemmingsplan "Buitengebied 2010" zijn in artikel 36.2.2 van de regels de volgende maxima gesteld:

"c. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 100 m² bedragen, tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de gezamenlijke oppervlakte ten hoogste de bestaande oppervlakte zal bedragen, met een maximum van 350 m²;

d. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de aan­gebouwde bijgebouwen en de aangebouwde overkappin­gen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 75% van de oppervlakte van het hoofdgebouw bedragen;"

12.4.  Naar het oordeel van de Afdeling heeft de raad in redelijkheid kunnen toestaan dat bij de nieuwe woning 250 m2 aan bijbehorende bouwwerken wordt gebouwd. Daarbij heeft de raad mogen betrekken dat deze oppervlakte weliswaar groter is dan het uitgangspunt in het plan "Buitengebied 2010" maar kleiner dan het daarin gestelde maximum voor bestaande situaties. Ook heeft de raad daarbij van belang mogen achten dat een groter oppervlak aan bestaande bebouwing wordt gesloopt dan volgens het beleid is vereist.

De betogen slagen niet.

Ladder voor duurzame verstedelijking

13.     [appellant sub 2] en anderen betwijfelen dat het plan voldoet aan de zogenoemde ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening). Zij vinden dat de nieuwe woning binnen de bebouwde kom zou moeten worden gebouwd, zodat het groene weidelandschap behouden blijft.

13.1.  Artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening luidt:

"De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien."

In artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder j, is stedelijke ontwikkeling gedefinieerd als: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen

13.2.  Zoals de Afdeling heeft overwogen onder 6.3 van de overzichtsuitspraak van 28 juni 2017 over de ladder voor duurzame verstedelijking (ECLI:NL:RVS:2017:1724) moet een in een bestemmingsplan voorziene ontwikkeling voldoende substantieel zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen worden aangemerkt. Voor woningbouwlocaties is het uitgangspunt dat een ontwikkeling van minder dan 11 woningen in beginsel niet voldoende substantieel is. In dit geval maakt het plan maar één woning mogelijk. Het gaat daarom niet om een stedelijke ontwikkeling waarop artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening van toepassing is. Alleen al hierom slaagt het betoog niet.

Conclusie

14.     De beroepen zijn ongegrond. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.H.A. Knol, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.R. Jacobs, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 9 juni 2021

717.