Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1179

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
201809571/3/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2439, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Loon op Zand opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de gebreken in het besluit van 19 september 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030" te herstellen. De raad heeft bij besluit van 20 september 2018 het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030" vastgesteld. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het attractiepark van de Efteling, daaraan verbonden verblijfsaccommodaties, een golfterrein, bos- en natuurgebied en enkele (agrarische) percelen. Daarnaast maakt het plan een uitbreiding mogelijk, die o.a. bestaat uit: een uitbreiding van het attractiepark in oostelijke en westelijke richting en de aanleg van een nieuwe parkeervoorziening aan de westzijde. De raad heeft op 19 september 2019 een herstelbesluit genomen. Het plan is daarbij in zijn geheel opnieuw vastgesteld met een aantal wijzigingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8513
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809571/3/R2.

Datum uitspraak: 2 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       De erven van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B], allen domicilie kiezend te Tilburg (hierna: de erven [appellant sub 1]),

2.       [appellante sub 2], gevestigd te Kaatsheuvel, gemeente Loon op Zand, en anderen (hierna: [appellante sub 2] en anderen),

appellanten,

en

de raad van de gemeente Loon op Zand,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 14 oktober 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2439, (hierna: de tussenuitspraak) heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van 19 september 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030" te herstellen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 11 februari 2021 heeft de raad ter uitvoering van de tussenuitspraak het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.

Partijen zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld. De Efteling B.V. (hierna: de Efteling) heeft per brief laten weten dat zij zich met dit herstelbesluit kan verenigen.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

Inleiding

1.       De raad heeft bij besluit van 20 september 2018 het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030" vastgesteld. Het plan voorziet in een actuele juridisch-planologische regeling voor het attractiepark van de Efteling, daaraan verbonden verblijfsaccommodaties, een golfterrein, bos- en natuurgebied en enkele (agrarische) percelen. Daarnaast maakt het plan een uitbreiding mogelijk, die globaal bestaat uit: een uitbreiding van het attractiepark in oostelijke en westelijke richting, de aanleg van een nieuwe parkeervoorziening aan de westzijde en het parkeren op afstand aan de oostzijde, een uitbreiding van verblijfsrecreatieve voorzieningen, een aanpassing van de golfbaan en aanpassingen van de infrastructuur in de vorm van onder meer een verlegging van de Horst en de aanleg van een nieuwe zuidelijke ontsluiting, die is bedoeld als extra route naar het westelijke parkeerterrein van de Efteling op de drukste dagen van het jaar.

De raad heeft op 19 september 2019 een herstelbesluit genomen. Het plan is daarbij in zijn geheel opnieuw vastgesteld met een aantal wijzigingen.

De beroepen tegen het besluit van 19 september 2019

2.       Gelet op wat in de tussenuitspraak onder 10 tot en met 14 is overwogen, is het beroep van de erven [appellant sub 1] tegen het besluit van 19 september 2019 ongegrond.

3.       Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellante sub 2] en anderen tegen het besluit van 19 september 2019 gegrond. Het besluit is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb, artikel 2.8, eerste en derde lid, van de Wet natuurbescherming, artikel 3.1.6, tweede lid van het Besluit ruimtelijke ordening en het rechtszekerheidsbeginsel. Het besluit van 19 september 2019 dient te worden vernietigd.

Het besluit van 11 februari 2021

4.       De Afdeling heeft de raad opgedragen om de in de tussenuitspraak onder overweging 138 genoemde gebreken in het besluit van 19 september 2019 te herstellen met inachtneming van hetgeen daarover in de tussenuitspraak is overwogen. Om aan de opdracht in de tussenuitspraak te voldoen heeft de raad bij het besluit van 11 februari 2021 het plan opnieuw en gewijzigd vastgesteld. De wijzigingen betreffen onder meer een wijziging van de plangrens waardoor de camperparkeerplaats niet meer in het plangebied ligt en zijn voormalige bestemming terugkrijgt, en de toevoeging en wijziging van voorwaardelijke verplichtingen en enkele andere planregels. Daarnaast heeft de raad onder meer een nadere onderbouwing gegeven in het kader van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening en zijn de gevolgen van de westelijke verblijfsrecreatie voor de bedrijven van enkele appellanten opnieuw beoordeeld.

Het plan is bij het besluit van 11 februari 2021 met deze wijzigingen in zijn geheel opnieuw vastgesteld, inclusief de verbeelding, planregels en plantoelichting.

5.       In artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is het volgende bepaald:

"Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

Gelet hierop wordt het besluit van 11 februari 2021 van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding.

6.       De erven [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen hebben naar aanleiding van het besluit van 11 februari 2021 geen zienswijze ingediend en hebben dus niet te kennen gegeven dat zij zich niet met het besluit van 11 februari 2021 kunnen verenigen. Dit betekent dat zij geen beroepsgronden tegen dit besluit hebben aangevoerd. De van rechtswege ontstane beroepen van de erven [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen zijn ongegrond.

7.       De Efteling heeft te kennen gegeven dat zij zich met het besluit van 11 februari 2021 kan verenigen. Gelet hierop is geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog moet worden beslist.

De beroepen tegen het besluit van 20 september 2018

8.       In de tussenuitspraak is onder 4 overwogen dat de beroepen tegen het oorspronkelijke besluit van 20 september 2018 pas in de einduitspraak worden besproken en dat daarbij zal worden bezien of de erven [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen dan nog belang hebben bij een inhoudelijke bespreking van die beroepen.

Het plan dat bij het besluit van 20 september 2018 is vastgesteld, is zijn geheel vervangen door het plan dat bij het besluit van 19 september 2019 is vastgesteld. Dat plan is op zijn beurt weer geheel vervangen door het plan dat bij het besluit van 11 februari 2021 is vastgesteld. Uit hetgeen onder 6 en 7 is overwogen volgt dat het besluit van 11 februari 2021 in stand kan blijven. Het bij dat besluit vastgestelde plan blijft dus van kracht als het planologische regime voor het plangebied. Naar het oordeel van de Afdeling hebben de erven [appellant sub 1] en [appellante sub 2] en anderen daarom geen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van hun beroepen tegen het besluit van 20 september 2018. Gelet hierop zijn hun beroepen tegen dat besluit niet-ontvankelijk.

Proceskosten

9.       De raad hoeft voor de erven [appellant sub 1] geen proceskosten te vergoeden. De beroepen van de erven [appellant sub 1] tegen de besluiten van 19 september 2019 en 11 februari 2021 zijn immers ongegrond.

10.     De raad moet voor [appellante sub 2] en anderen de proceskosten vergoeden.

10.1.  [appellante sub 2] en anderen hebben betoogd dat sprake is van een zeer zware zaak, waarvoor op grond van onderdeel C1 van de bijlage bij van het Besluit proceskosten bestuursrecht de wegingsfactor 2 moet worden toegepast.

10.2.  In de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht is het volgende vermeld: "Het bedrag van de kosten, bedoeld in artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht, wordt vastgesteld door aan de verrichte proceshandelingen punten toe te kennen overeenkomstig onderstaande lijst (A) en die punten te vermenigvuldigen met de waarde per punt (B) en met de toepasselijke wegingsfactoren (C)."

10.3.  Onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht bevat wegingsfactoren voor het gewicht van de zaak. Deze wegingsfactoren worden toegepast bij de berekening van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 11 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:408), behoort de behandeling van een zaak in de bezwaar- en beroepsprocedure in beginsel tot de categorie gemiddeld, tenzij er duidelijke redenen zijn om hiervan af te wijken.

De Afdeling ziet geen aanleiding om in deze zaak de wegingsfactor 2 (zeer zwaar) of 1,5 (zwaar) toe te passen. [appellante sub 2] en anderen hebben als redenen voor toepassing van een hogere wegingsfactor naar voren gebracht dat sprake is van een omvangrijk plan met een groot aantal bijlagen, dat de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening een deskundigenverslag heeft uitgebracht en dat de raad daarop een uitvoerige reactie heeft gegeven, dat er op 9 juli 2019 een extra zitting heeft plaatsgevonden en dat de raad naar aanleiding van de beroepsgronden een herstelbesluit heeft genomen. Naar het oordeel van de Afdeling is het plan als zodanig niet zo omvangrijk of complex dat daarom een hogere wegingsfactor moet worden toegepast. De overige omstandigheden hebben geleid tot extra proceshandelingen waarvoor op grond van lijst A uit de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht reeds extra punten worden toegekend. Die omstandigheden zijn op die manier al verdisconteerd in de hoogte van de proceskostenvergoeding.

De Afdeling gaat daarom bij de berekening van de kosten voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand uit van wegingsfactor 1 (gemiddeld) als bedoeld in onderdeel C1 van de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Loon op Zand van 20 september 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030" niet-ontvankelijk;

II.       verklaart het beroep van de erven van [appellant sub 1A] en [appellante sub 1B] tegen het besluit van de raad van de gemeente Loon op Zand van 19 september 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030" ongegrond;

III.      verklaart het beroep van [appellante sub 2] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Loon op Zand van 19 september 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030" gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Loon op Zand van 19 september 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030";

V.      verklaart de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Loon op Zand van 11 februari 2021 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Wereld van de Efteling 2030" ongegrond;

VI.     veroordeelt de raad van de gemeente Loon op Zand tot vergoeding van bij [appellante sub 2] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.869,00 (zegge: achttienhonderdnegenenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VII.     gelast dat de raad van de gemeente Loon op Zand aan [appellante sub 2] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. E. Helder en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R. Teuben, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2021

483.