Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1167

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
202003399/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 juni 2018 heeft de burgemeester van Utrecht het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden met betrekking tot de geluidsoverlast die zij ondervindt van de bezoekers van TivoliVredenburg afgewezen. [appellante] woont aan de [locatie] te Utrecht. Onder meer vanwege de geluidsoverlast die zij ondervindt van de bezoekers van Tivoli, heeft zij de burgemeester op 24 april 2018 verzocht om daartegen handhavend op te treden. De burgemeester heeft dat verzoek bij besluit van 18 juni 2018, gehandhaafd bij besluit van 14 november 2018, afgewezen. De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat gelet op de omgeving waar [appellante] woont, namelijk het stadscentrum met een uitgaansgebied, enige mate van geluidsoverlast valt te verwachten. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onaanvaardbare geluidsoverlast, zodat de burgemeester geen aanleiding heeft hoeven zien om handhavend op te treden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2021/7284
JOM 2021/254
M en R 2021/87 met annotatie van B. Arentz
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003399/1/R4.

Datum uitspraak: 2 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Utrecht,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 8 mei 2020 in zaak nr. 18/4835 in het geding tussen:

[appellante]

en

de burgemeester van Utrecht.

Procesverloop

Bij besluit van 18 juni 2018 heeft de burgemeester het verzoek van [appellante] om handhavend op te treden met betrekking tot de geluidsoverlast die zij ondervindt van de bezoekers van TivoliVredenburg (hierna: Tivoli) afgewezen.

Bij besluit van 14 november 2018 heeft de burgemeester het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 8 mei 2020 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 14 november 2018 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 maart 2021, waar [appellante], vertegenwoordigd door drs. C. van Oosten, rechtsbijstandverlener te Utrecht, via een videoverbinding aan de zitting heeft deelgenomen, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. A. Braxhoven, is verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       [appellante] woont aan de [locatie] te Utrecht. Onder meer vanwege de geluidsoverlast die zij ondervindt van de bezoekers van Tivoli, heeft zij de burgemeester op 24 april 2018 verzocht om daartegen handhavend op te treden. De burgemeester heeft dat verzoek bij besluit van 18 juni 2018, gehandhaafd bij besluit van 14 november 2018, afgewezen.

De rechtbank heeft in haar uitspraak overwogen dat gelet op de omgeving waar [appellante] woont, namelijk het stadscentrum met een uitgaansgebied, enige mate van geluidsoverlast valt te verwachten. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onaanvaardbare geluidsoverlast, zodat de burgemeester geen aanleiding heeft hoeven zien om handhavend op te treden. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en het besluit van 14 november 2018 vernietigd, omdat in dat besluit een bevoegdheidsgebrek is geconstateerd. Verder heeft de rechtbank bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven.

Het hoger beroep van [appellante] is niet gericht tegen de gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het besluit van 14 november 2018, maar richt zich tegen het in stand laten van de rechtsgevolgen van dat besluit en tegen de door de rechtbank verworpen beroepsgronden over de geluidsoverlast van bezoekers van Tivoli. [appellante] heeft op de zitting te kennen gegeven dat het hoger beroep niet is gericht tegen het oordeel van de rechtbank over de geluidsoverlast, uitgaande van bouwwerkzaamheden.

Beoordeling

2.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de burgemeester in de gestelde geluidsoverlast geen aanleiding heeft hoeven zien om handhavend op te treden, omdat zij de onaanvaardbare geluidsoverlast niet aannemelijk heeft gemaakt. Volgens [appellante] heeft zij die geluidsoverlast wel degelijk aannemelijk gemaakt, onder meer door de jarenlange klachten die zij heeft ingediend en door de filmpjes die zij heeft gemaakt van de bezoekers van Tivoli. Daar komt bij dat de burgemeester erkent dat zij geluidsoverlast ervaart of kan ervaren. Het is dan volgens [appellante] in eerste plaats aan de burgemeester om die geluidsoverlast te onderzoeken. De burgemeester heeft in wat zij naar voren heeft gebracht over de geluidsoverlast ten onrechte geen aanleiding gezien om terzake een onderzoek uit te voeren, zodat het verzoek om handhaving ten onrechte is afgewezen, aldus [appellante].

2.1.    Op de zitting heeft [appellante] toegelicht dat de geluidsoverlast die zij ervaart in het bijzonder wordt veroorzaakt door de in- en uitstroom van bezoekers van nachtconcerten en andere late evenementen die plaatsvinden in Tivoli. Bezoekers van die evenementen blijven regelmatig rondom Tivoli hangen. De burgemeester heeft op de zitting toegelicht dat in Tivoli met enige regelmaat, in het bijzonder in de weekenden, evenementen plaatsvinden die later op de avond beginnen en daarom ook een latere eindtijd hebben. Daardoor is het mogelijk dat vrij laat in de avond of nacht in- of uitstroom van bezoekers plaatsvindt.

In het besluit van 18 juni 2018, gehandhaafd bij het besluit van 14 november 2018, staat dat [appellante] een zekere mate van geluidsoverlast in haar woning kan ervaren van de in- en uitstroom van bezoekers. Verder staat in de brief van de burgemeester van 7 november 2019, die in het kader van de rechtbankprocedure is ingediend, dat door hem ook niet wordt ontkend dat [appellante] overlast ervaart van de activiteiten van Tivoli.

Gelet op de door [appellante] gegeven toelichting en de erkenning door de burgemeester dat [appellante] geluidsoverlast van activiteiten in Tivoli ervaart, zijn er naar het oordeel van de Afdeling in dit geval voldoende aanknopingspunten voor de burgemeester om nader onderzoek te verrichten naar de aard en omvang van de betrokken geluidsoverlast, zulks ook in relatie met de vraag of daarbij sprake is van een overtreding van toepasselijke normen, en - indien daarvan sprake is - of daarin geen aanleiding is gelegen handhavend op te treden. Een dergelijk onderzoek heeft de burgemeester niet verricht, zodat het besluit van 14 november 2018 in dit opzicht niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank heeft dat niet onderkend.

Het betoog slaagt.

Conclusie

3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover de rechtbank bij die uitspraak de rechtsgevolgen van het besluit van 14 november 2018 in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak zal voor het overige worden bevestigd. Dat betekent dat de burgemeester een nieuw besluit moet nemen op het bezwaarschrift dat [appellante] heeft ingediend tegen het besluit van 18 juni 2018, voor zover het bezwaarschrift betrekking heeft op de geluidsoverlast van de bezoekers van Tivoli. Bij het nemen van dit nieuwe besluit moet de burgemeester de overwegingen uit deze uitspraak in acht nemen.

4.       Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil zal de Afdeling met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepalen dat tegen het nieuwe besluit op bezwaar slechts bij de Afdeling beroep kan worden ingesteld.

5.       De burgemeester moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden­Nederland van 8 mei 2020 in zaak nr. 18/4835, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het besluit van 14 november 2018 in stand zijn gelaten;

II.       bevestigt deze uitspraak voor het overige;

III.      bepaalt dat tegen het door de burgemeester van Utrecht te nemen besluit op bezwaar slechts beroep kan worden ingesteld bij de Afdeling;

IV.      veroordeelt de burgemeester van Utrecht tot vergoeding van bij [appellante] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro) geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.       gelast dat de burgemeester van Utrecht aan [appellante] het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 265,00 (zegge: tweehonderdvijfenzestig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2021

418-971