Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1164

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
202000588/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2934 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad van de gemeente Het Hogeland opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van de raad van 11 december 2019, waarbij het bestemmingsplan "De Kortsluiting" is vastgesteld, te herstellen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 8.5 overwogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de artikelen 4.15, eerste lid, en 4.20, derde lid, van de Geconsolideerde Omgevingsverordening februari 2019 van de provincie Groningen niet in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van het plan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Milieurecht Totaal 2021/7287
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000588/2/R3.

Datum uitspraak: 2 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant] en anderen, allen wonend te Winsum, gemeente Het Hogeland,

en

de raad van de gemeente Het Hogeland,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 9 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2934 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het daarin omschreven gebrek in het besluit van de raad van 11 december 2019, waarbij het bestemmingsplan "De Kortsluiting" is vastgesteld, te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij brief van 4 februari 2021 heeft de raad medegedeeld dat hij het gebrek in het besluit van 9 december 2020 heeft hersteld door middel van een nadere motivering.

Daartoe in de gelegenheid gesteld, hebben [appellant] en anderen een zienswijze naar voren gebracht over de nadere motivering van de raad.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

De tussenuitspraak

1.       De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 8.5 overwogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd dat de artikelen 4.15, eerste lid, en 4.20, derde lid, van de Geconsolideerde Omgevingsverordening februari 2019 van de provincie Groningen (hierna: de Omgevingsverordening) niet in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van het plan.

2.       Gelet op wat in de tussenuitspraak is overwogen, is het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van 11 december 2019 gegrond. Dit besluit moet wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb worden vernietigd.

3.       In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van de tussenuitspraak het gebrek te herstellen. De raad dient daarvoor met inachtneming van wat is overwogen onder 8.6 een toereikende motivering te geven waaruit blijkt dat de artikelen 4.15, eerste lid, en artikel 4.20, derde lid, van de Omgevingsverordening niet in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van het plan, dan wel een ander besluit vast te stellen.

Relevante bepalingen

4.       De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak die daarvan deel uitmaakt.

De nadere motivering

5.       Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad een nadere motivering opgesteld en de provincie Groningen verzocht om een nadere toelichting. In de nadere motivering heeft de raad toegelicht waarom de artikelen 4.15, eerste lid, en 4.20, derde lid, van de Omgevingsverordening volgens de raad niet in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van het plan.

De raad verwijst hierbij naar de brief van het college van gedeputeerde staten van Groningen (hierna: GS) van 16 december 2020 en naar de door GS op 19 januari 2021 verleende vergunning als bedoeld in artikel 4.15, eerste lid, van de Omgevingsverordening en ontheffing van het verbod van artikel 4.20, derde lid, van de Omgevingsverordening.

De zienswijze

6.       [appellant] en anderen kunnen zich niet verenigen met de door GS verleende vergunning en ontheffing. In de naar voren gebrachte zienswijze stellen [appellant] en anderen dat zij ten onrechte niet bij de besluitvorming door GS zijn betrokken.

[appellant] en anderen stellen ook dat de ontheffing gelet op artikel 8.3, vierde lid, van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro), voor de mogelijkheid van beroep en behandeling met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan als één besluit moet worden aangemerkt. Een provinciale ontheffing is volgens [appellant] en anderen een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk dat, op grond van artikel 3:11, eerste lid, van de Awb, in beginsel met het ontwerpplan ter inzage moet worden gelegd. De ontheffing is volgens [appellant] en anderen ten onrechte niet ter inzage gelegd, om welke reden zij vinden dat het plan niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen. Daarnaast voeren [appellant] en anderen aan dat de motivering bij de verlening van de ontheffing ondermaats is en onvoldoende om een ontheffing zonder voorschriften en regels af te geven. GS heeft de gevolgen van de aansluiting op de doorstroming en verkeersveiligheid niet onderzocht. Ook zijn de doelstellingen van het project ‘N361veilig’ ten onrechte niet bij de beoordeling van de verlening van de ontheffing betrokken.

Over de vergunning voeren [appellant] en anderen ook aan dat GS ten onrechte geen afweging van de alternatieven heeft gemaakt. Volgens [appellant] en anderen dragen alle alternatieven bij aan de provinciale doelstellingen, terwijl alleen het gekozen alternatief zeer bezwaarlijk is voor hen.

7.       De Afdeling stelt vast dat artikel 8.3, vierde lid, van de Wro betrekking heeft op een ontheffing als bedoeld in artikel 4.1a van de Wro. Dit betreft een ontheffing van regels over de inhoud of toelichting van een bestemmingsplan als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, van de Wro, de zogenoemde instructieregels. Onder 8.5 van de tussenuitspraak heeft de Afdeling overwogen dat de artikelen onder titel 4.2 van de Omgevingsverordening geen instructieregels voor de raad bevatten over de inhoud of toelichting van een bestemmingsplan. De verleende ontheffing van het verbod in artikel 4.20, derde lid, van de Omgevingsverordening is daarom geen ontheffing als bedoeld in artikel 8.3, vierde lid van de Wro en kan voor de mogelijkheid van beroep en de behandeling van en de uitspraak op een beroep niet met het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan als één besluit worden aangemerkt. Tegen de door GS verleende ontheffing staat een eigen rechtsgang open. Dit geldt ook voor de op grond van artikel 4.15, eerste lid, van de Omgevingsverordening verleende vergunning nu dit artikellid ook valt onder titel 4.2 van de Omgevingsverordening.  

Voor zover [appellant] en anderen aanvoeren dat beide besluiten niet in stand kunnen blijven vanwege een ondeugdelijke totstandkoming en motivering van die besluiten, overweegt de Afdeling dat deze besluiten zelf hier niet ter beoordeling staan. Zoals de Afdeling onder 8.5 van de tussenuitspraak heeft geoordeeld kunnen artikel 4.15, eerste lid, van de Omgevingsverordening en artikel 4.20, derde lid, van de Omgevingsverordening aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan. De ontheffing en vergunning zijn nu verleend. Gelet hierop heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat artikel 4.15, eerste lid, en 4.20, derde lid, van de Omgevingsverordening niet aan de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan in de weg staan.

Gelet hierop is de Afdeling van oordeel dat de raad alsnog toereikend heeft gemotiveerd dat artikel 4.15, eerste lid, van de Omgevingsverordening en artikel 4.20, derde lid, van de Omgevingsverordening niet in de weg staan aan de uitvoerbaarheid van het plan.

De betogen die [appellant] en anderen in hun zienswijze naar voren hebben gebracht slagen niet.

Conclusie

8.       Gelet op wat hiervoor staat concludeert de Afdeling dat de raad heeft voldaan aan de opdracht die in de tussenuitspraak is gegeven. De Afdeling ziet daarom aanleiding om de rechtsgevolgen van het besluit van de raad van de gemeente Het Hogeland van 11 december 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Kortsluiting" in stand te laten.

Proceskosten

9.       De raad moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep van [appellant] en anderen tegen het besluit van de raad van de gemeente Het Hogeland van 11 december 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Kortsluiting" gegrond;

II.       vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Het Hogeland van 11 december 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "De Kortsluiting";

III.      bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit geheel in stand blijven;

IV.     veroordeelt de raad van de gemeente het Hogeland tot vergoeding van bij [appellant] en anderen in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.335,00 (zegge: dertienhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen;

V.      gelast dat de raad van de gemeente het Hogeland aan [appellant] en anderen het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de anderen.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. C.C.W. Lange en mr. J.M.L. Niederer, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Plambeck, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.      

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2021

270-944.

 

BIJLAGE

 

Wet ruimtelijke ordening

Artikel 4.1, eerste lid, luidt:

Indien provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen, van omgevingsvergunningen waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onderdeel a, onder 2° of 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening wordt afgeweken, omtrent de daarbij behorende toelichting of onderbouwing, alsmede omtrent de inhoud van beheersverordeningen. […]

Artikel 4.1a, eerste lid, luidt:

Bij de verordening, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, kan worden bepaald dat gedeputeerde staten op aanvraag van burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen van krachtens dat lid vast te stellen regels, voor zover de verwezenlijking van het gemeentelijk ruimtelijk beleid wegens bijzondere omstandigheden onevenredig wordt belemmerd in verhouding tot de met die regels te dienen provinciale belangen. […]

Artikel 8.3, vierde lid, luidt:

Voor de mogelijkheid van beroep en de behandeling van en de uitspraak op een beroep worden de ontheffing bedoeld in artikel 4.1a of 4.3a, en het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan of het provinciaal inpassingsplan ten behoeve waarvan die ontheffing is verleend, als één besluit, vastgesteld door de gemeenteraad onderscheidenlijk provinciale staten, aangemerkt.

De Omgevingsverordening

Artikel 4.15 luidt:

1. Voor de aanleg van nieuwe wegen waaraan de bestemming van openbare weg zal worden gegeven en die zullen zijn gelegen buiten de door Gedeputeerde Staten ingevolge artikel 27 van de Wegenwet vastgestelde grenzen van bebouwde kommen en van de daartoe behorende werken is, een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist, tenzij het Rijk of de provincie de wegen aanlegt.

2. Voor het bouwen van bruggen, tunnels en viaducten in bestaande of in nieuw aan te leggen wegen binnen de in het eerste lid bedoelde bebouwde kommen is, een vergunning van Gedeputeerde Staten vereist, tenzij het Rijk of de provincie deze bruggen, tunnels of viaducten aanlegt.

Artikel 4.20, derde lid, luidt:

Het is verboden om tussen een weg en een andere niet bij de provincie in beheer zijnde weg een verbinding te maken, te hebben of te wijzigen.