Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1163

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
02-06-2021
Zaaknummer
201907526/1/R2
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:4016, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 25 april 2017 heeft het college van gedeputeerde staten van Flevoland aan Zuiderzee B.V. een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming verleend voor de uitbreiding van de veehouderij aan het Noordermeerpad 1 in Creil. Het college heeft bij het besluit van 25 april 2017 vergunning verleend voor de uitbreiding van het aantal vleesvarkens van de veehouderij en de toevoeging van twee warmtekrachtkoppelingsinstallaties op het perceel. Daarbij heeft het college toepassing gegeven aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: het PAS) en is een AERIUS-berekening gemaakt van de stikstofdepositie van het project. Het besluit is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft het beroep op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2021-0129
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8510
JOM 2021/274
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201907526/1/R2.

Datum uitspraak: 2 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu, beide gevestigd te Nijmegen (hierna en tezamen: MOB en Leefmilieu),

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 september 2019 in zaak nr. 17/2342 in het geding tussen:

MOB en Leefmilieu

en

het college van gedeputeerde staten van Flevoland.

Procesverloop

Bij besluit van 25 april 2017 heeft het college aan Zuiderzee B.V. een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: de Wnb) verleend voor de uitbreiding van de veehouderij aan het Noordermeerpad 1 in Creil (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 2 september 2019 heeft de rechtbank het door MOB en Leefmilieu daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben MOB en Leefmilieu hoger beroep ingesteld.

Het college en Zuiderzee hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Zuiderzee heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft bij brieven van 26 januari 2021 aan MOB en Leefmilieu, het college en Zuiderzee medegedeeld dat zij er, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, rekening mee dienden te houden dat de beroepsgronden van MOB en Leefmilieu ter zitting ook inhoudelijk zouden worden behandeld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 10 februari 2021, waar MOB en Leefmilieu, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.M.H. Brinke-Schulte en A. Hellingwerf, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het college heeft bij het besluit van 25 april 2017 vergunning verleend voor de uitbreiding van het aantal vleesvarkens van de veehouderij en de toevoeging van twee warmtekrachtkoppelingsinstallaties op het perceel. Daarbij heeft het college toepassing gegeven aan het Programma Aanpak Stikstof 2015-2021 (hierna: het PAS) en is een AERIUS-berekening gemaakt van de stikstofdepositie van het project. Het besluit is voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Aangevallen uitspraak

2.       De rechtbank heeft het beroep op grond van artikel 6:13 van de Awb niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het niet indienen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit niet verschoonbaar is, omdat het besluit van 25 april 2017 niet is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit. In beide besluiten is het project conform de aanvraag vergund voor dezelfde diercategorieën, aantallen, stalsystemen en emissies. Het rechtsgevolg van het besluit van 25 april 2017 is volgens de rechtbank niet anders dan het beoogde rechtsgevolg van het ontwerpbesluit. Het feit dat de motivering van het besluit van 25 april 2017 is gewijzigd, doordat daaraan een andere AERIUS-berekening ten grondslag is gelegd, maakt niet dat MOB en Leefmilieu redelijkerwijs niet kan worden verweten dat zij geen zienwijzen hebben ingediend tegen het ontwerpbesluit, aldus de rechtbank.

Verschoonbaarheid van niet indienen van zienswijzen

3.       MOB en Leefmilieu betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het niet naar voren brengen van zienswijzen tegen het ontwerpbesluit niet verschoonbaar is. Zij voeren aan dat het besluit van 25 april 2017 is gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit, omdat de berekende stikstofdepositie op het habitattype H91DO Hoogveenbossen van het Natura 2000-gebied Rottige Meenthe en Brandemeer van 0,01 mol N/ha/jr is gewijzigd naar 0,14 mol N/ha/jr. Daarmee is volgens hen ook de reservering van de ontwikkelingsruimte gewijzigd. Daarnaast is bij het besluit van 25 april 2017 een voorschrift gewijzigd ten opzichte van het ontwerpbesluit. Gelet op deze wijzigingen ten opzichte van het ontwerpbesluit, is het niet naar voren brengen van zienswijzen verschoonbaar, aldus MOB en Leefmilieu. Ter zitting hebben zij onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, ook betoogd dat artikel 6:13 van de Awb in dit geval buiten toepassing moet blijven.

3.1.    Artikel 6:13 van de Awb luidt:

"Geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 naar voren heeft gebracht, geen bezwaar heeft gemaakt of geen administratief beroep heeft ingesteld."

3.2.    Vast staat dat MOB en Leefmilieu geen zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren hebben gebracht.

Onder verwijzing naar de uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, overweegt de Afdeling dat artikel 6:13 van de Awb niet kan worden tegengeworpen aan MOB en Leefmilieu, omdat het besluit van 25 april 2017 is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. In deze uitspraak heeft de Afdeling, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, overwogen dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken deze voorbereidingsprocedure is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet zal worden tegengeworpen aan belanghebbenden. Zaken over besluiten op grond van de Wabo, zoals het besluit van 25 april 2017, worden als omgevingsrechtelijke zaken beschouwd. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte aan MOB en Leefmilieu heeft tegengeworpen dat zij geen zienswijze naar voren hebben gebracht over het ontwerp van het besluit van 25 april 2017.

Het betoog slaagt reeds daarom.

Conclusie hoger beroep

4.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling alsnog de bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden inhoudelijk beoordelen, nu de rechtbank daaraan niet is toegekomen.

Programma Aanpak Stikstof 2015-2021

5.       De strekking van het beroep is - kort gezegd - dat de bij het besluit van 25 april 2017 verleende vergunning niet kon worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt, omdat de passende beoordeling en het PAS niet voldoen aan artikel 6 van de Habitatrichtlijn.

6.       De Afdeling heeft in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, geoordeeld dat de passende beoordeling die aan het PAS ten grondslag ligt niet voldoet aan de eisen die uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn voortvloeien. Verder heeft zij geoordeeld dat Wnb-vergunningen niet kunnen worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die ten grondslag is gelegd aan het PAS. De Afdeling ziet geen aanleiding om in dit geval anders te oordelen.

Het voorgaande betekent dat het college de vergunning voor de uitbreiding van de veehouderij niet kon verlenen onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt. Het bestreden besluit is genomen in strijd met de artikelen 2.7 en 2.8 van de Wnb. De Wnb-vergunning kan daarom niet in stand blijven. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.

Conclusie beroep

7.       Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, overweging 39.8., kan het college voor een alsnog te nemen besluit op de aanvraag niet terugvallen op de eerder gevoerde procedure, nu het gaat om een Wnb-vergunning die vernietigd wordt omdat daaraan de passende beoordeling van het PAS ten grondslag is gelegd. De gevolgen van de aangevraagde activiteit moeten opnieuw in kaart worden gebracht en bovendien dient alsnog te worden beoordeeld of een passende beoordeling is vereist en als dat het geval is dient die alsnog te worden opgesteld.

8.       Het college moet de proceskosten van MOB en Leefmilieu vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 2 september 2019 in zaak nr. 17/2342;

III.      verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;

IV.     vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Flevoland van 25 april 2017, kenmerk 2041425;

V.      veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Flevoland tot vergoeding van de bij Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu in verband met de behandeling van het beroep en hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.136,00 (zegge: tweeduizend honderdzesendertig euro) met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

VI.     gelast dat het college van gedeputeerde staten van Flevoland aan Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en vereniging Leefmilieu het door hen voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 852,00 (zegge: achthonderdtweeënvijftig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.     

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2021

429-884.