Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1157

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
202101179/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 20 januari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring gesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2021/384
JV 2021/141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202101179/1/V3.

Datum uitspraak: 2 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's­Hertogenbosch, van 8 februari 2021 in zaak nr. NL21.1262 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 20 januari 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.

Bij mondelinge uitspraak van 8 februari 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Fonville, advocaat te Haarlem, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Overwegingen

Inleiding

1.       In de maatregel van bewaring heeft de staatssecretaris aangegeven dat de bewaring van de vreemdeling noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van zijn identiteit of nationaliteit en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn asielaanvraag (artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw 2000). Hoewel de vreemdeling daar niet in een beroepsgrond over heeft geklaagd, heeft de rechtbank overwogen dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld omdat de vreemdeling ten tijde van de zitting bij de rechtbank op 8 februari 2021 - negentien dagen na de inbewaringstelling - nog niet was gehoord over die aanvraag. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat de vreemdeling in deze zaak op 20 januari 2021 aan Nederland is overgedragen in het kader van de Dublinverordening. De staatssecretaris was dus al enige tijd op de hoogte van zijn komst en had volgens de rechtbank vanaf dat moment voorbereidingen kunnen treffen voor het behandelen van een eventuele asielaanvraag of voor de uitzetting van de vreemdeling.

Grief over ambtshalve toetsing door de rechtbank

2.       Bij verwijzingsuitspraak van 23 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:3034, heeft de Afdeling aan het Hof van Justitie de prejudiciële vraag gesteld of het Unierecht de rechtbank verplicht ambtshalve de rechtmatigheid van alle voorwaarden voor bewaring te toetsen. Bij verwijzingsuitspraak van 26 januari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:466, heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, drie aanvullende prejudiciële vragen gesteld aan het Hof over dit onderwerp. Het Hof heeft besloten deze zaken te voegen. In deze zaak klaagt de staatssecretaris in zijn eerste grief dat de rechtbank buiten de omvang van het geschil is getreden door ambtshalve te oordelen dat hij onvoldoende voortvarendheid heeft gehandeld. De beantwoording van de prejudiciële vragen zou daarom van belang kunnen zijn voor de beoordeling of de rechtbank in dit geval terecht ambtshalve de voortvarendheid van het handelen van de staatssecretaris heeft getoetst. De Afdeling ziet in het belang van de voortgang van de zaak echter aanleiding om voorbij te gaan aan de klacht over de ambtshalve toetsing, omdat deze rechtsvraag al voorligt bij het Hof.

Grief over de voortvarendheid van de behandeling van de asielaanvraag

3.       In zijn tweede grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende voortvarend heeft gehandeld. Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank niet onderkend dat artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 hem alleen verplicht om de asielaanvraag binnen de gestelde termijn van maximaal zes weken te behandelen en daarop te beslissen. Uit dat artikellid volgt volgens hem niet dat hij die handelingen ook binnen die maximale termijn voldoende voortvarend moet verrichten. In dat verband wijst de staatssecretaris onder meer op de uitspraak van de Afdeling van 12 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3139.

3.1.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 19 augustus 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1957, is artikel 8, derde lid, van de Opvangrichtlijn met artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 omgezet in nationaal recht. Verder zijn in de Opvangrichtlijn geen specifieke termijnen gesteld voor die inbewaringstelling. Daarin is alleen geregeld dat een vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden en alleen zo lang de in artikel 8, derde lid, genoemde redenen van toepassing zijn (artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn). Bij gebrek aan een specifieke termijn heeft de nationale wetgever ervoor gekozen die zelf te stellen in artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000. De Afdeling is van oordeel dat dit artikellid vervolgens wel conform artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn moet worden geïnterpreteerd. Dit betekent dat de termijn in artikel 59b, tweede lid, van de Vw 2000 moet worden gezien als maximale termijn waarbinnen de staatssecretaris voldoende voortvarend moet handelen om ervoor te zorgen dat de vreemdeling voor een zo kort mogelijke termijn in bewaring wordt gehouden. Gelet hierop klaagt de staatssecretaris tevergeefs dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij alleen verplicht is om de asielaanvraag van de vreemdeling binnen de maximale termijn van zes weken te behandelen en daarop te beslissen.

3.2.    De staatssecretaris klaagt echter terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij in dit geval onvoldoende voortvarend heeft gehandeld omdat de vreemdeling eerder een asielaanvraag heeft ingediend in Nederland, hij in het kader van de Dublinverordening is overgedragen aan Nederland en hij op 8 februari 2021 nog niet was gehoord over zijn tweede asielaanvraag. De rechtbank heeft niet onderkend dat in dit geval geen zelfstandige betekenis kan worden gehecht aan het niet of niet snel genoeg handelen van de staatssecretaris voorafgaand aan de inbewaringstelling. De staatssecretaris is pas vanaf het moment van inbewaringstelling verplicht om voldoende voortvarend te handelen. De Afdeling verwijst ter vergelijking naar haar uitspraken van 15 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BP0367, en van 23 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:352. In dit geval was pas bij aankomst in Nederland duidelijk dat de vreemdeling een nieuwe asielaanvraag wilde indienen. Het kan niet van de staatssecretaris worden verwacht dat hij daarop anticipeert met het inplannen van een asielgehoor. Ook kan niet van de staatssecretaris worden verwacht dat hij de overdragende lidstaat vraagt de overdracht uit te stellen in verband met capaciteitsproblemen bij het inplannen van een gehoor. De staatssecretaris heeft aangegeven dat het door drukte en gebrek aan capaciteit niet mogelijk was de vreemdeling al binnen een paar dagen na de inbewaringstelling te horen over zijn asielaanvraag. Verder was ten tijde van de zitting bij de rechtbank op 8 februari 2021 duidelijk dat het gehoor van de vreemdeling een dag later stond ingepland. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris onvoldoende voortvarend heeft gehandeld bij de behandeling van de asielaanvraag van de vreemdeling.

De grief slaagt.

Conclusie

4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 8 februari 2021 in zaak nr. NL21.1262;

III.      verklaart het beroep ongegrond;

IV.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Schippers

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2021

873