Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1154

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
02-06-2021
Datum publicatie
09-06-2021
Zaaknummer
202101878/2/R4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 15 juni 2020 heeft het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant maatwerkvoorschriften vastgesteld voor de inrichting van [verzoekster] aan de [locatie] in Helmond. [verzoekster] exploiteert aan de [locatie] in Helmond een inrichting voor het op- en overslaan en bewerken van meststoffen. Zij beschikt over een in 2014 verleende omgevingsvergunning voor de productie van mestkorrels met een capaciteit van 60.000 ton per jaar. Volgens het college is gebleken dat deze activiteit leidt tot geurhinder die een aanvaardbaar niveau als bedoeld in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit milieubeheer overschrijdt. Het college heeft hierin aanleiding gezien om op grond van het vierde lid van dat artikel maatwerkvoorschriften vast te stellen. Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe dat [verzoekster] tijdens de behandeling van haar hoger beroep niet hoeft te voldoen aan de maatwerkvoorschriften 1.1.1 tot en met 1.1.5.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202101878/2/R4.

Datum uitspraak: 2 juni 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) hangende het hoger beroep van:

[verzoekster], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 5 maart 2021 in zaken nrs. 20/1948, 20/2114, 20/2117, 21/191 en 21/193 in het geding tussen onder meer:

[verzoekster]

en

het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant (hierna: het college).

Procesverloop

Bij besluit van 15 juni 2020 heeft het college maatwerkvoorschriften vastgesteld voor de inrichting van [verzoekster] aan de [locatie] in Helmond.

Bij uitspraak van 5 maart 2021, voor zover hier van belang, heeft de rechtbank het door [verzoekster] tegen het besluit van 15 juni 2020 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het de maatwerkvoorschriften 1.1.2, 1.1.3 (tweede volzin), 1.1.6, 1.1.7, 1.1.9, 1.1.10 en 1.1.13 betreft en zelf voorziend nieuwe maatwerkvoorschriften 1.1.2, 1.1.9 en 1.1.13 vastgesteld.

Tegen deze uitspraak heeft [verzoekster] hoger beroep ingesteld. [verzoekster] heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 20 mei 2021, waar [verzoekster], vertegenwoordigd door mr. ing. L.J. Wildeboer, advocaat te Amsterdam, en door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Dam-Benders, ing. H.L. Aarle en ir. Th.F.A.M. Teunissen, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting als partij gehoord het college van burgemeester en wethouders van Helmond, vertegenwoordigd door M.J.A. Maas en ing. C.M.E.M. Aquina, en Belangenvereniging Wijkraad Brouwhuis, vertegenwoordigd door mr. V. Wösten, rechtsbijstandverlener te Den Haag, en door [gemachtigde C] en [gemachtigde D].

Overwegingen

1.       Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.

2.       [verzoekster] exploiteert aan de [locatie] in Helmond een inrichting voor het op- en overslaan en bewerken van meststoffen. Zij beschikt over een op 5 december 2014 door het college verleende omgevingsvergunning voor de productie van mestkorrels met een capaciteit van 60.000 ton per jaar. Volgens het college is gebleken dat deze activiteit leidt tot geurhinder die een aanvaardbaar niveau als bedoeld in artikel 2.7a van het Activiteitenbesluit milieubeheer overschrijdt. Het college heeft hierin aanleiding gezien om op grond van het vierde lid van dat artikel maatwerkvoorschriften vast te stellen.

3.       Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe dat [verzoekster] tijdens de behandeling van haar hoger beroep niet hoeft te voldoen aan de maatwerkvoorschriften 1.1.1 tot en met 1.1.5. [verzoekster] voert ter motivering van haar verzoek onder meer aan dat het voor haar niet mogelijk is om met onmiddellijke ingang aan deze maatwerkvoorschriften te voldoen, dat er ingrijpende kosten mee zijn gemoeid en dat aan de in maatwerkvoorschrift 1.1.1 opgenomen geurnorm geen deugdelijke bepaling van het aanvaardbaar geurhinderniveau ten grondslag ligt. Zij verwijst in dat verband naar de uitspraak van de Afdeling van 24 maart 2021, ECLI:NL:RVS:2021:621, waarin een eerder besluit van het college tot het vaststellen van maatwerkvoorschriften voor de inrichting van [verzoekster] van 25 april 2018 is vernietigd, omdat het aanvaardbaar geurhinderniveau niet deugdelijk was bepaald. Volgens [verzoekster] bouwt het besluit van 15 juni 2020 voort op het besluit van 25 april 2018.

4.       In maatwerkvoorschrift 1.1.1 is bepaald dat de geuremissie uit de centrale schoorsteen gedurende de dagen maandag tot en met vrijdag direct na het in werking treden van dit maatwerkvoorschrift niet meer mag bedragen dan 418 MouE (niet hedonisch gewogen) per uur, gedurende 6000 uren per jaar. De productie van gedroogde mest mag niet buiten de vijf werkdagen per week (maandag 0:00 uur tot en met vrijdag 24:00 uur) plaatsvinden.

De maatwerkvoorschriften 1.1.2, 1.1.3, 1.1.4 en 1.1.5 bevatten eisen met betrekking tot (de monitoring van) het rendement en de werking van het in de inrichting toegepaste actief koolfilter.

5.       In de uitspraak van 24 maart 2021 heeft de Afdeling geoordeeld dat het college bij het nemen van het besluit van 25 april 2018 niet op juiste wijze aan de hand van de in artikel 2.7a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer onder a tot en met f vermelde aspecten had bepaald wat in dit geval een aanvaardbaar geurhinderniveau is. Daarbij heeft de Afdeling onder meer overwogen dat het college bij het bepalen van dat niveau niet zonder meer kan terugvallen op de oude geurnormen uit de omgevingsvergunning van 5 december 2014.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat het besluit van 15 juni 2020 niet voortbouwt op het besluit van 25 april 2018, maar dat uit het besluit van 15 juni 2020 blijkt van een zelfstandige en volledige beoordeling aan de hand van alle in artikel 2.7a, derde lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer genoemde aspecten. Daargelaten of dit uit dat besluit blijkt, moet naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter worden geconcludeerd dat die beoordeling dan kennelijk niet in overeenstemming is met hetgeen de Afdeling in de uitspraak van 24 maart 2021 heeft overwogen over het terugvallen op de oude geurnormen uit de omgevingsvergunning van 5 december 2014. Uit het verweerschrift van het college naar aanleiding van het hoger beroep en uit het verhandelde ter zitting blijkt namelijk dat het college nog steeds van mening is dat het aanvaardbaar geurhinderniveau reeds is bepaald met de in het oude voorschrift 5.2.1 van de omgevingsvergunning van 5 december 2014 opgenomen geurnorm en dat het niet opnieuw het aanvaardbaar geurhinderniveau hoeft vast te stellen. Het college acht, zo begrijpt de voorzieningenrechter, de uitspraak van 24 maart 2021 in zoverre onjuist. Van dit laatste gaat de voorzieningenrechter niet uit.

6.       Nu aan het besluit van 15 juni 2020 in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het eerdere besluit van 25 april 2018 bestaat in ieder geval aanleiding om maatwerkvoorschrift 1.1.1 gedurende de behandeling van het hoger beroep van [verzoekster] te schorsen.

7.       Naar aanleiding van een pleidooi van Belangenvereniging Wijkraad Brouwhuis is ter zitting gesproken over de mogelijkheid om, bij schorsing van maatwerkvoorschrift 1.1.1, de andere in het verzoek genoemde maatwerkvoorschriften, in het bijzonder maatwerkvoorschrift 1.1.2, dat een minimaal rendement van het actief koolfilter van 80% eist, wel gedurende de behandeling van het hoger beroep van [verzoekster] hun gelding te laten behouden. Verder is gesproken over de mogelijkheid om bij schorsing van ook die maatwerkvoorschriften aan [verzoekster] tijdelijk de verplichting op te leggen om het actief koolfilter elke anderhalve maand te vervangen in plaats van elke drie tot vier maanden, zoals nu gebeurt.

In reactie op dit pleidooi heeft [verzoekster] aangevoerd dat de maatwerkvoorschriften 1.1.2 tot en met 1.1.5 zijn gesteld om te bewerkstelligen dat aan de in maatwerkvoorschrift 1.1.1 opgenomen geurnorm wordt voldaan en daar dus onlosmakelijk mee samenhangen. Een tijdelijke verplichting om het actief koolfilter elke anderhalve maand te vervangen zou volgens haar veel extra kosten met zich brengen, terwijl niet inzichtelijk is wat het effect hiervan zou zijn voor het terugbrengen van geurniveaus in de omgeving. Het opleggen van een dergelijke verplichting zou dan ook willekeurig zijn, te meer nu nog steeds niet deugdelijk is bepaald wat hier het aanvaardbaar geurhinderniveau is, aldus [verzoekster]. [verzoekster] heeft verder aangevoerd dat, hoewel zij het standpunt van het college, dat voorschrift 5.2.1 van de vergunning van 5 december 2014 op grond van artikel 2.8a van het Activiteitenbesluit milieubeheer is blijven gelden als maatwerkvoorschrift, betwist, zij zich in de praktijk op grond van een last onder dwangsom wel aan de in dat voorschrift opgenomen geurnorm houdt. Dat betekent volgens haar dat gedurende de behandeling van haar hoger beroep niet hoeft te worden gevreesd voor onaanvaardbare geurniveaus in de omgeving.

Uit het verhandelde ter zitting leidt de voorzieningenrechter af dat ook het college van mening is dat de maatwerkvoorschriften 1.1.2 tot en met 1.1.5 niet los kunnen worden gezien van maatwerkvoorschrift 1.1.1. En dat ook het college een tijdelijke verplichting om het actief koolfilter elke anderhalve maand te vervangen niet geschikt acht als zelfstandige geurmaatregel, omdat de effecten van (alleen) die maatregel, afgezet tegen de kosten daarvan, onvoldoende inzichtelijk zijn. Onder die omstandigheden ziet de voorzieningenrechter geen goede reden om de maatwerkvoorschriften 1.1.2 tot en met 1.1.5 hun gelding te laten behouden of aan [verzoekster] de genoemde tijdelijke verplichting op te leggen.

8.       Gelet op het voorgaande, zal de voorzieningenrechter de maatwerkvoorschriften 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3, 1.1.4 en 1.1.5 gedurende de behandeling van het hoger beroep van [verzoekster] schorsen.

9.       Het college moet de proceskosten van [verzoekster] vergoeden.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 15 juni 2020, voor zover het de daarbij vastgestelde maatwerkvoorschriften 1.1.1, 1.1.2, 1.1.3, 1.1.4 en 1.1.5 betreft, en het door de rechtbank Oost-Brabant in de uitspraak van 5 maart 2021, in zaken nrs. 20/1948, 20/2114, 20/2117, 21/191 en 21/193, vastgestelde maatwerkvoorschrift 1.1.2;

II.       veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

III.      gelast dat het college van gedeputeerde staten van Noord-Brabant aan [verzoekster] het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht ten bedrage van € 541,00 (zegge: vijfhonderdeenenveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. M.P.J.M. van Grinsven, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. 

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 2 juni 2021

462.