Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:115

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
20-01-2021
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
202001214/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2020:838, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 22 januari 2014 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken. [appellant] verblijft sinds 21 januari 1999 in Nederland. Op 9 november 2004 heeft hij een verzoek om verlening van het Nederlanderschap ingediend. Het verzoek is ingewilligd in september 2006. De staatssecretaris heeft het Nederlanderschap van [appellant] krachtens artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap ingetrokken, omdat hij in de toelatings- en naturalisatieprocedure heeft gezwegen over zijn rol bij de gebeurtenissen in Rwanda voorafgaand aan en tijdens de genocide in 1994, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat die informatie relevant was voor het verzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Burgerlijke stand en landeninformatie 2021/5616
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001214/1/V6.

Datum uitspraak: 20 januari 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 14 februari 2020 in zaak nr. 18/2181 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 22 januari 2014 heeft de staatssecretaris het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken.

Bij besluit van 21 september 2017 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 februari 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Desgevraagd heeft de minister van Buitenlandse Zaken de aan het individueel ambtsbericht van 31 augustus 2016 (hierna: het individueel ambtsbericht) ten grondslag liggende stukken overgelegd en krachtens artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht meegedeeld dat wegens gewichtige redenen alleen de Afdeling van bepaalde gedeelten ervan zal mogen kennisnemen. De Afdeling heeft in een andere samenstelling beslist dat gewichtige redenen deze beperking van de kennisneming rechtvaardigen. De staatssecretaris heeft toestemming als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb verleend om mede op basis van deze stukken uitspraak te doen.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 oktober 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. C.M. Buisman, advocaat te Amsterdam, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en mr. M.M. Favier, zijn verschenen. [appellant] heeft ter zitting toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.

Overwegingen

1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.       [appellant] verblijft sinds 21 januari 1999 in Nederland. Op 9 november 2004 heeft hij een verzoek om verlening van het Nederlanderschap (hierna: het verzoek) ingediend. Het verzoek is ingewilligd bij Koninklijk Besluit van 11 september 2006. De staatssecretaris heeft het Nederlanderschap van [appellant] krachtens artikel 14, eerste lid, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (hierna: de RWN) ingetrokken, omdat hij in de toelatings- en naturalisatieprocedure heeft gezwegen over zijn rol bij de gebeurtenissen in Rwanda voorafgaand aan en tijdens de genocide in 1994, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs kon vermoeden, dat die informatie relevant was voor het verzoek. Onder verwijzing naar het artikel 1(F)-onderzoek van de unit 1F van de Immigratie- en Naturalisatiedienst van 13 mei 2013 (hierna: het artikel 1(F)-onderzoek), een brief van de hoofdofficier van justitie bij het Landelijk Parket in Rotterdam van 12 maart 2015 (hierna: de brief van de hoofdofficier van justitie) en het individueel ambtsbericht, brengt de staatssecretaris [appellant] in verband met het aansturen en faciliteren van Hutu-milities en het voorbereiden van aanvallen op en het doden en opdracht geven tot het doden van personen van Tutsi-afkomst. Hierdoor zijn er ernstige redenen om te veronderstellen dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan één of meer gedragingen als genoemd in artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag (hierna: artikel 1(F)). Indien de staatssecretaris tijdens het verzoek om naturalisatie bekend zou zijn geweest met deze informatie zou hij het verzoek op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN hebben afgewezen, omdat er dan ernstige vermoedens zouden bestaan dat [appellant] een gevaar vormt voor de openbare orde.

Individueel ambtsbericht

3.       Uit het individueel ambtsbericht blijkt dat [appellant] in de periode van 1989 tot 1994 directeur was van [naam instelling], een instelling voor hoger onderwijs. Meer dan één bron heeft bevestigd dat [appellant] samen met enkele personeelsleden van [instelling] vanaf 1991 betrokken was bij de organisatie van moorden op Tutsi's. [instelling] had haar eigen militie, genaamd de Amahindure, die gebaseerd was op de Hutu-power ideologie en direct onder het bevel en beheer stond van [appellant]. De taak van de Amahindure was het opsporen en vermoorden van tegenstanders van het regime van de voormalig Rwandese president Habyarimana (hierna: Habyarimana), die werden geclassificeerd als Tutsi's. [appellant] regelde personeel en studenten van [instelling] voor het doden van Tutsi's op het terrein van het [instelling] en de omgeving. Daarnaast was hij verantwoordelijk voor het segregatiebeleid op [instelling], wat inhield dat Tutsi's altijd duidelijk te identificeren moesten zijn en constant vernederd en geïsoleerd werden van medestudenten. Meerdere bronnen hebben bevestigd dat [appellant] in de periode van 1988 tot 1994 ook een belangrijke positie bekleedde bij de Mouvement Révolutionnaire National pour le Développement (hierna: de MRND) en dat hij behoorde tot de Akazu: een groep van Hutu-extremisten die vertrouwelingen waren van Habyarimana. [appellant] was ook medeoprichter en aandeelhouder van de [Hutu-extremistische krant] en het [radiostation]. Via deze media verspreidde hij de door hem aangehangen Hutu-power ideologie onder de bevolking. Hij was verantwoordelijk voor het organiseren van milities bij [instelling] en in de Mukingo commune, propagandeerde ook onder deze milities de Hutu-power ideologie en zette hen aan tot het doden van Tutsi's. Hij voorzag de milities, waaronder ook de Amahindure, van wapens, voedsel en voertuigen en gaf hun financiële en administratieve ondersteuning. [appellant] nam verder deel aan bijeenkomsten die gericht waren op het plannen van moorden op Tutsi's. Zo is gebleken dat hij op 7 april 1994 deelnam aan een vergadering waarin de start en uitvoering van het doden van Tutsi's in de Mukingo commune werd voorbereid. Deze vergadering vond plaats in het huis van de moeder van [voormalig minister]. Verder is gebleken dat [appellant] door de openbaar aanklager van Rwanda is aangeklaagd voor het plannen, organiseren en uitvoeren van het doden van Tutsi's als onderdeel van genocide, maar dat hij nog niet (bij verstek) is veroordeeld.

Aangevallen uitspraak

4.       De rechtbank heeft de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht ingezien en heeft geoordeeld dat het individueel ambtsbericht op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen. [appellant] heeft volgens de rechtbank geen concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de juistheid van het individueel ambtsbericht. De rechtbank heeft daarom geen aanleiding gezien om gebruik te maken van haar bevoegdheid om een deskundige te benoemen. De afzonderlijke feiten, mede in onderlinge samenhang bezien, en de onderzoeksresultaten vormen voldoende basis voor het ernstige vermoeden dat de gedragingen van [appellant] zijn aan te merken als het faciliteren van de genocide in Rwanda in de periode april tot juli van 1994. Omdat hij hierover heeft gezwegen, heeft de staatssecretaris volgens de rechtbank terecht het Nederlanderschap van [appellant] ingetrokken.

Intrekking van het Nederlanderschap op basis van vermoedens en schending van het verbod op discriminatie

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft gehanteerd voor de toepassing van artikel 14, eerste lid, van de RWN door ervan uit te gaan dat alleen al een vermoeden dat iemand schuldig is aan het verzwijgen van ernstige misdrijven voldoende is voor intrekking van het Nederlanderschap. [appellant] voert aan dat artikel 14, eerste lid, van de RWN vereist dat de verzwegen misdrijven bewezen moet zijn. Dit kan volgens [appellant] in dit geval alleen als de deelname aan genocide is bewezen. Het standpunt van de staatssecretaris dat hij via artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN gebruik maakt van de systematiek van artikel 1(F) en in dat kader kan volstaan met een 'redelijk vermoeden' van deelname aan genocide, verdraagt zich niet met artikel 14, eerste lid, van de RWN en is dus in strijd met het legaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel. Volgens [appellant] gaat het bij de toepassing van artikel 14 van de RWN om intrekking van het Nederlanderschap, waarvoor de wetgever hard bewijs vereist, terwijl het bij de toepassing van artikel 9 van die wet gaat om het al dan niet verlenen van de nationaliteit, waarvoor de wetgever heeft volstaan met een bewijsvermoeden. Door dit niet te onderkennen heeft de rechtbank volgens [appellant] ook de hoge en bijzondere bewijsstandaard van artikel 1(F) niet op de juiste wijze toegepast. Onder verwijzing naar het arrest van het Hof van Justitie van 16 oktober 2019, Glencore, ECLI:EU:C:2019:861, betoogt [appellant] dat de staatssecretaris, in het licht van artikel 20 van het VWEU, bij de intrekking van Unieburgerschap met objectieve gegevens genoegzaam moet bewijzen dat sprake is van het verzwijgen van ernstige misdrijven. De door de staatssecretaris toegepaste constructie leidt tot schending van het verbod op discriminatie van artikel 21 van het EU Handvest, omdat Nederlanders die van oorsprong vluchteling zijn, als bedoeld in artikel 1(F), op basis van vermoedens hun Unieburgerschap kunnen verliezen, terwijl dit niet geldt voor Nederlanders die niet van oorsprong vluchteling zijn. Daarnaast discrimineert de staatssecretaris hem ook wegens zijn dubbele nationaliteit, aldus [appellant]. De intrekking van het Nederlanderschap kan immers alleen plaatsvinden, omdat [appellant] de Rwandese nationaliteit nog bezit en de intrekking dus niet leidt tot staatloosheid. Hij wordt dus niet gelijk behandeld met vluchtelingen die hun nationaliteit automatisch verliezen bij het verkrijgen van het Nederlanderschap, waardoor het Nederlanderschap achteraf niet kan worden ingetrokken ter voorkoming van staatloosheid.

5.1.    Om het Nederlanderschap van [appellant] krachtens artikel 14, eerste lid, van de RWN in te kunnen trekken moet de staatssecretaris, in het licht van paragraaf 2 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, en paragrafen 2 en 2.2 van de toelichting op artikel 14, eerste lid, van de RWN, vervat in de Handleiding RWN, nagaan of [appellant] in aanmerking zou zijn gekomen voor het Nederlanderschap, indien hij ten tijde van het verzoek bekend was geweest met zijn rol bij de genocide in Rwanda. Uit de memorie van toelichting bij de RWN (Kamerstukken II 1997/98, 25 891, nr. 3, p. 14) volgt niet dat de wetgever heeft beoogd dat de staatssecretaris hierbij moet nagaan of het verzwegen feit, in dit geval de betrokkenheid van [appellant] bij de genocide in Rwanda, is bewezen.

De staatssecretaris heeft op basis van de informatie uit het artikel 1(F)-onderzoek, de brief van de hoofdofficier van justitie en het individueel ambtsbericht geconcludeerd dat er ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1(F) en dat hij hierover heeft gezwegen. Een dergelijke conclusie maakt dat de staatssecretaris zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat [appellant] het Nederlanderschap niet zou hebben verkregen als de thans bekende informatie over zijn betrokkenheid bij de genocide tijdens zijn verzoek om verkrijging van het Nederlanderschap beschikbaar was geweest, omdat er dan ernstige vermoedens zouden bestaan dat hij een gevaar oplevert voor de openbare orde, goede zeden of de veiligheid van het Koninkrijk als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN. Betrokkenheid bij genocide is een relevant feit als bedoeld in artikel 14, eerste lid, van de RWN en de staatssecretaris heeft geen onjuiste maatstaf gehanteerd voor de toepassing van deze bepaling. Van strijd met het legaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake, omdat deze systematiek voor de intrekking van het Nederlanderschap volgt uit de RWN en de Handleiding RWN.

Het betoog dat de staatssecretaris, gelet op het arrest Glencore, in het licht van artikel 20 van het VWEU, bij de intrekking van het Unieburgerschap met objectieve gegevens genoegzaam moet bewijzen dat sprake is van het verzwijgen van ernstige misdrijven en dat vermoedens onvoldoende zijn, faalt, alleen al omdat dit arrest gaat over de bewijsvoering in het licht van Richtlijn 2006/112/EG over het stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw). De bewijsvoering in het kader van artikel 14 van de RWN kan niet daarmee worden gelijkgesteld. Het betoog dat de door de staatssecretaris toegepaste constructie leidt tot schending van het verbod op discriminatie in de zin van artikel 21 van het EU Handvest, faalt eveneens. Immers, de staatssecretaris kan krachtens artikel 14, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN, ook het Nederlanderschap intrekken van Nederlanders die van oorsprong niet als vluchteling zijn toegelaten en die enig relevant feit voor de verkrijging van het Nederlanderschap hebben verzwegen. Verder wordt [appellant] niet anders behandeld dan vluchtelingen die bij het verkrijgen van het Nederlanderschap hun andere nationaliteit automatisch verliezen. Immers, ingevolge artikel 14, achtste lid, gelezen in samenhang met het eerste lid, van de RWN kan intrekking van het Nederlanderschap wegens een valse verklaring, bedrog of verzwijging van een relevant feit ook plaatsvinden als dit leidt tot staatloosheid. Van een schending van het verbod op discriminatie in de zin van artikel 21 van het EU Handvest is dus geen sprake.

Het betoog faalt.

Totstandkoming en inhoud van het Individueel ambtsbericht

6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte het individueel ambtsbericht als een deskundigenbericht heeft aangemerkt en ten onrechte heeft geoordeeld dat het zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is. Hiertoe voert hij aan dat de minister van Buitenlandse Zaken een groot deel van de informatie heeft weggelakt, zodat hij niet kan achterhalen welke bronnen zijn geraadpleegd. Verder bevat het individueel ambtsbericht weinig informatie, zijn de verdenkingen vaag geformuleerd en is er onvoldoende rekening gehouden met de algemeen bekende kritiek op de betrouwbaarheid van Rwandese getuigenverklaringen. In dit verband heeft [appellant] een rapport van [rapporteur] overgelegd, waaruit volgt dat anonieme getuigen in Rwanda onbetrouwbaar zijn en er onvoldoende bewijs is om hem te beschuldigen van genocide. Hij voert verder aan dat de vertrouwenspersoon de waarheidsvinding heeft belemmerd door suggestieve vragen te stellen aan de bronnen. Ook is het individueel ambtsbericht gebaseerd op geruchten en clichés die het Rwanda Tribunaal in andere zaken ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank heeft niet onderkend dat hij concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor twijfel aan de juistheid van de inhoud van het individueel ambtsbericht. [appellant] wijst op de verklaringen van [een voormalig Rwandese minister], en de studenten en personeelsleden die op de campus van [instelling] in [plaats] woonden en werkten. Hieruit volgt volgens [appellant] dat, anders dan in het individueel ambtsbericht staat, [instelling] in 1993 is verhuisd, hij niet heeft deelgenomen aan de gestelde bijeenkomst in het huis van de moeder van [voormalig minister] en dat niet is gebleken dat hij oprichter en financier was van de Amahindure militie.

6.1.    Een individueel ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken is een deskundigenadvies aan de staatsecretaris voor de uitoefening van zijn bevoegdheden (vgl. de uitspraak van de Afdeling van 29 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2171). Indien het op onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze informatie verschaft mag de staatssecretaris bij de besluitvorming van de juistheid van die informatie uitgaan, tenzij concrete aanknopingspunten bestaan voor twijfel aan die juistheid. Verder heeft de minister van Buitenlandse Zaken een door hem bij het opstellen van een individueel ambtsbericht ingeschakelde vertrouwenspersoon zorgvuldig geselecteerd en hoeft deze niet uitdrukkelijk te verklaren dat hij voor de betrouwbaarheid van de informatie afkomstig van derden instaat.

6.2.    De Afdeling heeft aanleiding gezien om de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht in te zien en is van oordeel dat uit deze stukken volgt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat wat [appellant] heeft aangevoerd niet leidt tot de conclusie dat het individueel ambtsbericht onzorgvuldig tot stand is gekomen of dat de conclusies van het individueel ambtsbericht onbetrouwbaar zijn. In zijn brief van 5 september 2016 heeft de minister van Buitenlandse Zaken toegelicht dat hij bepaalde passages in de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht heeft weggelakt ter bescherming van onder meer de geraadpleegde bronnen en de bij het onderzoek gehanteerde methoden. Hiermee heeft hij inzichtelijk gemaakt welke belangenafweging ten grondslag ligt aan het weglakken van informatie. Het individueel ambtsbericht is verder in duidelijke bewoordingen opgesteld en is gebaseerd op concrete en gedetailleerde verklaringen van de door de vertrouwenspersoon geraadpleegde bronnen. Dat de door [appellant] aangehaalde bronnen de betrouwbaarheid van Rwandese getuigenverklaringen in twijfel trekken, leidt niet tot het oordeel dat alleen al daarom de verklaringen die de getuigen tegenover de vertrouwenspersoon hebben afgelegd onbetrouwbaar of vals zijn. Uit het individueel ambtsbericht volgt bovendien niet dat de vertrouwenspersoon een suggestieve vraagstelling heeft gehanteerd en daarmee de waarheidsvinding heeft belemmerd. Met het rapport van [rapporteur] heeft [appellant] geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht voor twijfel aan de juistheid van de inhoud van het individueel ambtsbericht. Anders dan [appellant] betoogt, is het rapport niet aan te merken als een deskundigenrapport, omdat onduidelijk is welke dossierstukken [rapporteur] heeft bestudeerd bij het opstellen van dit rapport en de hierin opgenomen bevindingen algemeen van aard zijn. Het betoog dat de rechtbank ten onrechte conclusies heeft verbonden aan het feit dat hij onderdeel uitmaakt van de Habyarimana familie, faalt. De rechtbank heeft namelijk gemotiveerd uiteengezet dat de betrokkenheid van [appellant] bij de Akazu, gelet op zijn achtergrond, volgt uit het individueel ambtsbericht, de resultaten van het artikel 1(F)-onderzoek, de bijlage bij de correcties en aanvullingen van het verslag van de hoorzitting in de asielprocedure van 14 augustus 2000 en het rapport 'Broadcasting Genocide, Censorship, propaganda & state-sponsored violence in Rwanda 1990-1994'. Met de enkele stelling dat het Rwanda tribunaal dit ongeloofwaardig heeft geacht in andere zaken, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat hij niet behoorde tot de Akazu. Over de door [appellant] overgelegde verklaringen van onder meer [voormalig minister] en studenten en personeelsleden heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat van deze getuigenverklaringen niet vaststaat dat deze op voldoende onpartijdige, objectieve en inzichtelijke wijze tot stand zijn gekomen om concrete aanknopingspunten te kunnen vormen voor twijfel aan de juistheid van de inhoud van het individueel ambtsbericht. De getuigenverklaringen zijn immers afkomstig van bekenden van [appellant], zodat aan deze verklaringen niet de waarde kan worden gehecht die hij daaraan gehecht wenst te zien.

Het betoog faalt.

Beginsel van effectieve rechtsbescherming

7.       [appellant] betoogt dat de bewijskracht die de rechtbank heeft toegekend aan het individueel ambtsbericht niet verenigbaar is met het beginsel van effectieve rechtsbescherming neergelegd in artikel 47 van het EU Handvest, dat vereist dat de rechterlijke instantie moet kunnen controleren of de bewijzen waarop een besluit steunt, zijn verkregen met inachtneming van de door het Unierecht gewaarborgde rechten. Volgens [appellant] is deze controle niet mogelijk, omdat de rechter in beginsel uitgaat van de juistheid van de inhoud van het individueel ambtsbericht en een doeltreffende rechterlijke toetsing daarmee ontbreekt. Daarom had de rechtbank, gelet op het arrest van het Hof van 17 december 2015, WebMindLicenses, ECLI:EU:C:2015:832, het individueel ambtsbericht buiten beschouwing moeten laten.

7.1.    De verwijzing naar het hiervoor genoemde arrest treft geen doel, alleen al omdat dit gaat over de situatie dat de belastingdienst gebruik maakt van bewijzen die in een parallelle nog niet afgesloten strafprocedure zijn verkregen om misbruik inzake btw vast te stellen. Die situatie is hier niet aan de orde. Van belang is dat de rechtbank krachtens artikel 8:29 van de Awb inzage heeft gehad in de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht en heeft getoetst of de staatssecretaris het besluit daarop heeft kunnen baseren. Hiermee heeft de rechtbank voldaan aan het vereiste uit het arrest van het Hof van 4 juni 2013, ZZ tegen Secretary of State for the Home Department, ECLI:EU:C:2013:363, punten 65-68, dat de rechter, in het licht van artikel 47 van het EU Handvest, erop toeziet dat, ingeval de bevoegde nationale autoriteit de redenen die ten grondslag liggen aan een besluit en het daarop betrekking hebbende bewijsmateriaal niet nauwkeurig en volledig bekend heeft gemaakt aan de betrokkene, dit beperkt blijft tot het strikt noodzakelijke. Volgens dit arrest ziet de rechter er verder op toe dat de bevoegde nationale autoriteit aan de betrokkene hoe dan ook de essentie van die redenen op zodanige wijze heeft meegedeeld dat hij naar behoren rekening heeft gehouden met de noodzakelijke vertrouwelijkheid van het bewijsmateriaal. De geheimhoudingskamer van de rechtbank heeft, evenals die van de Afdeling, beslist dat de beperking van de kennisneming van de aan het individueel ambtsbericht ten grondslag liggende stukken gerechtvaardigd is, zodat ook aan dit vereiste is voldaan. Daarom is de bewijskracht die de rechtbank heeft toegekend aan het individueel ambtsbericht verenigbaar met het beginsel van effectieve rechtsbescherming als bedoeld in artikel 47 van het EU Handvest.

Het betoog faalt.

Onschuldpresumptie

8.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de quasi strafrechtelijke aard van deze procedure met zich brengt dat artikel 6, tweede en derde lid, van het EVRM en artikel 48 van het EU Handvest van toepassing zijn. In dat licht betoogt [appellant], onder verwijzing naar onder meer het arrest van het EHRM van 8 juni 1976, Engel en anderen tegen Nederland, ECLI:CE:EHCR:1976:0608JUD000510071, dat zowel de staatssecretaris als de rechtbank in strijd met de onschuldpresumptie een oordeel heeft geven over zijn schuld aan genocide zonder dat dit in een strafrechtelijke procedure is komen vast te staan.

8.1.    Volgens de toelichting bij artikel 48 van het EU Handvest is met dit artikel hetzelfde beoogd als met artikel 6, tweede en derde lid, van het EVRM. Uit artikel 52, derde lid, van het EU Handvest volgt dat bij de toetsing aan artikel 48 van het EU Handvest rekening moet worden gehouden met de jurisprudentie van het EHRM.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, leidt zij uit de rechtspraak van het EHRM af dat, wil de onschuldpresumptie van artikel 6, tweede lid, van het EVRM, van toepassing zijn, hetzij sprake moet zijn van een 'criminal charge', hetzij sprake moet zijn van een niet-punitieve bestuursrechtelijke procedure waaraan parallel een strafrechtelijke procedure loopt of heeft gelopen (zie de uitspraak van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4038). In paragraaf 82 van het arrest Engel heeft het EHRM drie criteria geformuleerd om te bepalen of sprake is van een criminal charge. Ten eerste is van belang de classificatie van de intrekking naar nationaal recht, ten tweede de aard van de overtreding - mede bezien in relatie tot het doel van de sanctie - en ten derde de zwaarte van de maatregel. De laatste twee criteria zijn niet cumulatief, maar kunnen wel in onderlinge samenhang worden bezien.

8.2.    De intrekking van het Nederlanderschap is naar de classificatie van nationaal recht een bestuurlijke maatregel. In paragraaf 2 van de toelichting op artikel 14, eerste lid, van de RWN, vervat in de Handleiding RWN, staat dat de intrekking geen sanctie is voor frauduleuze handelingen, maar tot doel heeft de gevolgen van het frauduleus handelen te corrigeren. De maatregel is gericht op een specifieke groep, namelijk Nederlanders die ten tijde van hun verzoek om het Nederlanderschap valse verklaringen hebben afgelegd, bedrog hebben gepleegd of relevante feiten hebben verzwegen. Volgens de Handleiding RWN overweegt de staatssecretaris intrekking slechts indien de betrokkene, ware de fraude, het bedrog of de verzwijging van relevante feiten tijdig bekend geweest, niet voor verlening van het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen. Van de intrekking kan worden afgezien als de afweging van de bij intrekking betrokken belangen daartoe aanleiding geven. Gelet hierop, is de intrekking van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, eerste lid, van de RWN geen punitieve sanctie.

Bij het beoordelen van de zwaarte van de maatregel is van belang of de maatregel is bedoeld om leed toe te voegen en of de maatregel zodanig zwaar is dat deze daardoor als punitief moet worden beschouwd. De zwaarte van de maatregel wordt beoordeeld aan de hand van objectieve maatstaven; hoe de betrokkene de maatregel subjectief ervaart is hierbij in het algemeen niet van belang. De Afdeling is van oordeel dat de intrekking van het Nederlanderschap weliswaar een ingrijpende maatregel is met verstrekkende gevolgen, maar dat de intrekking niet is gericht op leedtoevoeging. Met de intrekking beoogt de staatssecretaris immers de gevolgen van het ten onrechte verleende Nederlanderschap terug te draaien.

8.3.    Gezien het vorenstaande leidt toepassing van het eerste en tweede criterium op dit geval niet tot de conclusie dat hier sprake is van een 'criminal charge'. Ook als het tweede en derde criterium in onderlinge samenhang worden bezien, bestaat geen aanleiding om tot die conclusie te komen. Voor dit oordeel vindt de Afdeling steun in het arrest van het EHRM van 25 juni 2020, Ghoumid e.a. tegen Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2020:0625JUD005227316, waarin het EHRM heeft geoordeeld dat de intrekking van de Franse nationaliteit niet kan worden aangemerkt als een 'criminal charge' in de zin van artikel 4 van het Zevende Protocol bij het EVRM. Omdat [appellant] verder niet heeft gesteld dat parallel aan deze bestuursrechtelijke procedure een strafrechtelijke procedure loopt, is de onschuldpresumptie in de zin van artikel 6, tweede lid, van het EVRM en artikel 48 van het EU Handvest niet van toepassing.

Bovendien verricht de staatssecretaris de beoordeling of het Nederlanderschap krachtens artikel 14, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN moet worden ingetrokken aan de hand van andere maatstaven dan die, welke in het strafrecht worden gehanteerd om vast te stellen dat een verdachte schuldig is aan het ten laste gelegde feit (zie de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AS4585). Hierbij is niet vereist dat de betrokkene strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de hem aangerekende misdrijven, maar is slechts vereist dat er ernstige vermoedens bestaan om te veronderstellen dat deze zich daaraan schuldig heeft gemaakt. Anders dan [appellant] betoogt, hebben de staatssecretaris en de rechtbank geen oordeel gegeven over zijn schuld aan genocide, maar hebben zij terecht beoordeeld of er ernstige vermoedens bestaan om te veronderstellen dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan één of meerdere gedragingen als genoemd in artikel 1(F).

Het betoog faalt.

Beginsel van equality of arms

9.       [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van een schending van het beginsel van equality of arms in de zin van artikel 6 van het EVRM, omdat hij zich in een nadeligere positie bevindt dan de staatssecretaris. Zo heeft de rechtbank niet onderkend dat de staatssecretaris ten onrechte zijn verzoek heeft geweigerd om getuigen te horen die verbonden waren aan het ISAE. Ook heeft de rechtbank de door hem aangedragen feiten en het overgelegde bewijs verworpen zonder een zorgvuldige analyse of onderzoek, terwijl zij het door de staatssecretaris overgelegde anonieme en onverifieerbare bewijs wel heeft meegenomen in haar oordeel. De rechtbank heeft zijn verzoek om een deskundige te benoemen dan ook ten onrechte afgewezen. In het verlengde hiervan betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vergewisplicht niet van toepassing is op individuele ambtsberichten. Omdat [appellant] de totstandkoming en inhoud van het ambtsbericht niet of nauwelijks kan betwisten, is het voor hem moeilijk om een effectieve verdediging te voeren tegen de beschuldigingen. Dit heeft volgens hem ook een negatief effect op zijn recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM, omdat de schending van het beginsel van equality of arms twijfels met zich meebrengt over de objectiviteit van de Nederlandse staat, die in dit geval vertegenwoordigd wordt door de staatssecretaris.

9.1.    De Afdeling heeft in de uitspraak van 30 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1674, overwogen dat uit onder meer het arrest van het EHRM van 8 oktober 2015, Korošec tegen Slovenië, ECLI:CE:ECHR:2015:1008JUD007721212, voortvloeit dat het de taak van de bestuursrechter is om zo nodig compensatie te bieden indien een partij niet in een gelijke positie verkeert ten opzichte van de wederpartij. In dit geval moet beoordeeld worden of de staatssecretaris zich ervan heeft vergewist dat het individueel ambtsbericht zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is, [appellant] voldoende ruimte heeft gehad om het individueel ambtsbericht te betwisten en of hij met een contra-expertise de inhoudelijke juistheid van dat advies heeft betwist of met andere stukken concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan de inhoud daarvan.

9.2.    Het betoog van [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vergewisplicht niet van toepassing is op individuele ambtsberichten, berust op een verkeerde lezing van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk overwogen dat op de staatssecretaris de verplichting rust om zich ervan te vergewissen dat het door hem ingewonnen deskundigenadvies qua inhoud en procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is. Uit de brief van 4 september 2016 volgt dat het Bureau Land en Taal van de Immigratie en Naturalisatiedienst (het huidige Team Onderzoek en Expertise Land en Taal, hierna: TOELT) in het kader van de vergewisplicht van de staatssecretaris de zogenoemde 'REK-check' heeft uitgevoerd op het individueel ambtsbericht. TOELT heeft hierbij de onderliggende stukken van het individueel ambtsbericht ingezien en heeft aan de hand daarvan de onderbouwing, inzichtelijkheid, consistentie, volledigheid en zorgvuldigheid van het individueel ambtsbericht beoordeeld. Op basis van deze beoordeling heeft de staatssecretaris zich op het standpunt gesteld dat het individueel ambtsbericht naar inhoud en procedure zorgvuldig tot stand is gekomen en inhoudelijk inzichtelijk is. Hiermee heeft de staatssecretaris voldaan aan zijn vergewisplicht. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, heeft [appellant] in bezwaar en beroep de gelegenheid gehad het individueel ambtsbericht te betwisten met een contra-expertise of dit te weerspreken met andere stukken. Anders dan [appellant] betoogt, heeft hij dus een effectieve verdediging kunnen voeren tegen de beschuldigingen. [appellant] heeft echter geen contra-expertise ingebracht om het individueel ambtsbericht te betwisten. Gelet op wat onder 6.2 is overwogen, heeft [appellant] ook niet met andere stukken concrete aanknopingspunten aangevoerd voor twijfel aan de inhoud van het individueel ambtsbericht. Uit het verslag van de hoorzitting in bezwaar van 16 mei 2017 volgt dat de staatssecretaris het tijdens deze hoorzitting opgeworpen verzoek van [appellant] om getuigen te horen heeft afgewezen. Hierbij heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat [appellant], door het enkel verstrekken van een lijst met namen van personen die voor hem ontlastende verklaringen zouden kunnen afleggen, geen concreet aanknopingspunt heeft opgeworpen om te twijfelen aan de juistheid en volledigheid van het individueel ambtsbericht. Verder heeft de rechtbank gemotiveerd waarom zij in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding ziet gebruik te maken van haar bevoegdheid om een deskundige te benoemen. Het betoog dat sprake is van een schending van het beginsel van 'equality of arms' in de zin van artikel 6 van het EVRM dan wel van een negatief effect op het recht van [appellant] op een daadwerkelijk rechtsmiddel als bedoeld in artikel 13 van het EVRM, faalt.

Schending motiveringsplicht

10.     [appellant] betoogt dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met artikel 41 van het EU Handvest, omdat zij haar uitspraak niet deugdelijk heeft gemotiveerd. Zij heeft een groot deel van de door hem overgelegde stukken en aangevoerde argumenten onbesproken gelaten. De rechtbank heeft ook verdenkingen toegevoegd die niet volgen uit het individueel ambtsbericht of het besluit. Zo heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte vastgesteld dat hij lokaal bestuurslid was van de MRND en dat hij, als familie van voormalig president Habyarimana, behoorde tot de Akazu en in die hoedanigheid heeft bijgedragen aan de oprichting van [radiostation] en [krant], zodat de genocide van Tutsi's kon plaatsvinden.

10.1.  Het betoog dat de rechtbank in strijd heeft gehandeld met artikel 41 van het EU Handvest faalt, omdat dit artikel, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 19 juli 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BR3782, ziet op de bestuurlijke fase en niet op de rechterlijke fase. Voor zover [appellant] beoogt te betogen dat de rechtbank de motiveringsplicht als onderdeel van het beginsel van een behoorlijke rechtspleging in de zin van artikel 47 van het EU Handvest heeft geschonden, heeft hij niet geconcretiseerd welke stukken en aangevoerde argumenten de rechtbank onbesproken heeft gelaten. Aan de overweging dat [appellant] lokaal bestuurslid was van de MRND heeft de rechtbank zijn verklaringen tijdens de asielprocedure in 2000 en de onderzoeksresultaten ten grondslag gelegd. De intrekking van het Nederlanderschap is immers niet alleen gebaseerd op het individueel ambtsbericht en de inhoud van het besluit, maar ook op andere stukken waarnaar de rechtbank heeft verwezen. Zo heeft de rechtbank, zoals volgt uit wat onder 6.2 is overwogen, gemotiveerd uiteengezet dat de betrokkenheid van [appellant] bij de Akazu volgt uit onder meer het individueel ambtsbericht, de resultaten van het artikel 1(F)-onderzoek, de bijlage bij de correcties en aanvullingen van het verslag van de hoorzitting in de asielprocedure van 14 augustus 2000 en het rapport 'Broadcasting Genocide, Censorship, propaganda & state-sponsored violence in Rwanda 1990-1994'. Daarom faalt het betoog van [appellant] dat de rechtbank haar uitspraak niet deugdelijk heeft gemotiveerd.

Belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM en het Unierechtelijk evenredigheidsbeginsel

11.     [appellant] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat artikel 8 van het EVRM van toepassing is bij de intrekking van het Nederlanderschap en dat de staatssecretaris in dat kader een belangenafweging had moeten maken. De rechtbank heeft ook niet onderkend dat de staatssecretaris geen deugdelijke Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling heeft gemaakt, omdat hij onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van het verlies van het Unieburgerschap voor [appellant]. Zo kan hij door de intrekking niet meer naar Senegal en Congo Brazzaville reizen voor zijn bijenprojecten.

11.1.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, volgt uit het arrest van het EHRM van 11 oktober 2011, Genovese tegen Malta, ECLI:CE:ECHR:2011:1011JUD005312409, paragraaf 30, dat aan artikel 8 van het EVRM geen aanspraak op verkrijging van een bepaalde nationaliteit kan worden ontleend (zie de uitspraak van de Afdeling van 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2912). Slechts indien zich bij de afwijzing van een naturalisatieverzoek willekeur voordoet, kan onder bijzondere omstandigheden artikel 8 van het EVRM in beeld komen. Uit het arrest van het EHRM van 12 juni 2018, Alpeyeva en Dzhalagoniya tegen Rusland, ECLI:CE:ECHR:2018:0612JUD000754909, paragraaf 108, volgt dat hetzelfde geldt bij de intrekking van een nationaliteit. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich in dit geval willekeur heeft voorgedaan, zodat de Afdeling niet toekomt aan een beoordeling in het kader van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank heeft terecht overwogen dat [appellant] de door hem gestelde belangen bij rechtmatig verblijf in Nederland en de uitoefening van zijn familie- en privéleven in een vreemdelingrechtelijke procedure aan de orde moet stellen (zie de uitspraak van de Afdeling van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9947). De rechtbank heeft dus terecht geoordeeld dat de staatssecretaris in deze procedure terecht niet heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM.

Het betoog faalt in zoverre.

11.2.  Het Hof heeft in het arrest Rottmann van 2 maart 2010, ECLI:EU:C:2010:104, punten 54-56, overwogen dat in het geval de intrekking van de nationaliteit tot gevolg heeft dat de betrokkene naast de nationaliteit van de betrokken lidstaat ook het burgerschap van de Unie verliest, het aan de nationale rechter is om na te gaan of het intrekkingsbesluit in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel wat de gevolgen ervan voor de situatie van de betrokkene uit het oogpunt van het Unierecht betreft, in voorkomend geval naast de toetsing van de evenredigheid van dit besluit aan het nationale recht. Bijgevolg moet de rechter, indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, bij de toetsing van een besluit tot intrekking van een nationaliteit rekening houden met de eventuele gevolgen ervan voor de situatie van de betrokkene en in voorkomend geval voor diens gezinsleden wat het verlies van de rechten die elke burger van de Unie geniet betreft. In dit verband moet de rechter met name nagaan of dit verlies gerechtvaardigd is in het licht van de ernst van de door de betrokkene gepleegde inbreuk, het tijdsverloop tussen de naturalisatie en het intrekkingsbesluit en de mogelijkheid voor de betrokkene om zijn vroegere nationaliteit terug te krijgen. In deze zaak speelt de mogelijkheid om de vroegere nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie terug te krijgen geen rol, omdat [appellant] uitsluitend de Rwandese nationaliteit heeft bezeten, voordat hij de Nederlandse nationaliteit verkreeg.

11.3.  De rechtbank heeft terecht onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling overwogen dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat de gevolgen van het verlies van zijn rechten als Unieburger voor hem zodanig groot zijn, dat intrekking van het Nederlanderschap onevenredig is in verhouding tot de daarmee te dienen belangen (zie onder meer de uitspraak van 7 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2719). [appellant] heeft niet aangevoerd dat hij actief gebruik maakt of heeft gemaakt van zijn rechten als Unieburger. Hij heeft evenmin concrete belangen naar voren gebracht die daarmee verband houden. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat hij voor zijn reizen naar Senegal en Congo Brazzaville afhankelijk is van zijn rechten als Unieburger. De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de staatssecretaris niet ten onrechte in aanmerking heeft genomen dat de intrekking heeft plaatsgevonden binnen de periode van twaalf jaar genoemd in artikel 14, eerste lid, van de RWN en [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de Rwandese nationaliteit heeft verloren. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de staatssecretaris een deugdelijke Unierechtelijke evenredigheidsbeoordeling heeft gemaakt.

Het betoog faalt ook in zoverre.

Prejudiciële vragen

12.     [appellant] verzoekt de Afdeling tot slot om prejudiciële vragen te stellen. Hij heeft drie vragen voorgesteld over de over de verenigbaarheid van de intrekking van het Nederlanderschap krachtens artikel 14, eerste lid, van de RWN wegens een vermoeden van het verzwijgen van ernstige misdrijven met onder meer de artikelen 21, 47 en 48 van het EU Handvest.

12.1.  De Afdeling ziet geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen, aangezien beantwoording van de opgeworpen vragen niet noodzakelijk is voor de beslechting van het geschil, gelet op wat is overwogen onder 5.1, 7.1 en 8.1-8.3 (zie het arrest van het Hof van 6 oktober 1982, Cilfit, ECLI:EU:C:1982:335, punt 10).

Conclusie

13.     Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Dit betekent dat de intrekking van het Nederlanderschap van [appellant] in stand blijft. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, griffier.

w.g. Verheij

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2021

164-899.

BIJLAGE

 

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele

Vrijheden

Artikel 6

1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging heeft een ieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat bij de wet is ingesteld. De uitspraak moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd, gedurende de gehele terechtzitting of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of nationale veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van procespartijen dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bijzondere omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van een behoorlijke rechtspleging zou schaden.

2. Een ieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

[…]

Artikel 8

1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

Artikel 13

Een ieder wiens rechten en vrijheden die in dit Verdrag zijn vermeld, zijn geschonden, heeft recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie, ook indien deze schending is begaan door personen in de uitoefening van hun ambtelijke functie.

Verdrag betreffende de status van vluchtelingen

Artikel 1

[…]

F. De bepalingen van dit Verdrag zijn niet van toepassing op een persoon ten aanzien van wie er ernstige redenen zijn om te veronderstellen, dat:

(a) hij een misdrijf tegen de vrede, een oorlogsmisdrijf of een misdrijf tegen de menselijkheid heeft begaan, zoals omschreven in de internationale overeenkomsten welke zijn opgesteld om bepalingen met betrekking tot deze misdrijven in het leven te roepen;

(b) hij een ernstig, niet-politiek misdrijf heeft begaan buiten het land van toevlucht, voordat hij tot dit land als vluchteling is toegelaten;

(c) hij zich schuldig heeft gemaakt aan handelingen welke in strijd zijn met de doelstellingen en beginselen van de Verenigde Naties.

Handvest van de grondrechten van de Europese Unie

Artikel 41

1. Eenieder heeft er recht op dat zijn zaken onpartijdig, billijk en binnen een redelijke termijn door de instellingen, organen en instanties van de Unie worden behandeld.

2. Dit recht behelst met name:

[…]

a)       de plicht van de betrokken diensten, hun beslissingen met redenen te omkleden.

[…]

Artikel 47

Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden.

Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld.

Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen.

Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen.

Artikel 48

1. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

2. Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd.

Artikel 52

[…]

3. Voor zover dit Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.

[…]

Algemene wet bestuursrecht

Artikel 8:29

1. Partijen die verplicht zijn inlichtingen te geven dan wel stukken over te leggen, kunnen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het geven van inlichtingen dan wel het overleggen van stukken weigeren of de bestuursrechter mededelen dat uitsluitend hij kennis zal mogen nemen van de inlichtingen onderscheidenlijk de stukken.

[…]

5. Indien de bestuursrechter heeft beslist dat de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is, kan hij slechts met toestemming van de andere partijen mede op de grondslag van die inlichtingen onderscheidenlijk die stukken uitspraak doen. Indien de toestemming wordt geweigerd, wordt de zaak verwezen naar een andere kamer.

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 9

1. Het verzoek van een vreemdeling die voldoet aan de artikelen 7 en 8 wordt niettemin afgewezen, indien

a. op grond van het gedrag van de verzoeker ernstige vermoedens bestaan dat hij gevaar oplevert voor de openbare orde, de goede zeden, of de veiligheid van het Koninkrijk;

[…]

Artikel 14

1. Onze Minister kan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon gegeven valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. De intrekking werkt terug tot het tijdstip van verkrijging of verlening van het Nederlanderschap. De intrekking is niet mogelijk indien sedert de verkrijging of verlening een periode van twaalf jaar is verstreken. De derde volzin is niet van toepassing indien de betrokken persoon is veroordeeld voor een van de misdrijven, omschreven in de artikelen 6, 7, 8 en 8 bis van het op 17 juli 1998 te Rome tot stand gekomen Statuut van Rome inzake het Internationale Strafhof (Trb. 2000, 120 en Trb. 2011, 73).

[…]

8. Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn.

[…]

Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap

Paragraaf 2 van de toelichting op artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de RWN

Het is in het belang van de Nederlandse Staat dat het Nederlanderschap niet wordt verleend aan een persoon ten aanzien van wie zeker is dan wel ernstige redenen bestaan te veronderstellen dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan ernstige misdrijven of handelingen als genoemd in artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van Genève van 28 juli 1951, zoals dit verdrag is gewijzigd bij Protocol van New York van 31 januari 1967. Behalve maatschappelijke onwenselijkheid en het internationale aanzien van Nederland is ook de positie van de slachtoffers van personen afkomstig uit hetzelfde land die hier te lande bescherming hebben gevonden in het geding.

[…]

In beginsel wordt een vreemdeling op wie artikel 1F Vluchtelingenverdrag van toepassing is niet in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning.

[…]

Paragraaf 2 van de toelichting op artikel 14, eerste lid, van de RWN

De Minister van Justitie kan besluiten tot intrekking van het Nederlanderschap indien de optant of de naturalisandus in het kader van de optie of naturalisatieprocedure een valse verklaring heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen. […] Bij "het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit" moet worden gedacht aan het verzwijgen van feiten, waarvan de betrokkene weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat ze van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de optieverklaring of het verzoek om naturalisatie. De intrekking van het Nederlanderschap is geen sanctie voor de frauduleuze handelingen, maar heeft tot doel dat de gevolgen van het frauduleus handelen worden gecorrigeerd.

Paragraaf 2.2 van de toelichting op artikel 14, eerste lid, van de RWN

[…]

Op grond van dit artikellid is intrekking van het Nederlanderschap uitsluitend mogelijk als de verzoeker (of zijn wettelijk vertegenwoordiger of gemachtigde) valse verklaringen heeft afgelegd, bedrog heeft gepleegd of relevante feiten heeft verzwegen.

[…]

Intrekking zal slechts worden overwogen indien de betrokkene, ware de fraude, het bedrog of de verzwijging van relevante feiten tijdig bekend geweest, niet voor verkrijging of verlening van het Nederlanderschap in aanmerking zou zijn gekomen.

[…]