Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1122

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
202000219/1/R4
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 april 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Elburg aan Vossenakker V.O.F. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 23 woningen op de percelen Vliersingel 36 tot en met 46, Marjoleinstraat 1 tot en met 25 en Kruidenlaan 4 tot en met 10 in Elburg. [appellant] woont aan de [locatie] in Elburg, op krap 90 m afstand van de dichtst bij zijn woning gelegen vergunde woning aan de Kruidenlaan 4. Tussen zijn woning en de bij het besluit van 16 april 2019 vergunde woningen zijn al eerder nieuwe woningen gebouwd. [appellant] ondervindt bij zijn perceel wateroverlast, die volgens hem het gevolg is van de eerder gebouwde nieuwe woningen. Hij vreest dat deze wateroverlast zal verergeren als gevolg van de bouw van de bij het besluit van 16 april 2019 vergunde woningen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000219/1/R4.

Datum uitspraak: 26 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Elburg,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 december 2019 in zaak nr. 19/2338 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Elburg.

Procesverloop

Bij besluit van 16 april 2019 heeft het college aan Vossenakker V.O.F. een omgevingsvergunning verleend voor de bouw van 23 woningen op de percelen Vliersingel 36 tot en met 46, Marjoleinstraat 1 tot en met 25 en Kruidenlaan 4 tot en met 10 in Elburg.

Bij uitspraak van 23 december 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 januari 2021, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door H. Deenen, zijn verschenen.

Overwegingen

1.       Het college heeft de omgevingsvergunning van 16 april 2019 verleend voor het bouwen van een bouwwerk, als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) en het gebruiken van bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan, als bedoeld in dat artikellid, aanhef en onder c.

Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan "Vossenakker, 1e uitwerking" omdat het voorziet in de bouw van woonhuizen, terwijl de gronden zijn bestemd voor het wonen in woongebouwen, omdat de woonhuizen niet geheel binnen de bouwvlakken worden gebouwd en omdat de woonhuizen niet voldoen aan de minimale bouwhoogte.

Het college heeft de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wabo verleend.

1.1.    [appellant] woont aan de [locatie] in Elburg, op krap 90 m afstand van de dichtst bij zijn woning gelegen vergunde woning aan de Kruidenlaan 4. Tussen zijn woning en de bij het besluit van 16 april 2019 vergunde woningen zijn al eerder nieuwe woningen gebouwd. [appellant] ondervindt bij zijn perceel wateroverlast, die volgens hem het gevolg is van de eerder gebouwde nieuwe woningen. Hij vreest dat deze wateroverlast zal verergeren als gevolg van de bouw van de bij het besluit van 16 april 2019 vergunde woningen.

2.       De rechtbank heeft het beroep van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard, omdat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerp van het besluit van 16 april 2019. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van artikel 6:13 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) geen beroep bij de bestuursrechter kan worden ingesteld door een belanghebbende aan wie redelijkerwijs kan worden verweten dat hij geen zienswijzen als bedoeld in artikel 3:15 van die wet naar voren heeft gebracht.

2.1.    Onder verwijzing naar de uitspraak van 14 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:786, overweegt de Afdeling dat artikel 6:13 van de Awb niet kan worden tegengeworpen aan [appellant], omdat het besluit van 16 april 2019 is voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 van de Awb. In deze uitspraak heeft de Afdeling, naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 14 januari 2021, Stichting Varkens in Nood, ECLI:EU:C:2021:7, overwogen dat in alle gevallen waarin in omgevingsrechtelijke zaken deze voorbereidingsprocedure is toegepast, artikel 6:13 van de Awb niet zal worden tegengeworpen aan belanghebbenden. Zaken over besluiten op grond van de Wabo, zoals het besluit van 16 april 2019, worden als omgevingsrechtelijke zaken beschouwd. Dit betekent dat de rechtbank ten onrechte aan [appellant] heeft tegengeworpen dat hij geen zienswijze naar voren heeft gebracht over het ontwerp van het besluit van 16 april 2019.

3.       Het college heeft zich in zijn schriftelijke uiteenzetting op het standpunt gesteld dat [appellant] geen belanghebbende is bij het besluit van 16 april 2019, waardoor het beroep van [appellant] bij de rechtbank ook om die reden niet-ontvankelijk is.

3.1.    In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. In artikel 8:1 van de Awb is bepaald dat een belanghebbende tegen een besluit beroep kan instellen bij de bestuursrechter. Alleen wie een voldoende objectief en actueel, eigen en persoonlijk belang heeft dat rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb

Wie rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die het besluit - zoals een bestemmingsplan of een vergunning - toestaat, is in beginsel belanghebbende bij dat besluit. Het criterium 'gevolgen van enige betekenis' van de activiteit is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, kijkt de Afdeling naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (o.a. geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.

3.2.    [appellant] woont op krap 90 m afstand van het vergunde bouwplan. Tussen zijn woning en de vergunde woningen ligt één rij vrijstaande woningen. Het is niet op voorhand uitgesloten dat [appellant] tussen deze vrijstaande woningen door vanaf zijn perceel zicht zal hebben op de nu vergunde woningen. Verder stelt [appellant] dat de bouw van deze woningen gevolgen heeft voor de waterhuishouding op zijn perceel. Gelet op de relatief korte afstand van krap 90 m van zijn woning tot het bouwplan, het mogelijke zicht op het bouwplan, de planologische uitstraling van de nieuwbouw van 23 woningen en de mogelijke gevolgen daarvan voor de waterhuishouding op zijn perceel, is het aannemelijk dat [appellant] gevolgen van enige betekenis zal ondervinden van de bouw van de 23 woningen. Gelet hierop is [appellant] belanghebbende bij het besluit van 16 april 2019.

4.       Zoals hiervoor is overwogen, is [appellant] belanghebbende bij het besluit van 16 april 2019 en kan hem niet worden tegengeworpen dat hij geen zienswijze over het ontwerp van dat besluit naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft zijn beroep dan ook ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard en niet inhoudelijk beoordeeld.

5.       Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. De Afdeling zal de zaak naar de rechtbank terugwijzen om door haar te worden behandeld en beslist met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen.

6.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

7.       De griffier van de Raad van State zal aan [appellant] met toepassing van artikel 8:114 van de Awb het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetalen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 23 december 2019 in zaak nr. 19/2338;

III.      wijst de zaak naar de rechtbank terug;

IV.     bepaalt dat de griffier van de Raad van State aan A. [appellant] het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 265,00 (zegge: tweehonderdvijfenzestig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2021

687.