Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1119

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
202004822/1/R1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij brief van 28 juli 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veere aan [partij] medegedeeld dat op 18 juli 2016 de door hem op 25 maart 2016 aangevraagde omgevingsvergunning voor vervangende nieuwbouw van een woning op het perceel [locatie 1] te Zoutelande van rechtswege is ontstaan. [partij] is sinds 1987 eigenaar van de woning op het perceel. Deze woning wordt door hem als recreatiewoning verhuurd. Op 25 maart 2016 heeft [partij] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het slopen van deze woning en het bouwen van een nieuwe woning op het perceel. Het perceel ligt direct ten noorden van de duinen. De te slopen woning is gebouwd in de jaren ’30 van de vorige eeuw. [partij] wil de nieuw te bouwen woning in dezelfde jaren ’30 stijl uitvoeren, maar dan met een uitzonderlijke doosvormige koker in de dakkap. Hij woont momenteel in Zwitserland, maar wil de nieuw te bouwen woning wellicht na zijn pensionering permanent bewonen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2021/8503
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202004822/1/R1.

Datum uitspraak: 26 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.       het college van burgemeester en wethouders van Veere,

2.       [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] (hierna samen en in enkelvoud: [appellant sub 2]), wonend te Zoutelande, gemeente Veere,

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 juli 2020 in zaak nr. 19/2127 in het geding tussen:

[partij], wonend te [woonplaats],

en

het college.

Procesverloop

Bij brief van 28 juli 2016 heeft het college aan [partij] medegedeeld dat op 18 juli 2016 de door hem op 25 maart 2016 aangevraagde omgevingsvergunning voor vervangende nieuwbouw van een woning op het perceel [locatie 1] te Zoutelande (hierna: het perceel) van rechtswege is ontstaan. Het besluit is op 10 augustus 2016 bekendgemaakt.

Bij besluit van 21 december 2016 heeft het college het onder anderen door [appellant sub 2] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 18 juli 2016 herroepen en alsnog geweigerd omgevingsvergunning te verlenen.

Bij uitspraak van 31 oktober 2017 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 22 augustus 2018 heeft de Afdeling het door [appellant sub 2] daartegen ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard, het door het college en [partij] daartegen ingestelde hoger beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank van 31 oktober 2017 vernietigd, het beroep van [partij] tegen het besluit van 21 december 2016 gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 26 maart 2019 heeft het college opnieuw het bezwaar van [appellant sub 2] tegen de van rechtswege verleende omgevingsvergunning gegrond verklaard, deze van rechtswege verleende omgevingsvergunning herroepen en de gevraagde vergunning alsnog geweigerd.

Bij uitspraak van 29 juli 2020 heeft de rechtbank het door [partij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 26 maart 2019 vernietigd en het bezwaar van [appellant sub 2] tegen de van rechtswege verleende vergunning alsnog ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben het college en [appellant sub 2] hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] en [partij] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Het college heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 maart 2021, waar het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.P. Hofs en mr. J.M. Sinke, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. R. Wouters, advocaat te Middelburg, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [partij], bijgestaan door mr. J. Ossewaarde, advocaat te Middelburg, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       [partij] is sinds 1987 eigenaar van de woning op het perceel. Deze woning wordt door hem als recreatiewoning verhuurd. Op 25 maart 2016 heeft [partij] een omgevingsvergunning aangevraagd voor het slopen van deze woning en het bouwen van een nieuwe woning op het perceel. Het perceel ligt direct ten noorden van de duinen. De te slopen woning is gebouwd in de jaren ’30 van de vorige eeuw. [partij] wil de nieuw te bouwen woning in dezelfde jaren ’30 stijl uitvoeren, maar dan met een uitzonderlijke doosvormige koker in de dakkap. Hij woont momenteel in Zwitserland, maar wil de nieuw te bouwen woning wellicht na zijn pensionering permanent bewonen. Tot die tijd wil hij de woning aan derden verhuren voor permanente bewoning.

Bij brief van 28 juli 2016 heeft het college aan [partij] medegedeeld dat de aangevraagde omgevingsvergunning van rechtswege is ontstaan op 18 juli 2016, omdat het college niet tijdig op de aanvraag heeft beslist. [appellant sub 2] woont op het naastgelegen perceel [locatie 2] ten noorden van het perceel en verzet zich tegen de vergunningverlening. In de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2018 is bepaald dat het college een nieuw besluit moest nemen op het bezwaar van [appellant sub 2] tegen het besluit van 18 juli 2016. De Afdeling heeft daarbij overwogen dat het college ervan uit moet gaan dat de door [partij] gewenste woning zal worden opgericht met het doel om permanent te worden bewoond. Ook heeft de Afdeling overwogen dat verhuur ten behoeve van recreatief gebruik van de nieuw te bouwen woning op het perceel niet is toegestaan. Uit die uitspraak van de Afdeling volgt dat er in zoverre geen reden is de omgevingsvergunning te weigeren wegens strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan "Kom Zoutelande". Inmiddels is tussen partijen niet meer in geschil dat het bouwplan in overeenstemming is met het bestemmingsplan.

Partijen zijn nu alleen nog verdeeld over het antwoord op de vraag of het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand. Volgens het college voldoet het bouwplan daar niet aan, zodat het de omgevingsvergunning bij besluit van 26 maart 2019 heeft geweigerd en de van rechtswege ontstane vergunning van 18 juli 2016 heeft herroepen.

De welstandsadviezen en het besluit van 26 maart 2019

2.       De Commissie Ruimtelijke Kwaliteit (hierna: CRK) heeft op 28 juni 2016 een positief advies gegeven over het bouwplan. Na de uitspraak van de Afdeling van 22 augustus 2018 heeft het college ter voorbereiding op het nemen van een nieuw besluit op 3 september 2018 aan Stichting Dorp Stad en Land (hierna: DSL) een second opinion gevraagd met betrekking tot de welstandsaspecten van het bouwplan. Op 5 november 2018 heeft DSL aangegeven dat het bouwplan in de vergadering van 10 oktober 2018 door de Welstands- en Monumentencommissie Leiden is behandeld, welke commissie onderdeel is van DSL, en volgens haar niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Volgens DSL voldoet het bouwplan namelijk op een aantal punten niet aan de vaste richtlijnen (zoals neergelegd in paragraaf 4.1) en de gebiedsgerichte richtlijnen, in dit geval voor stads- en dorpskernen (zoals neergelegd in paragraaf 4.2) van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2016 van de gemeente Veere (hierna: de welstandsnota). [partij] heeft naar aanleiding van de second opinion van DSL een stuk overgelegd van 24 december 2018 van prof. ir. W. Patijn, architect en stedenbouwkundige. Anders dan DSL heeft geconcludeerd, voldoet het bouwplan volgens Patijn wel aan de vaste en gebiedsgerichte richtlijnen van de welstandsnota en daarmee aan redelijke eisen van welstand. Op 17 januari 2019 heeft de CRK opnieuw aangegeven dat het bouwplan volgens haar in overeenstemming is met de richtlijnen van de welstandsnota en dat het voldoet aan redelijke eisen van welstand. De CRK ziet in het advies van DSL geen aanleiding om terug te komen op het positieve advies van 28 juni 2016. De CRK kan zich voorstellen dat DSL op basis van de vaste richtlijnen tot de conclusie is gekomen dat het plan niet aan deze richtlijnen voldoet, maar daarbij gaat DSL er volgens de CRK eraan voorbij dat de welstandsnota de mogelijkheid biedt om af te wijken van de richtlijnen als de richtlijnen ontoereikend zijn.

Het college heeft zich vervolgens in het besluit van 26 maart 2019 op basis van het advies van DSL op het standpunt gesteld dat het bouwplan niet voldoet aan de vaste en gebiedsgerichte richtlijnen van de welstandsnota. Weliswaar biedt de welstandsnota volgens het college de mogelijkheid af te wijken van de richtlijnen, maar in dit geval ziet het college geen aanleiding hiervan af te wijken, omdat het bouwplan in meerdere opzichten controversieel is.

De aangevallen uitspraak

3.       Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van het college gelegen om de eigen voorgeschreven en door de gemeenteraad benoemde CRK in te schakelen om een oordeel te geven over de welstandsaspecten. Volgens de rechtbank valt niet in te zien waarom het college een derde in heeft moeten schakelen, zonder eerst de eigen welstandscommissie om advies te vragen. Daarbij komt dat de CRK reeds in 2016 positief over het bouwplan heeft geadviseerd. De eigen welstandscommissie CRK heeft op 17 januari 2019, na kennis te hebben genomen van het advies van DSL, aangegeven dat er geen aanleiding is om op het eerder ingenomen standpunt dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand terug te komen. De CRK blijft van mening dat het plan voldoet aan de welstandsnota en aan redelijke eisen van welstand. Niet is gebleken dat het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college niet dit advies bij de besluitvorming kon betrekken. Dat DSL een andere mening is toegedaan, doet hieraan niet af, aldus de rechtbank. Nu het college niet aan het oordeel van de eigen welstandscommissie CRK voorbij kon gaan, is de rechtbank van oordeel dat er geen strijd is met redelijke eisen van welstand. Er bestond volgens de rechtbank dan ook geen belemmering om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien, in die zin dat de bezwaren van [appellant sub 2] tegen de van rechtswege verleende vergunning ongegrond zijn verklaard. De van rechtswege verleende vergunning heeft hierdoor stand gehouden.

De hoger beroepen van het college en [appellant sub 2]

4.       Het college en [appellant sub 2] betogen dat de rechtbank miskent dat de omgevingsvergunning bij besluit van 26 maart 2019 terecht is geweigerd, omdat het bouwplan niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Daartoe voert het college aan dat het bouwplan controversieel is en niet voldoet aan de vaste en gebiedsgerichte richtlijnen van hoofdstuk 4 van de welstandsnota. Het college is het inhoudelijk niet eens met de CRK en stelt niet gebonden te zijn aan het advies van de CRK. Het college ziet niet in waarom het zich bij zijn oordeel omrent de welstand niet mocht baseren op de second opinion van DSL. Het college verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 6 mei 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI2952, waaruit volgens het college volgt dat het niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust. In aanvulling hierop wijst [appellant sub 2] op de uitspraak van de Afdeling van 29 november 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AZ3227, waaruit volgens hem volgt dat het college de bevoegdheid heeft om af te wijken van een advies. Hij stelt dat het college in dit geval goed gemotiveerd heeft afgeweken van het advies van de CRK.

4.1.    Anders dan de rechtbank, is de Afdeling van oordeel dat het college aan DSL een second opinion mocht vragen in aanvulling op het welstandsadvies van de CRK. Zoals het college en [appellant sub 2] terecht stellen, berust de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college en is het college niet gebonden aan een welstandsadvies. Daarbij merkt de Afdeling op dat het reglement van orde op de welstandscommissie, dat als bijlage 9 bij de bouwverordening is opgenomen, het college ook expliciet de mogelijkheid biedt om een second opinion te vragen indien het op een inhoudelijke grond tot een ander oordeel komt dan de welstandscommissie.

Het college heeft aan zijn welstandsoordeel het advies van DSL ten grondslag gelegd. De Afdeling ziet in de wijze van totstandkoming en de inhoud daarvan geen aanleiding voor het oordeel dat het college dit welstandsadvies niet aan zijn besluit ten grondslag heeft mogen leggen. Door dit negatieve welstandsadvies aan het besluit ten grondslag te leggen is het college gemotiveerd afgeweken van het positieve advies van de CRK. Anders dan [partij] stelt, maakt de omstandigheid dat DSL de directe omgeving van het bouwplan niet fysiek ter plaatse heeft bekeken, niet dat het welstandsadvies daarmee onzorgvuldig tot stand is gekomen. DSL heeft zich onder meer gebaseerd op foto’s van de directe omgeving. De Afdeling volgt [partij] niet in zijn stelling dat daarmee geen goed beeld kan worden gekregen van de al aanwezige bebouwing.

De conclusie is dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college niet aan het positieve oordeel van de eigen welstandcommissie CRK voorbij kon gaan. De rechtbank is daarom ten onrechte tot de conclusie gekomen dat alleen al daarom geen sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand. Het college mocht een second opinion vragen over het eerdere welstandsadvies van de CRK en heeft deze second opinion aan zijn beslissing  dat sprake is van strijd met redelijke eisen van welstand ten grondslag mogen leggen. Het college was daarom gehouden de gevraagde omgevingsvergunning te weigeren op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, wegens het niet voldoen aan redelijke eisen van welstand.

Het betoog slaagt.

Conclusie

5.       De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Dit betekent dat het besluit op bezwaar van 26 maart 2019 in stand blijft, waarbij de van rechtswege verleende omgevingsvergunning is herroepen en de omgevingsvergunning alsnog is geweigerd.

6.       Gelet op rechtsoverweging 6 van de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1106, moet het college de proceskosten van [appellant sub 2] vergoeden. Het college hoeft de proceskosten van [partij] niet te vergoeden.

7.       De griffier van de Raad van State zal aan [appellant sub 2] het door hem betaalde griffierecht voor het hoger beroep terugbetalen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de hoger beroepen gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 29 juli 2020 in zaak nr. 19/2127;

III.       verklaart het beroep van [partij] tegen het besluit van 26 maart 2019 ongegrond;

IV.      veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Veere tot vergoeding van bij [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college van burgemeester en wethouders van Veere aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.       verstaat dat de griffier van de Raad van State aan [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B] het door hun betaalde griffierecht ten bedrage van € 265,00 (zegge: tweehonderdvijfenzestig euro) voor de behandeling van het hoger beroep terugbetaalt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.        

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2021

191-855.