Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1090

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
26-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
201906190/13/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 26 juni 2019 heeft de raad van de gemeente Maasdriel het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" vastgesteld. Het bij besluit van 26 juni 2019 vastgestelde bestemmingsplan heeft betrekking op nagenoeg het gehele buitengebied van de gemeente. [appellant] woont aan de [locatie] en heeft daar een agrarisch bedrijf. Buiten het bouwvlak is al jarenlang een kuilvoerplaat aanwezig. [appellant] kan zich niet met het bestemmingsplan verenigen, voor zover de kuilvoerplaat daarin niet positief is bestemd. Dit had volgens [appellant] bijvoorbeeld gekund door het bouwvlak zodanig te verruimen dat de kuilvoerplaat erin valt. Aan de gronden, waar de kuilvoerplaat aanwezig is, is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. Op grond van artikel 4.2.3 van de planregels zijn binnen deze bestemming kuilvoerplaten alleen toegestaan binnen een bouwvlak. Ter plaatse van de thans aanwezige kuilvoerplaat is geen bouwvlak toegekend. Dit betekent dat de kuilvoerplaat niet is toegestaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906190/13/R4.

Datum uitspraak: 26 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), wonend te Velddriel, gemeente Maasdriel,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Maasdriel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 april 2021, waar de raad, vertegenwoordigd door T.W. Tuenter, A.G. van Liempt, J.A.G. van Kempen en H.J. Veldhuis, is verschenen.

De beroepen tegen het besluit van 26 juni 2019 zijn geregistreerd onder zaaknummer 201906190/1/R4. Het beroep van [appellant] is na de zitting administratief afgesplitst en geregistreerd onder zaaknummer 201906190/13/R4.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het bij besluit van 26 juni 2019 vastgestelde bestemmingsplan heeft betrekking op nagenoeg het gehele buitengebied van de gemeente.

[appellant] woont aan de [locatie] en heeft daar een agrarisch bedrijf. Buiten het bouwvlak is al jarenlang een kuilvoerplaat aanwezig. [appellant] kan zich niet met het bestemmingsplan verenigen, voor zover de kuilvoerplaat daarin niet positief is bestemd. Dit had volgens [appellant] bijvoorbeeld gekund door het bouwvlak zodanig te verruimen dat de kuilvoerplaat erin valt.

2.       Aan de gronden, waar de kuilvoerplaat aanwezig is, is de bestemming "Agrarisch met waarden" toegekend. Op grond van artikel 4.2.3 van de planregels zijn binnen deze bestemming kuilvoerplaten alleen toegestaan binnen een bouwvlak. Ter plaatse van de thans aanwezige kuilvoerplaat is geen bouwvlak toegekend. Dit betekent dat de kuilvoerplaat niet (bij recht) is toegestaan.

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Beroep op overgangsrecht

4.       [appellant] beroept zich erop dat het gebruik van de kuilvoerplaat in het verleden onder het overgangsrecht is komen te vallen, en dat dit wederom in het voorliggende plan het geval is. [appellant] wijst hierbij op de rechtspraak van de Afdeling dat het in beginsel niet is toegestaan om voor de tweede maal gebruik onder het overgangsrecht te brengen. Volgens [appellant] is de planregeling ter plaatse van de kuilvoerplaat in strijd met de rechtszekerheid.

4.1.    De Afdeling merkt op dat [appellant] heeft gesteld en onderbouwd dat sinds ongeveer 1981 ter plaatse een kuilvoerplaat aanwezig is. De raad heeft dit niet betwist. Ter zitting heeft de Afdeling aan de raad voorgehouden dat [appellant] ook gemotiveerd heeft gesteld dat het gebruik van de kuilvloerplaat sinds het bestemmingsplan "Buitengebied" uit 1993 onder het gebruiksovergangsrecht valt. De raad heeft, ook bij die gelegenheid, niet kunnen aantonen waarom [appellant] niet in die stelling kan worden gevolgd. Het besluit is in dit opzicht niet toereikend gemotiveerd en ook niet voldoende zorgvuldig tot stand gekomen.

Het betoog slaagt.

Conclusie

5.       Gelet op wat hiervoor is overwogen, ziet de Afdeling in wat [appellant] heeft aangevoerd aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit, voor zover dat ziet op het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" zonder bouwvlak, ter plaatse van de [locatie] te Velddriel, waar een kuilvoerplaat aanwezig is, is genomen in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

Het beroep van [appellant] is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover het dit plandeel betreft dient te worden vernietigd. Wat [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, behoeft geen bespreking meer. De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor dit vernietigde planonderdeel, met inachtneming van deze uitspraak, een nieuw plan vast te stellen en zal daartoe een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid. De Afdeling geeft de raad in overweging om bij het nieuw te nemen besluit te bezien of een specifieke aanduiding op grond waarvan een kuilvoerplaat ter plaatse is toegestaan kan worden toegekend.

6.       De raad moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B] gegrond;

II.       vernietigt het besluit van 26 juni 2019, waarbij de raad van de gemeente Maasdriel het bestemmingsplan "Buitengebied herziening 2016" heeft vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Agrarisch met waarden" zonder bouwvlak, ter plaatse van de [locatie] te Velddriel, waar een kuilvoerplaat aanwezig is;

III.      draagt de raad van de gemeente Maasdriel op om ten aanzien van onderdeel II. met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, binnen dertig weken na de verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.      veroordeelt de raad van de gemeente Maasdriel in verband met de behandeling van het beroep tot vergoeding van de bij [appellant A] en [appellant B] opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 534,00 (zegge: vijfhonderdvierendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

V.       gelast dat de raad van de gemeente Maasdriel aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 174,00 (zegge: honderdvierenzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 26 mei 2021

418.