Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1080

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
26-05-2021
Zaaknummer
202100472/1/V1
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 19 maart 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de ongewenstverklaring opgeheven en een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202100472/1/V1.

Datum uitspraak: 12 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 december 2020 in zaak nr. 20/2915 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 19 maart 2020 heeft de staatssecretaris de ongewenstverklaring opgeheven en een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.

Bij uitspraak van 24 december 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.B.J. Strooij, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.       De staatssecretaris heeft bij besluit van 5 juli 2011 de vreemdeling ongewenst verklaard, omdat hij een gevaar vormt voor de openbare orde.

Bij besluit van 19 maart 2020 heeft de staatssecretaris de ongewenstverklaring opgeheven en een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd voor de duur van 10 jaren, omdat de vreemdeling een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormt.

2.       De vreemdeling klaagt in grief 1 dat de rechtbank niet inhoudelijk heeft gereageerd op zijn beroepsgronden dat de ongewenstverklaring niet op de juiste wijze is bekendgemaakt en daarom niet in werking is getreden en dat de staatssecretaris het inreisverbod ten onrechte heeft gebaseerd op de overwegingen in het vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Amsterdam van 27 augustus 2019 (hierna: het vonnis). De overwegingen in het vonnis dat de vreemdeling sinds de ongewenstverklaring "bewust onder de radar leeft", "het vermoeden bestaat dat hij zich bezig houdt met (zware) criminaliteit" en het ingekorte hagelgeweer dat hij voorhanden had "populair is in het criminele circuit door zijn grote schotkracht en omvang, waardoor het makkelijk is te verstoppen in een jas of een mouw en vaak voor het afdreigen van personen wordt gebruikt", zijn volgens de vreemdeling niet meer dan vermoedens.

2.1.    Met de overweging dat de strafrechter de hiervoor opgesomde omstandigheden van belang heeft geacht voor het vonnis en het daarom op de weg van de staatssecretaris ligt om die te betrekken bij zijn beoordeling, heeft de rechtbank geen inhoudelijk oordeel gegeven over de beroepsgronden van de vreemdeling.

De grief slaagt.

3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de vreemdeling verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.

4.       De vreemdeling heeft in beroep aangevoerd dat de staatssecretaris, bij de beoordeling of hij gevaar vormt voor de openbare orde, ten onrechte waarde eraan heeft gehecht dat hij in 2011 ongewenst is verklaard. Volgens de vreemdeling is dit besluit niet in werking getreden omdat dit niet op de juiste wijze bekend is gemaakt. Daarom kan de ongewenstverklaring niet dienen als grondslag voor het inreisverbod.

4.1.    Dat het besluit van 5 juli 2011 volgens de vreemdeling niet in werking is getreden, neemt niet weg dat de vreemdeling de daarin vermelde strafbare feiten heeft gepleegd en op grond van de door hem gepleegde strafbare feiten volgens de staatssecretaris op dat moment een gevaar vormde voor de openbare orde. De staatssecretaris heeft dit gegeven op zichzelf dan ook terecht betrokken bij het inreisverbod.

5.       De vreemdeling heeft verder aangevoerd dat de staatssecretaris ten onrechte waarde heeft gehecht aan de onder 2. vermelde overwegingen in het vonnis. Volgens de vreemdeling moet de staatssecretaris aan de hand van zijn persoonlijke gedragingen beoordelen of er een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging bestaat dat een fundamenteel belang van de samenleving aantast en kan dit niet worden gebaseerd op vermoedens.

5.1.    Uit de motivering van het besluit blijkt niet dat het inreisverbod is gebaseerd op de overweging in het vonnis dat de vreemdeling sinds de ongewenstverklaring bewust onder de radar leeft en het vermoeden bestaat dat hij zich bezig houdt met (zware) criminaliteit. De staatssecretaris heeft in het besluit namelijk beoordeeld of de vreemdeling, gezien zijn persoonlijke gedragingen, een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging vormt voor een fundamenteel belang van de samenleving. De staatssecretaris heeft bij die beoordeling betrokken dat de vreemdeling in het verleden herhaaldelijk is veroordeeld voor ernstige misdrijven, waaronder poging tot moord, poging tot doodslag, mishandeling, opiumdelicten, meerdere overtredingen van de Wet wapens en munitie en in 2019 is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden voor bezit van een ingekort hagelgeweer en bijbehorende munitie. Ook is de staatssecretaris ingegaan op het tijdverloop sinds het plegen van dit laatste misdrijf, het recidiverisico, of de vreemdeling sindsdien zijn gedrag heeft veranderd en de periode die de vreemdeling sindsdien in detentie heeft verbleven. Verder heeft de staatssecretaris terecht de inhoud van het vonnis bij zijn beoordeling betrokken, aangezien dat inzicht geeft in de aard en ernst van het misdrijf, het gedrag van de vreemdeling en de omstandigheden waaronder het misdrijf is begaan. De staatssecretaris heeft gelet op wat in het vonnis is overwogen, waaronder het gegeven dat de vreemdeling in bezit was van een vuurwapen dat populair is in het criminele circuit, terwijl vuurwapens worden gebruikt bij het plegen van strafbare feiten, deugdelijk gemotiveerd dat het onbevoegd voorhanden hebben van een ingekort hagelgeweer met bijbehorende munitie een ernstig misdrijf is dat een vergaande inbreuk maakt op de openbare orde en gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving teweeg brengt.         Het betoog faalt.

6.       Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris moet de proceskosten in hoger beroep vergoeden. 

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart het hoger beroep gegrond;

II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 24 december 2020 in zaak nr. 20/2915;

III.      verklaart het beroep ongegrond;

IV.     veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 534,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. J.J. van Eck en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

w.g. Van Goeverden-Clarenbeek

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021

827.