Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1020

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
202003142/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 13 maart 2019 heeft de Dienst Uitvoering Onderwijs een verzoek van [appellante] om correctie van haar gegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming, afgewezen. [appellante] volgde voortgezet onderwijs aan het Vossius Gymnasium in Amsterdam. Het Vossius, waarvan OSZG het bevoegd gezag is, heeft [appellante] op 19 februari 2018 met terugwerkende kracht per 3 september 2017 uitgeschreven. De Inspectie van het Onderwijs heeft een onderzoek uitgevoerd naar de rechtmatigheid van deze uitschrijving. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 15 november 2018. De onderwijsinspectie constateert in dit rapport dat het Vossius onrechtmatig heeft gehandeld bij het uitschrijven van de betreffende leerling. De leerling had niet mogen worden uitgeschreven zonder daaraan voorafgaand de wettelijk voorgeschreven procedure om te verwijderen te volgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Onderwijs Totaal 2021/1251
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202003142/1/A3.

Datum uitspraak: 12 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Amsterdam,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 april 2020 in zaak nr. 19/3827 in het geding tussen:

[appellante]

en

de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.

Procesverloop

Bij besluit van 13 maart 2019 heeft de Dienst Uitvoering Onderwijs (hierna: DUO) een verzoek van [appellante] om correctie van haar gegevens op grond van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: de AVG), afgewezen.

Bij besluit van 5 augustus 2019 heeft de minister het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 april 2020 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

OSZG heeft als derde-belanghebbende deelgenomen aan het geding en heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante] en OSZG hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 februari 2021, waar [appellante], bijgestaan door mr. K.J. Slump, rechtsbijstandverlener te Heiloo, vergezeld door [gemachtigde], en de minister, vertegenwoordigd door mr. B.C. Rots, zijn verschenen. OSZG, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. G.J. Heussen, advocaat te Utrecht, heeft via een videoverbinding deelgenomen aan de zitting.

Overwegingen

Wettelijk kader

1.       Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage die deel uitmaakt van de uitspraak.

Inleiding

2.       [appellante] volgde voortgezet onderwijs aan het Vossius Gymnasium (hierna: het Vossius) in Amsterdam. Het Vossius, waarvan OSZG het bevoegd gezag is, heeft [appellante] op 19 februari 2018 met terugwerkende kracht per 3 september 2017 uitgeschreven. De Inspectie van het Onderwijs (hierna: de onderwijsinspectie) heeft een onderzoek uitgevoerd naar de rechtmatigheid van deze uitschrijving. De bevindingen van dat onderzoek zijn neergelegd in het rapport van 15 november 2018. De onderwijsinspectie constateert in dit rapport dat het Vossius onrechtmatig heeft gehandeld bij het uitschrijven van de betreffende leerling. De leerling had niet mogen worden uitgeschreven zonder daaraan voorafgaand de wettelijk voorgeschreven procedure om te verwijderen te volgen. Tegelijk constateert de onderwijsinspectie dat het Vossius wel inspanningen heeft verricht om de leerling te begeleiden en een andere, geschikte school voor de leerling te vinden. Daarin is de school aan het einde van het schooljaar 2016-2017 geslaagd. Voorts heeft de school de aan- en afwezigheid van de leerling in het begin van het schooljaar 2017-2018 niet geregistreerd. Hierdoor is de wettelijk verplichte melding van verzuim aan leerplicht aanvankelijk achterwege gebleven.

[appellante] heeft bij brief van 5 februari 2019 aan DUO verzocht om de datum van uitschrijving bij het Vossius, zoals die is geregistreerd in het basisregister onderwijs (hierna: het BRON) en de verzuimregistratie te corrigeren. DUO heeft het verzoek om correctie van de uitschrijvings- en verzuimgegevens afgewezen, omdat het deze gegevens niet kan corrigeren. Volgens DUO moet [appellante] zich wenden tot de school als zij meent dat de gegevens niet kloppen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft de minister ongegrond verklaard. Daartoe heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat het beheer van het BRON weliswaar bij hem berust, maar dat dit niet betekent dat hij de bevoegdheid heeft om gegevens in het BRON zelfstandig te wijzigen.

Aangevallen uitspraak

3.       De rechtbank heeft overwogen dat de minister de verwerkingsverantwoordelijke is als bedoeld in de AVG en de Wet op het onderwijstoezicht (hierna: de Wot). Een betrokkene heeft op grond van artikel 16 van de AVG het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. De rechtbank is van oordeel dat [appellante] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de in het BRON opgenomen uitschrijvingsdatum van 3 september 2017 niet juist is. Uit het rapport van 15 november 2018 volgt weliswaar dat het Vossius ten onrechte geen verwijderingsbesluit heeft genomen, maar daaruit volgt niet dat de uitschrijvingsdatum op zichzelf onjuist is. Zo heeft de onderwijsinspectie geen aanleiding gezien om het Vossius op te dragen om de uitschrijfdatum aan te passen, mede omdat - zo begrijpt de rechtbank - het Vossius voorafgaand aan de uitschrijving, namelijk in 2017, twee andere scholen bereid had gevonden om [appellante] als leerling toe te laten. [appellante] heeft ook niet op een andere manier dan door het overleggen van het rapport aannemelijk gemaakt dat de datum van uitschrijving, zoals opgenomen in het BRON, onjuist is. Nu niet gezegd kan worden dat de uitschrijfdatum onjuist is, kan evenmin gezegd worden dat de verzuimregistratie onjuist is. Dit maakt volgens de rechtbank dat de minister niet bevoegd is, ook niet op grond van de AVG, om de gegevens in het BRON te rectificeren.

Beoordeling gronden

4.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de uitschrijfdatum in het BRON, waarvan zij rectificatie eist, niet juist is. Daartoe voert zij aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de verwijzing naar het rapport van 15 november 2018 niet volstaat. Dat onderzoek heeft plaatsgevonden onder verantwoordelijkheid van de minister die tevens gegevensverantwoordelijke is voor het BRON en de verzuimregistratie en die persoonsgegevens van [appellante] had moeten toetsen en corrigeren. Uit het rapport volgt dat het bevoegd gezag van het Vossius ten onrechte geen verwijderingsbesluit heeft genomen. Het Vossius heeft haar eenzijdig uitgeschreven in het BRON, zonder instemming van de leerling en haar moeder. Een eenzijdige beëindiging kan wanneer de leerling en ouder daarmee instemmen omdat zij in vrijheid kiezen voor een andere school. Maar van een vrije schoolkeuze was in het geval van [appellante] geen sprake. Bovendien was volgens [appellante] geen van overheidswege bekostigde school in Amsterdam bereid om haar toe te laten, in te schrijven, te plaatsen en daarmee de zorgplicht voor passend onderwijs van het Vossius over te nemen. Ook staat vast dat het Vossius ten onrechte geen verwijderingsbesluit heeft genomen. Er is daarom sprake van een onrechtmatige uitschrijving in het BRON. Een onrechtmatige uitschrijving leidt er volgens [appellante] toe dat de uitschrijving door het bevoegd gezag van het Vossius in het BRON, feitelijk op 19 februari 2018, niet tot gevolg heeft dat zij met ingang van 3 september 2017 geen leerlinge meer is van het Vossius. Daardoor volgt ten onrechte uit het BRON dat [appellante] vanaf die datum niet op een school stond ingeschreven en daarmee sprake is van absoluut verzuim en overtreding van artikel 3 van de Leerplichtwet 1969 (hierna: de Leerplichtwet). Een eenzijdige uitschrijving door het Vossius was volgens [appellante] pas mogelijk nadat zij haar gymnasiumdiploma behaalde op 17 juli 2019.

4.1.    Niet in geschil is dat de minister verwerkingsverantwoordelijke is als bedoeld in de AVG voor persoonsgegevens die in het BRON en het verzuimregister zijn opgenomen. [appellante] kon zich daarom wenden tot de minister met een verzoek op grond van artikel 16 van de AVG om rectificatie van haar betreffende onjuiste persoonsgegevens. Daartoe dient te worden beoordeeld of de gegevens die zijn opgenomen in het BRON en de verzuimregistratie onjuist zijn.

Zoals de minister in zijn schriftelijke uiteenzetting toelicht betreft de in- en uitschrijving van een leerling een bevoegdheid van het bevoegd gezag van de school. De school verstrekt de datum van in- en uitschrijving van een leerling aan de minister om te verwerken in het BRON. Ingevolge artikel 103c, tweede lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs (hierna: de Wvo) moet de school eraan meewerken dat de in het BRON opgenomen gegevens juist en volledig zijn. Gelet op artikel 103c, eerste lid, van de Wvo neemt de minister de door het bevoegd gezag verstrekte persoonsgebonden nummers en andere gegevens op in het BRON, nadat hij deze gegevens heeft getoetst aan de juistheid en volledigheid. Gelet op het bepaalde in artikel 103c, eerste lid, van de Wvo, kan de minister de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens uitsluitend met instemming van het bevoegd gezag wijzigen. Gelet hierop ligt de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de gegevens in beginsel bij het bevoegd gezag, zodat de minister in beginsel mocht uitgaan van de verklaring van het bevoegd gezag dat [appellante] kon worden uitgeschreven. De minister wijst er terecht op dat de toets die hem in artikel 103c, eerste lid, van de Wvo, wordt opgedragen om voorafgaand aan opname van gegevens in het BRON de juistheid en volledigheid van die gegevens te toetsen, niet ziet op individuele inschrijvingen, hetgeen onuitvoerbaar zou zijn. Uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2000/01, 25 828, nr. 8, p. 48-49) volgt dat die toets het volgende inhoudt: "De onderwijsinstelling verstrekt het bestand aan de IBG die een kwaliteitscontrole uitvoert. Deze controle omvat in ieder geval:

- hebben alle onderwijsinstellingen geleverd?

- zijn voor alle records de verplichte gegevens geleverd?

- kloppen de sofi-nummers?

- zijn er dubbeltellingen?

- controle met de GBA gegevens."

4.2.    De minister wijst er voorts op dat bekostiging, gelet op artikel 103d, eerste lid van de Wvo, één van de gebruiksdoeleinden van het BRON is. Het Vossius heeft verklaard dat [appellante] met terugwerkende kracht is uitgeschreven omdat de school de melding had gekregen dat [appellante] zich ingeschreven had bij een andere school en wilde voorkomen dat het Vossius ten onrechte bekostiging voor haar zou ontvangen. Deze redenering sluit aan bij het bepaalde in artikel 5 van het Bekostigingsbesluit WVO. De school dient de leerling op grond van deze bepaling immers uit te schrijven wanneer deze de school heeft verlaten. Wanneer de school [appellante] op 1 oktober 2017 ingeschreven zou hebben laten staan terwijl zij niet daar naar school ging, zou [appellante] ten onrechte worden meegerekend voor de bekostiging. Ingevolge artikel 8 van het Bekostigingsbesluit WVO is het aantal leerlingen dat op 1 oktober als werkelijk schoolgaand is ingeschreven van belang voor het bedrag dat aan bekostiging wordt vastgesteld. De school heeft [appellante] daarom overeenkomstig de bekostigingsregels uitgeschreven en deze uitschrijfdatum doorgegeven aan het BRON. Dat deze uitschrijving feitelijk per 3 september 2017 heeft plaatsgevonden, wordt door [appellante] niet betwist. In zoverre is de verwerking in het BRON juist.

4.3.    Het betoog faalt.

5.       Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de onjuistheid van de uitschrijfdatum niet is gebleken, mede omdat de onderwijsinspectie geen aanleiding heeft gezien om het Vossius op te dragen om de uitschrijfdatum aan te passen. Daartoe voert [appellante] aan dat de rechtbank zelf heeft geoordeeld dat de onderwijsinspectie niet die bevoegdheid heeft om in te grijpen, omdat het bevoegd gezag van de school de bevoegdheid heeft om leerlingen te verwijderen. Daarbij heeft de rechtbank ten onrechte haar oordeel gebaseerd op de omstandigheid dat er in juni 2017 twee andere scholen beschikbaar zouden zijn. Het Vossius heeft volgens [appellante] nooit gesteld dat er in juni 2017 twee scholen bereid waren om haar toe te laten, in te schrijven, te plaatsen en passend onderwijs te bieden. Volgens [appellante] valt niet in te zien hoe een onrechtmatige uitschrijving op 19 februari 2018, geantedateerd op 3 september 2017, zou kunnen leiden tot een juiste uitschrijfdatum op laatstgenoemde datum.

5.1.    Artikel 16 van de AVG geeft de betrokkene het recht tot correctie of aanvullen als de persoonsgegevens onjuist of onvolledig zijn. Daargelaten het bepaalde in het - per 1 juli 2020 vervallen - artikel 103c, eerste lid, van de Wvo, dient de minister als verwerkingsverantwoordelijke voor het BRON onjuiste persoonsgegevens te rectificeren op grond van artikel 16 van de AVG. De onjuistheden moeten wel eenvoudig en objectief zijn vast te stellen. Evenals het in artikel 36, eerste lid, van de Wbp geregelde correctierecht is artikel 16 van de AVG niet bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen.

Hoewel uit het rapport van 15 november 2018 volgt dat het Vossius ten onrechte niet de verwijderingsprocedure heeft gevolgd, concludeert de onderwijsinspectie niet dat de datum van uitschrijving onjuist is geweest. De onderwijsinspectie stelt immers vast dat de school een fout heeft gemaakt door geen procedure voor het verwijderen van de betreffende leerling te starten, nadat bleek dat het behalen van de beoogde opleiding op deze school niet haalbaar was. In de aanloop naar deze procedure heeft de school volgens de onderwijsinspectie aan de verplichting voldaan om te zorgen dat de leerling op een passende andere school zou kunnen worden geplaatst. Uit de bij het rapport gevoegde zienswijze van OSZG blijkt voorts dat [appellante] pas is uitgeschreven nadat zij van een leerplichtambtenaar te horen kreeg dat werd gedoogd dat [appellante] was ingeschreven bij particulier onderwijs en nadat het van de betreffende instelling, het Infinity College, een schriftelijk bewijs van inschrijving had ontvangen. Niet in geschil is dat [appellante] vanaf 3 september 2017 stond ingeschreven bij het Infinity College en aldaar onderwijs volgde. Daarnaast heeft [appellante] de beslissing van de school om haar uit te schrijven per 3 september 2017, ook al is die beslissing per e-mail medegedeeld en ontbreekt een verwijderingsbesluit, niet aangevochten. Er is hierover dan ook geen onafhankelijk juridisch oordeel gegeven op basis waarvan de uitschrijfdatum aangepast zou moeten worden.

Gezien het vorenstaande zijn er naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat de in het BRON geregistreerde datum van uitschrijving onjuist is. De minister heeft daarom terecht geen aanleiding gezien voor wijziging van de datum van uitschrijving in het BRON.

5.2.    Het betoog faalt.

6.       Voorts betoogt [appellante] dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bewijslast voor de juistheid van de verzuimregistratie van een leerling bij het BRON in eerste instantie bij het bevoegd gezag van de school, en in tweede instantie bij de minister ligt, die de informatie van het bevoegd gezag dient te toetsen. De rechtbank gaat voorbij aan de door [appellante] gestelde feiten en omstandigheden die duidelijk maken dat sprake is van een onjuiste verzuimregistratie en onjuiste persoonsgegevens. De minister heeft deze feiten en omstandigheden niet inhoudelijk betwist. Voorts gaat de rechtbank eraan voorbij dat de leerling in een kwetsbare en machteloze positie verkeert doordat veel informatie niet of moeilijk te verkrijgen is, aldus [appellante].

6.1.    Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat, nu niet gezegd kan worden dat de uitschrijfdatum onjuist is, evenmin gezegd kan worden dat de verzuimregistratie onjuist is. [appellante] is in de periode waarop de verzuimregistratie ziet niet bij het Vossius naar school geweest, terwijl zij daar destijds nog wel stond ingeschreven. De school heeft op 16 oktober 2017 relatief verzuim gemeld over de periode van 4 september 2017 tot en met 15 oktober 2017. Dat [appellante] overeenkomstig artikel 5 van het Bekostigingsbesluit Wvo op een later moment met terugwerkende kracht is uitgeschreven maakt niet dat de verzuimmelding onjuist was. Ingevolge artikel 21a, eerste en derde lid, van de Leerplichtwet, zoals die destijds luidden, moet het verzuim onverwijld door de school worden doorgegeven aan de minister ten behoeve van het verzuimregister. Aangezien de school dit vaststelt en zicht heeft op het verzuim, ligt het in de rede dat de minister kan afgaan op de verklaring die de school hierover geeft, namelijk dat [appellante] na de zomervakantie van 2017 niet meer op school is verschenen. Er bestaat daarom geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de verzuimregistratie. Te meer nu [appellante] niet betwist dat zij na de zomervakantie niet meer is verschenen.

6.2.    Het betoog faalt.

Conclusie

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.J.J.M. Pans, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021

587.

 

BIJLAGE

 

Algemene Verordening Gegevensbescherming

Artikel 4. Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1) „persoonsgegevens": alle informatie over een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon („de betrokkene"); als identificeerbaar wordt beschouwd een natuurlijke persoon die direct of indirect kan worden geïdentificeerd, met name aan de hand van een identificator zoals een naam, een identificatienummer, locatiegegevens, een online identificator of van een of meer elementen die kenmerkend zijn voor de fysieke, fysiologische, genetische, psychische, economische, culturele of sociale identiteit van die natuurlijke persoon;

2) „verwerking": een bewerking of een geheel van bewerkingen met betrekking tot persoonsgegevens of een geheel van persoonsgegevens, al dan niet uitgevoerd via geautomatiseerde procedés, zoals het verzamelen, vastleggen, ordenen, structureren, opslaan, bijwerken of wijzigen, opvragen, raadplegen, gebruiken, verstrekken door middel van doorzending, verspreiden of op andere wijze ter beschikking stellen, aligneren of combineren, afschermen, wissen of vernietigen van gegevens;

[…]

Artikel 16. Recht op rectificatie

De betrokkene heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke onverwijld rectificatie van hem betreffende onjuiste persoonsgegevens te verkrijgen. Met inachtneming van de doeleinden van de verwerking heeft de betrokkene het recht vervollediging van onvolledige persoonsgegevens te verkrijgen, onder meer door een aanvullende verklaring te verstrekken.

Wet op het Onderwijstoezicht

Artikel 3. Taken

1. De inspectie heeft de volgende taken:

a. het toezien op:

1°. de naleving van de bij of krachtens een onderwijswet gegeven voorschriften,

2°. de naleving van de bij of krachtens de Wet kinderopvang gegeven voorschriften, voor zover het betreft de voorschoolse educatie op kindercentra,

b. het bevorderen van:

1°. de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het onderwijs aan en het bestuur van instellingen als bedoeld in de onderwijswetten met uitzondering van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek voor zover het niet betreft het onderzoek bedoeld in artikel 12a, derde lid,

2°. de kwaliteit van de uitoefening van de taken van de samenwerkingsverbanden,

3°. de kwaliteit van de uitoefening van de taken van de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, en

4°. de ontwikkeling, in het bijzonder van de kwaliteit, van het stelsel van hoger onderwijs, met inbegrip van het stelsel van accreditatie, bedoeld in artikel 1.1, onderdelen q, r en s, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek.

c. het beoordelen en bevorderen van de financiële rechtmatigheid door in ieder geval het verrichten van onderzoek naar de rechtmatige verkrijging van de bekostiging, naar de controlerapporten van de door het bestuur aangewezen accountant, naar de rechtmatigheid van de bestedingen en naar de rechtmatigheid van het financieel beheer, alsmede het beoordelen en bevorderen van de financiële doelmatigheid en het bevorderen van de financiële continuïteit van de bekostigde instellingen, de samenwerkingsverbanden en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven,

d. het rapporteren over de ontwikkeling van, in bijzonder van de kwaliteit van, het onderwijs en over de uitoefening van de taken door de instellingen, de samenwerkingsverbanden en de Samenwerkingsorganisatie beroepsonderwijs bedrijfsleven, in het bijzonder over de kwaliteit daarvan, en

e. het verrichten van andere bij of krachtens de wet aan de inspectie opgedragen taken.

2. Onze Minister kan de inspectie mandaat verlenen om:

a. de bekostiging voor ten hoogste vijftien procent in te houden of geheel of gedeeltelijk op te schorten, op grond van artikel 164 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 129 van de Wet primair onderwijs BES, artikel 146 van de Wet op de expertisecentra, artikel 104 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 184 van de Wet voortgezet onderwijs BES, artikel 11.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, artikel 10.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES of artikel 15.1 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek;

b. een subsidie lager vast te stellen, te wijzigen, of gedeeltelijk in te trekken of terug te vorderen op grond van de afdelingen 4.2.5 tot en met 4.2.7 van de Algemene wet bestuursrecht;

c. bij of krachtens de Wet op het primair onderwijs, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet voortgezet onderwijs BES, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet educatie en beroepsonderwijs BES of de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek correcties aan te brengen of bedragen in mindering te brengen op de bekostiging;

d. voor zover het niet de enige opleiding in zijn soort betreft, een waarschuwing als bedoeld in de artikelen 6.1.5, 6.1.5b, 6.2.3, 6.2.3b en 6.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 6.2.3, 6.2.4 en 6.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES te geven, of een besluit als bedoeld in de artikelen 6.1.4, 6.1.5b, 6.2.2, 6.2.3b en 6.3.2 van de Wet educatie en beroepsonderwijs en de artikelen 6.2.1, 6.2.4 en 6.3.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs BES te nemen;

e. de bestuurlijke boete op te leggen, bedoeld in artikel 27 van de Leerplichtwet 1969 en in artikel 15.7 tot en met 15.9 van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek; of

f. te beslissen op een tegen een besluit als bedoeld in de onderdelen a tot en met e ingediend bezwaarschrift.

Artikel 20. Vaststelling van inspectierapporten

1. De inspectie legt haar oordelen en bevindingen naar aanleiding van een onderzoek als bedoeld in artikel 11, dan wel artikel 12a, vast in een inspectierapport. In het inspectierapport wordt onderscheid aangebracht tussen oordelen op grond van de in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, bedoelde taak en bevindingen op grond van de in artikel, eerste lid, onderdeel b, bedoelde taak.

6. Het inspectierapport waarin de inspectie tot het oordeel komt dat de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is, als bedoeld in artikel 10a, eerste of vierde lid, van de Wet op het primair onderwijs, artikel 19a van de Wet op de expertisecentra en artikel 23a1, eerste of vierde lid, van de Wet op het voortgezet onderwijs geldt na vaststelling als een besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht.

Wet op het voortgezet onderwijs

Artikel 23a1. Zeer zwak onderwijs

1. De kwaliteit van het onderwijs is zeer zwak indien de leerresultaten van het voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, het hoger algemeen voortgezet onderwijs, het middelbaar algemeen voortgezet onderwijs, het voorbereidend beroepsonderwijs, het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs in de theoretische leerweg en de gemengde leerweg, het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs in de basisberoepsgerichte leerweg dan wel het voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs in de kaderberoepsgerichte leerweg ernstig en langdurig tekortschieten en het bevoegd gezag in verband met dit tekortschieten eveneens tekortschiet in de naleving van een of meer bij of krachtens deze wet gegeven voorschriften. Het bevoegd gezag voldoet in elk geval niet aan de wettelijke opdracht om zorg te dragen voor de kwaliteit van het onderwijs, bedoeld in artikel 23a, indien de kwaliteit van het onderwijs zeer zwak is.

4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop leerresultaten worden gemeten. Voorts wordt de normering, bedoeld in het tweede lid, bepaald en de aard en het aantal van de gegevens die ten minste beschikbaar moeten zijn.

Artikel 27. Toelating, verwijdering, voorwaardelijke bevordering; verblijfsduur praktijkonderwijs

1. Het bevoegd gezag beslist over de toelating van leerlingen, met inachtneming van deze paragraaf. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen voor elke soort van scholen of voor aan scholen als bedoeld in artikel 10a verzorgde profielen voorwaarden voor de toelating en voorschriften omtrent verwijdering en voorwaardelijke bevordering worden vastgesteld. De algemene maatregel van bestuur bedoeld in de tweede volzin houdt in elk geval voorschriften in met betrekking tot de voorwaarden voor de toelating tot de scholen, bedoeld in de artikelen 7, 8, 9 en 10a. Definitieve verwijdering van een leerling waarop de Leerplichtwet 1969 van toepassing is, vindt niet plaats dan nadat het bevoegd gezag ervoor heeft zorggedragen dat een andere school, een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs dan wel een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Leerplichtwet 1969 bereid is de leerling toe te laten.

1a. Voor het volgen van een vorm van onderwijs als onderscheiden in artikel 5 aan een school wordt uitsluitend als leerling toegelaten degene waarvan de ouders, voogden of verzorgers aantonen, dan wel, indien hij meerderjarig en handelingsbekwaam is, degene die aantoont dat hij:

a. de Nederlandse nationaliteit bezit of op grond van een wettelijke bepaling als Nederlander wordt behandeld,

b. vreemdeling is en jonger is dan 18 jaar op de eerste schooldag waarop de vorm van voortgezet onderwijs als onderscheiden in artikel 5 begint waarvoor voor de eerste maal toelating wordt gewenst,

c. vreemdeling is, 18 jaar of ouder is op de eerste schooldag waarop de vorm van voortgezet onderwijs als onderscheiden in artikel 5 begint waarvoor voor de eerste maal toelating wordt gewenst en op die dag rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 8 van de Vreemdelingenwet 2000, of

d. vreemdeling is, niet meer voldoet aan een van de voorwaarden, genoemd onder b of c, en eerder in overeenstemming met een van die onderdelen voor een vorm van voortgezet onderwijs als onderscheiden in artikel 5 is toegelaten tot een school, welke vorm van voortgezet onderwijs nog steeds wordt gevolgd en nog niet is voltooid.

1b. Indien na de toelating tot de school blijkt dat deze op welke grond dan ook niet in overeenstemming met lid 1a heeft plaatsgevonden, wordt de leerling onmiddellijk verwijderd.

1c. De toelating van de leerling wordt gebaseerd op het schooladvies, bedoeld in artikel 42, tweede lid, van de Wet op het primair onderwijs of artikel 43, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra.

2. De toelating wordt niet afhankelijk gesteld van een andere dan een bij of krachtens de wet geregelde bijdrage.

2a. De aanmelding van leerlingen voor toelating geschiedt schriftelijk. De ouders doen de aanmelding zo mogelijk ten minste 10 weken voor de datum waarop toelating wordt gevraagd en geven bij de aanmelding aan bij welke school of scholen eveneens om toelating is verzocht.

2b. Het bevoegd gezag beoordeelt of de aanmelding een leerling betreft die extra ondersteuning behoeft. Hiertoe kan het bevoegd gezag de ouders verzoeken gegevens te overleggen betreffende stoornissen of handicaps van de leerling of beperkingen in de onderwijsparticipatie. Onder extra ondersteuning wordt niet verstaan ondersteuning ter bevordering van de beheersing van de Nederlandse taal met het oog op het voorkomen en bestrijden van onderwijsachterstanden.

2c. Indien de toelating van een leerling die extra ondersteuning behoeft, wordt geweigerd, vindt de weigering niet plaats dan nadat het bevoegd gezag er, na overleg met de ouders en met inachtneming van de ondersteuningsbehoefte van de leerling en de schoolondersteuningsprofielen van de betrokken scholen, voor heeft zorg gedragen dat een andere school bereid is de leerling toe te laten. Onder andere school kan ook worden verstaan een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een school voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs, een instelling voor speciaal en voortgezet speciaal onderwijs als bedoeld in de Wet op de expertisecentra of een instelling als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Leerplichtwet 1969.

2d. De leden 2b en 2c zijn niet van toepassing:

a. indien op de school waar de leerling is aangemeld geen plaatsruimte beschikbaar is, of

b. indien het bevoegd gezag de ouders bij de aanmelding verzoekt te verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs op de school zullen respecteren dan wel te verklaren dat zij de grondslag van het onderwijs op de school zullen onderschrijven, en de ouders dit weigeren te verklaren, of

c. indien de leerling niet voldoet aan de voorwaarden voor toelating gesteld bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid.

2e. Het bevoegd gezag neemt de beslissing over toelating van een leerling zo spoedig mogelijk doch uiterlijk 6 weken na ontvangst van de aanmelding. Indien de beslissing, bedoeld in de vorige volzin, niet binnen 6 weken kan worden gegeven, deelt het bevoegd gezag dit aan de ouders mede en noemt het daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beslissing wel tegemoet kan worden gezien, welke termijn ten hoogste 4 weken bedraagt.

[…]

4. Op bezwaarschriften tegen beslissingen over toelating of verwijdering van leerlingen, beslist het bevoegd gezag, voor zover het een bevoegd gezag van een openbare school betreft in afwijking van artikel 7:10 van de Algemene wet bestuursrecht, binnen 4 weken na ontvangst van het bezwaarschrift, doch niet eerder dan nadat de leerling en, indien deze jonger is dan 18 jaar, ook diens ouders, voogden of verzorgers, in de gelegenheid is, respectievelijk zijn gesteld, te worden gehoord en kennis heeft, respectievelijk hebben kunnen nemen van de op die beslissingen betrekking hebbende adviezen of rapporten.

Artikel 27c. Tijdelijke geschillencommissie toelating en verwijdering

1. Er is tot een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip een landelijke commissie voor geschillen waarbij elke school, school als bedoeld in de Wet op het primair onderwijs en school als bedoeld in de Wet op de expertisecentra is aangesloten.

2. De commissie neemt kennis van geschillen tussen ouders en bevoegd gezag van een school die ontstaan bij de toepassing van:

a. artikel 26, eerste, tweede en vijfde lid, en

b. artikel 27, eerste lid, vierde volzin en de leden 2b, 2c en 2d.

[…]

Artikel 103c. Verwerking gegevens door Onze Minister

(vervallen per 1 juli 2020)

1. Onze Minister neemt de door het bevoegd gezag verstrekte persoonsgebonden nummers en andere gegevens, bedoeld in artikel 103b, tweede en achtste lid, op in het basisregister onderwijs, nadat hij deze gegevens heeft getoetst aan de juistheid en volledigheid. Onze Minister verstrekt de gegevens, inclusief de gegevens, bedoeld in artikel 24c, eerste lid, onderdeel g, van de Wet op het onderwijstoezicht, zoals hij voornemens is die gegevens in het basisregister onderwijs op te nemen, aan het bevoegd gezag. Onverminderd artikel 103d, tweede lid, kan Onze Minister de door het bevoegd gezag verstrekte gegevens uitsluitend met instemming van het bevoegd gezag wijzigen.

2. Het bevoegd gezag verstrekt Onze Minister alle inlichtingen die hij nodig acht voor de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid. Het bevoegd gezag werkt eraan mee dat de in het basisregister opgenomen gegevens juist en volledig zijn.

[…]

Bekostigingsbesluit WVO

Artikel 5. Uitschrijving

1. De directeur, rector of centrale directie van een school waarop de leerling staat ingeschreven, schrijft de leerling, indien deze de school verlaat, uit met ingang van de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht en verstrekt de leerling een bewijs van uitschrijving. De directeur, rector of centrale directie schrijft de leerling die wordt uitgeschreven na de school op de laatste schooldag van het schooljaar te hebben bezocht, uit met ingang van 31 juli van dat schooljaar.

2. Indien de directeur, rector of centrale directie van een school waarop de leerling stond ingeschreven, binnen vier weken na de dag waarop de leerling de school voor het laatst heeft bezocht een mededeling ontvangt van de directeur, rector of centrale directie van een school of een school voor ander onderwijs, van de inschrijving van de leerling op laatstbedoelde scholen, wijzigt de directeur, rector of centrale directie de datum van uitschrijving, bedoeld in het eerste lid, alsnog in de datum van de dag voorafgaande aan de dag van inschrijving op de andere school of de school voor ander onderwijs.

Artikel 8. Vaststelling van het bedrag voor personeel- en exploitatiekosten

1. Onze minister stelt jaarlijks het bedrag, bedoeld in artikel 96d, eerste lid, van de wet vast. Het bedrag heeft betrekking op een kalenderjaar.

2. Bij de vaststelling van het in artikel 96d, eerste lid, van de wet bedoelde bedrag, neemt Onze Minister wat het aantal leerlingen betreft in aanmerking het aantal leerlingen dat op 1 oktober van het jaar, voorafgaand aan het jaar waarop het in de eerste volzin bedoeld bedrag betrekking heeft, als werkelijk schoolgaand aan de school stond ingeschreven, onverminderd artikel 7.

[…]

Leerplichtwet 1969

Artikel 3. Begin en einde van de verplichting tot inschrijving

1. De  verplichting om te zorgen, dat een jongere als leerling van een school staat ingeschreven, begint op de eerste schooldag van de maand volgende op die waarin de jongere de leeftijd van vijf jaar bereikt, en eindigt:

a. aan het einde van het schooljaar na afloop waarvan de jongere ten minste twaalf volledige schooljaren een of meer scholen heeft bezocht;

b. aan het einde van het schooljaar waarin de jongere de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt.

[…]

Artikel 21a. Centrale kennisgeving relatief verzuim

1. Indien een ingeschreven leerling van een school als bedoeld in artikel 1, onderdeel b, subonderdelen 1 en 2, zonder geldige reden les- of praktijktijd heeft verzuimd en dit verzuim gedurende een periode van vier opeenvolgende lesweken in totaal zestien uren les- of praktijktijd bedraagt, geeft het hoofd van de school hiervan onverwijld kennis aan Onze minister, zo mogelijk onder opgave van de reden die naar zijn oordeel ten grondslag ligt aan het verzuim.

3. Onze minister neemt de op grond van dit artikel door het hoofd verstrekte gegevens van de betrokken leerling op in het meldingsregister relatief verzuim.