Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1009

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
202001270/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 18 december 2019 heeft de raad en het college van burgemeester en wethouders van Woerden het bestemmingsplan "De Pionier" vastgesteld. Het plan en de daarbij horende omgevingsvergunning voorzien in de bouw van een appartementencomplex met 24 appartementen op het perceel. Op het perceel rusten de bestemmingen "Verkeer" en "Wonen". De beoogde doelgroep van de appartementen bestaat uit senioren. Een aantal omwonenden is het niet eens met de komst van het appartementencomplex en heeft daarom beroep ingesteld tegen het plan en de omgevingsvergunning. De omwonenden stellen onder meer dat het appartementencomplex niet past in de omgeving en ernstige gevolgen zal hebben voor hun woon- en leefklimaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001270/1/R4.

Datum uitspraak: 12 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.       [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], wonend te Zegveld, gemeente Woerden,

2.       [appellant sub 2], wonend te Zegveld, gemeente Woerden,

3.       [appellant sub 3], wonend te Zegveld, gemeente Woerden,

4.       [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 4]), wonend te Zegveld, gemeente Woerden,

appellanten,

en

de raad en het college van burgemeester en wethouders van Woerden,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 18 december 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "De Pionier" vastgesteld.

Bij besluit van 9 januari 2020 heeft het college aan Stichting GroenWest te Woerden een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van 24 appartementen met buitenbergingen ter plaatse van Clausstraat 22 in Zegveld (hierna: het perceel).

Tegen het plan en dit besluit hebben [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] beroep ingesteld.

Het college en de raad hebben een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 26 oktober 2020 heeft het college de omgevingsvergunning van 9 januari 2020 vervangen.

[appellanten sub 1] hebben naar aanleiding van dit besluit een zienswijze ingediend.

Het college heeft een nader stuk ingediend.

[appellant sub 3] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 februari 2021, waar [appellant sub 1A], bijgestaan door mr. L. Brouwers, rechtsbijstandsverlener te Leusden, en [appellant sub 1B], vertegenwoordigd door mr. L. Brouwers, rechtsbijstandverlener te Leusden, en [appellant sub 2], bijgestaan door mr. D.S. Muller, advocaat te Harderwijk, en [appellant sub 3], en [appellant sub 4A], en het college en de raad, vertegenwoordigd door S. de Rijke, L. Schepers, K. ten Hove en C. Muller, zijn verschenen. Ook is ter zitting Stichting GroenWest, vertegenwoordigd door mr. P.A. Kok, advocaat te Rotterdam, en [gemachtigde] gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.       Het plan en de daarbij horende omgevingsvergunning voorzien in de bouw van een appartementencomplex met 24 appartementen op het perceel. Op het perceel rusten de bestemmingen "Verkeer" en "Wonen". De beoogde doelgroep van de appartementen bestaat uit senioren.

Een aantal omwonenden is het niet eens met de komst van het appartementencomplex en heeft daarom beroep ingesteld tegen het plan en de omgevingsvergunning. De omwonenden stellen onder meer dat het appartementencomplex niet past in de omgeving en ernstige gevolgen zal hebben voor hun woon- en leefklimaat.

Toegang tot de rechter

2.       In de bekendmaking van het ontwerpbestemmingsplan en de omgevingsvergunning van 9 januari 2019 wordt aangegeven dat op grond van artikel 3.30 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) en de Coördinatieverordening gemeente Woerden 2012 het bestemmingsplan en de aanvraag voor de omgevingsvergunning gecoördineerd worden behandeld. Bij de omgevingsvergunning van 9 januari 2019 leidt het toepassen van de coördinatieregeling van artikel 3.30 van de Wro tot (bestuurs)rechtspraak in één instantie, omdat de Afdeling in eerste en enige aanleg bevoegd is kennis te nemen van besluiten die zijn voorbereid met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling.

Beroepen tegen het plan

Toetsingskader

3.       Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ladder van duurzame verstedelijking

4.       [appellanten sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat de raad het plan niet op juiste wijze heeft getoetst aan de ladder voor duurzame verstedelijking als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro). Volgens hen is niet aangetoond dat er een behoefte bestaat aan de woningen.

4.1.    De Afdeling stelt vast dat de raad in paragraaf 3.1 van de plantoelichting ingaat op de ladder van duurzame verstedelijking. Volgens de raad voorziet het appartementencomplex in een behoefte. Hij verwijst daarbij naar paragraaf 3.3 van de plantoelichting, waarin wordt ingegaan op de "Woonvisie Woerden 2019-2024". Daarnaast wordt er gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied. Er wordt dus voldaan aan de ladder, aldus de raad.

4.2.    In artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Dit artikel luidt als volgt: "de toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien".

4.3.    De Afdeling stelt vast dat de raad in de plantoelichting in paragraaf 3.1 toelicht dat wordt voldaan aan de treden van de ladder voor duurzame verstedelijking. De raad heeft in de "Nota van Beantwoording zienswijzen ontwerpbestemmingsplan De Pionier en ontwerp-omgevingsvergunning OLQ4412391" aangegeven dat de mogelijkheid om woningen in Zegveld te bouwen zeer beperkt is.

Ter zitting heeft de raad toegelicht dat het appartementencomplex past in de Woonvisie. Dat er behoefte bestaat aan deze appartementen kan ook worden afgeleid uit het rapport van RIGO Research en Advies, dat de raad aanhaalt in de Nota van Beantwoording. Uit het RIGO-rapport kan worden afgeleid dat het aantal mensen van 75 jaar en ouder toeneemt met 73% in de periode 2017 tot 2030. [appellanten sub 1], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] hebben geen concrete feiten en omstandigheden aangevoerd op grond waarvan aan deze prognose moet worden getwijfeld.

De raad zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat het plan voorziet in de behoefte als bedoeld artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro.    

Het betoog slaagt niet.

Vastleggen doelgroep

5.       [appellanten sub 1] en [appellant sub 3] stellen dat volgens het plan vooral seniorenwoningen beoogd zijn, maar dat onduidelijk is hoe wordt gewaarborgd dat de woningen ook door senioren zullen worden bewoond.

5.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, (onder meer in haar uitspraak van 8 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:18) mag een bestemmingsplan geen regels bevatten die een verbod inhouden op het gebruik van de woning door personen buiten een doelgroep, omdat dit zou leiden tot een niet ruimtelijk relevant onderscheid. Hoewel de raad heeft toegelicht dat hij met het plan heeft beoogd om te voorzien in een passend woningaanbod voor senioren kan dit niet worden vastgelegd in de regels van een bestemmingsplan. Het plan laat de bewoning van de woningen door senioren toe, maar sluit bewoning door anderen niet uit.

Het betoog slaagt niet.

Appartementencomplex niet passend in de omgeving

6.       [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat het plan in strijd is met een goede ruimtelijke ordening, omdat de omvang, positionering en de bouwhoogte van het appartementencomplex niet passend zijn binnen de bestaande omgeving. [appellant sub 4] wijst erop dat het appartementencomplex te grootschalig is en daarmee de bestaande kleinschaligheid teniet doet. [appellanten sub 1] wijzen ter onderbouwing van hun standpunt op een rapport van Bureau M&DM.

6.1.    In artikel 4.2, onder c, van de planregels is bepaald dat de bouwhoogte op gronden met de bestemming "Wonen" niet meer mag bedragen dan met de aanduiding "maximale bouwhoogte" is aangegeven. De maximale bouwhoogte is volgens de aanduiding op de verbeelding 10 meter.

6.2.    De Afdeling stelt vast dat in een vorig plan, "Kern Zegveld", een wijzigingsbevoegdheid was opgenomen die het mogelijk maakte op het perceel 16 woningen te bouwen met een bouwhoogte van maximaal 7 meter. Daarnaast heeft op het perceel tot juli 2016 basisschool "De Pionier" gestaan.

Op het rapport van M&DM heeft de raad een reactie gegeven, waarin wordt uitgelegd dat het appartementencomplex op een ruimtelijk aanvaardbare manier wordt ingepast in de omgeving. Daarbij heeft de raad onder meer de afmetingen en de situering van het appartementencomplex betrokken. De voormalige school vormde een uitzondering binnen het stedenbouwkundige patroon van rijwoningen en twee-onder-een-kappers. Deze uitzonderingspositie geeft aanleiding om ter plaatse van het voorziene appartementencomplex een afwijkende bebouwingstypologie te realiseren, aldus de raad.

Wat betreft de omvang van het appartementencomplex stelt de Afdeling vast dat het complex zal bestaan uit drie bouwlagen, wat qua omvang groter is dan de omliggende woningen, die uit twee bouwlagen met een schuine kap bestaan. De Afdeling stelt vast dat de omliggende woningen een bouwhoogte van ongeveer 9 meter hebben. Het appartementencomplex wijkt met een maximale hoogte van 10 meter in geringe mate hiervan af. Het appartementencomplex bevindt zich bovendien op ongeveer 18 meter van de woningen van [appellant sub 2] en [appellant sub 4] en op ongeveer 27 meter van de woningen van [appellant sub 3] en [appellanten sub 1]. Deze afstanden tot het appartementencomplex zijn in een stedelijke omgeving, waarin het plangebied ligt, niet gering.

De Afdeling is onder deze omstandigheden, en gezien de reactie van de raad op het rapport van M&DM, van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het appartementencomplex passend is in de omgeving en in dit opzicht niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Het betoog slaagt niet.

Bebouwingsdichtheid

7.       [appellant sub 3] en [appellanten sub 1] betogen dat het plan in strijd is met de Ruimtelijke Structuurvisie Woerden 2009-2030, waarin wordt gesteld dat de maximale bebouwingsdichtheid 20 woningen per hectare bedraagt. Deze bebouwingsdichtheid wordt volgens hen overschreden.

7.1.    De Afdeling stelt vast dat in de structuurvisie onder het kopje "Spelregels Uitbreiding Zegveld" is aangegeven dat de dichtheid maximaal 20 woningen per hectare bedraagt. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat deze bebouwingsdichtheid geldt voor het gebied buiten ‘de rode contouren’, zoals geformuleerd in paragraaf 5.1 van de structuurvisie. Het plangebied valt binnen de rode contouren. De eis van 20 woningen per hectare is dus niet van toepassing op dit plan.

Het betoog slaagt niet.

Woon- en leefklimaat

8.       [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat het plan leidt tot een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat, in het bijzonder door schaduwwerking en het verlies van privacy en uitzicht. Ter zitting heeft [appellant sub 1A] toegelicht dat zijn uitzicht op het groen in de omgeving wordt aangetast. [appellant sub 2] stelt dat er geen rekening is gehouden met de situering van zijn woning. Ter zitting heeft

[appellant sub 2] gewezen op het verlies van zonlicht in zijn woonkamer.

8.1.    Wat betreft de bezonning is ten behoeve van de vaststelling van het plan een bezonningsstudie voor alle seizoenen verricht, gedateerd op 26 juni 2019, die als bijlage bij het plan is gevoegd. De studie is gedaan op basis van de maximale bouwhoogte van 10 meter en de overige afmetingen van het appartementencomplex. De raad heeft uiteengezet dat uit deze studie volgt dat er in de maanden maart en september in de ochtend en begin van de middag geen schaduw valt in de omliggende tuinen en woningen aan de Clausstraat. Pas vanaf 17:00 uur valt er schaduw in de voortuin van Clausstraat 10, waar [appellant sub 3] woont. In de zomer, waarbij juni als referentiemaand is genomen, valt er in de ochtend en middag geen schaduw van het appartementencomplex in de voortuinen van de betreffende woningen. Vanaf 19:00 uur is er alleen bij Clausstraat 1 t/m 7 sprake van schaduw in de voortuin. De raad heeft erop gewezen dat er in de winter sowieso al weinig zonuren zijn. Appellanten hebben de conclusies uit de bezonningsstudie niet betwist. Hoewel kan worden erkend dat het verlies van zon in de woonkamer van [appellant sub 2] nadelig voor hem is, is de Afdeling van oordeel dat de raad zich op basis van de bezonningsstudie in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot onaanvaardbare gevolgen voor [appellant sub 2] wat betreft het aspect bezonning. Ook voor de andere appellanten ziet de Afdeling geen aanleiding voor een dergelijk oordeel.

De Afdeling overweegt dat het niet is uitgesloten dat het plan leidt tot enige aantasting van privacy door mogelijke inkijk vanaf de balkons van het appartementencomplex en tot verlies van uitzicht. De Afdeling is echter van oordeel dat, gelet op de afstanden tussen de percelen van appellanten en het toekomstige appartementencomplex, de maximale toegestane bouwhoogte van 10 meter ter plaatse en een stedelijke omgeving, de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare aantasting van de privacy en een onaanvaardbaar verlies van uitzicht van appellanten. Hierbij neemt de Afdeling in aanmerking dat er geen recht bestaat op een blijvend vrij uitzicht en dat het grootste gedeelte van de omliggende woningen zicht behoudt op het groen in de omgeving. Daarnaast kan in een stedelijk gebied een woonsituatie vrij van inkijk niet worden gegarandeerd.

Het betoog slaagt niet.

Waardevermindering en planschade

9.       [appellant sub 3] betoogt dat de waarde van zijn woning door het plan negatief wordt beïnvloed. Volgens [appellant sub 3] is planschade altijd slechts een tegemoetkoming en verdampt de waarde van zijn woning door factoren als het normaal maatschappelijk risico en voorzienbaarheid.

9.1.    Wat de eventueel nadelige invloed van het plan op de waarde van de woning van [appellant sub 3] betreft, bestaat geen aanleiding voor de verwachting dat die waardevermindering zo groot zal zijn dat de raad bij de afweging van de belangen hieraan een groter gewicht had moeten toekennen dan hij heeft gedaan.

Verder kan een verzoek om planschadevergoeding in deze procedure niet aan de orde komen. De Afdeling overweegt daartoe dat er ingevolge artikel 6.1 van de Wro een aparte procedure bestaat voor vermindering van waarde van onroerende zaken als gevolg van ruimtelijke besluiten.

Het betoog slaagt niet.

Parkeerdruk en verkeersdrukte

10.     [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat het plan onvoldoende waarborgen biedt om parkeeroverlast tegen te gaan. Verder vreest [appellant sub 2] overlast van het verkeer als gevolg van het plan, ook omdat de uitgang- en toegang tot de parkeerplaats tegenover zijn woning is gesitueerd.

10.1.  Artikel 4.3.2 van de planregels luidt: "Het bevoegd gezag kan pas een omgevingsvergunning verlenen voor de activiteiten bouwen en/of gebruiken van gronden en/of de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening, met inachtneming van het volgende:

1. in het geval van nieuwbouw, uitbreiding en functiewijziging van gebouwen en/of voorzieningen, dient op eigen terrein te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen;

2. er is sprake van voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen, indien:

a. wordt voldaan aan de normen die zijn neergelegd in de door het bevoegd gezag vastgestelde beleidsregels met betrekking tot het parkeren en laden en lossen, zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning;

b. de parkeerplaatsen voldoen aan de verdere eisen (maatvoering en ontwerp) die in volgende beleidsnota's worden vastgesteld; en dat indien deze nota wordt vernieuwd, rekening wordt gehouden met de nieuwe regels."

10.2.  De Afdeling stelt vast dat er ingevolge artikel 4.3.2 van de planregels pas een omgevingsvergunning voor de bouw van het appartementencomplex kan worden verleend als sprake is van voldoende parkeergelegenheid. Volgens de planregels moet worden aangesloten bij de parkeerregeling die geldt op het moment van het indienen van de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor bouwen. Dat is in dit geval de "Nota parkeernormen" van de gemeente Woerden uit 2014. Voor de vraag of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid, is de Nota parkeernormen bepalend.     

De Afdeling overweegt dat de parkeerregeling zoals in het plan is opgenomen, voldoende parkeergelegenheid waarborgt. De parkeerregeling is ook niet ongebruikelijk wat betreft de gekozen systematiek.

Wat betreft de verkeersdrukte overweegt de Afdeling dat het onvermijdelijk is dat de verkeersdrukte zal toenemen door de komst van het appartementencomplex. Blijkens de plantoelichting gaat het om een toename van gemiddeld 98 voertuigen per etmaal. Appellanten hebben dit niet betwist. De Afdeling is van oordeel dat de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze relatief beperkte toename van het verkeer niet tot onevenredige overlast voor [appellant sub 2] zal leiden.

Het betoog slaagt niet.

Inlassen zienswijzen

11.     [appellant sub 2] en [appellant sub 4] hebben zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van hun zienswijze. In de Nota van Beantwoording is ingegaan op deze zienswijzen. Afgezien van wat hiervoor aan de orde is geweest, hebben [appellant sub 2] en [appellant sub 4] in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom de weerlegging van hun zienswijze in het bestreden besluit onvoldoende of onjuist zou zijn.

Het betoog slaagt niet.

Beroepen tegen de omgevingsvergunning

Parkeerdrukte

12.     Op 26 oktober 2020 heeft het college de verleende omgevingsvergunning vervangen. De vervanging heeft eruit bestaan dat het aantal parkeerplaatsen op grond van deze omgevingsvergunning werd verhoogd van 29 naar 30 parkeerplaatsen.

De Afdeling merkt op dat een besluit tot vervanging van het oorspronkelijk bestreden besluit ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb onderdeel is van het geding. Het beroep van [appellanten sub 1], [appellant sub 2] en [appellant sub 3] is dus van rechtswege mede gericht tegen het besluit van 26 oktober 2020.

Ter zitting is gebleken dat de woningcorporatie Stichting GroenWest, die het appartementencomplex wil realiseren, het eens is met dit besluit. Onder deze omstandigheden heeft Stichting GroenWest geen belang bij een beroep dat betrekking heeft op het gewijzigde besluit zodat voor haar geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb is ontstaan.

Beroepen tegen de oorspronkelijke omgevingsvergunning

13.     [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat het college bij de verlening van de omgevingsvergunning van 9 januari 2020 een onjuiste parkeernorm heeft gehanteerd.

13.1.  In het besluit van 9 januari 2020 heeft het college een parkeernorm van 1,2 gehanteerd. In het besluit van 26 oktober 2020 hanteert het college een parkeernorm van 1,4. Omdat het college zich in zoverre op een ander standpunt stelt dan hij in het bestreden besluit van 9 januari 2020 heeft gedaan en niet is gebleken dat gewijzigde omstandigheden hiervoor aanleiding hebben gegeven, is het bestreden besluit van 9 januari 2020 wat betreft de gehanteerde parkeernorm niet met de vereiste zorgvuldigheid voorbereid.

Het betoog slaagt.

Beroepen tegen de gewijzigde omgevingsvergunning

14.     [appellanten sub 1], [appellant sub 2], [appellant sub 3] en [appellant sub 4] betogen dat het college bij de gewijzigde omgevingsvergunning een onjuiste parkeernorm heeft gehanteerd. Volgens [appellanten sub 1] geldt een parkeernorm van 1,9 voor het segment "Koop, etage, midden".

[appellanten sub 1] stellen verder dat niet duidelijk is waarom het college heeft gekozen voor het segment dat hoort bij de parkeernorm van 1,4 en dat dubbelgebruik niet mogelijk is.

14.1.  De Afdeling stelt vast dat er bij het gewijzigde besluit van 26 oktober 2020 een parkeernorm van 1,4 gelieerd aan het segment "Huur, etage midden/goedkoop" is gehanteerd. Het college heeft ter zitting toegelicht dat dubbelgebruik van de parkeerplaatsen is toegestaan. Door het dubbelgebruik kan optimaal gebruik worden gemaakt van een parkeervoorziening.

De Afdeling overweegt dat Stichting GroenWest heeft toegelicht dat de woningen van het appartementencomplex geen koop- maar huurwoningen zullen worden en dat de meerderheid van de woningen met voorrang zal worden toegewezen aan mensen ouder dan 65 jaar.

De stelling van [appellanten sub 1] dat het college had moeten kiezen voor een parkeernorm van 1,9, behorend bij koopwoningen, volgt de Afdeling niet, gelet op deze toelichting.

De Afdeling overweegt dat uitgaande van een parkeernorm van 1,4 34 parkeerplaatsen nodig zijn voor het appartementencomplex. Uit de toelichting op het besluit van 26 oktober 2020 blijkt dat bij dubbelgebruik, er 30 nodig zijn. De Nota parkeernormen staat dubbelgebruik toe voor het berekenen van het aantal benodigde parkeerplaatsen. De Afdeling is van oordeel dat het college zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat dubbelgebruik ook mogelijk is. Dit betekent dat er in totaal 30 parkeerplaatsen benodigd zijn. Aangezien deze zullen worden gerealiseerd, wordt voldaan aan de toepasselijke parkeernorm. Overigens merkt de Afdeling hierbij op dat er in totaal 38 parkeerplaatsen zullen komen, waaronder 8 openbare parkeerplaatsen.

Het betoog slaagt niet.

Welstand

15.     [appellanten sub 1] betogen dat het aan het besluit van 26 oktober 2020 ten grondslag gelegde welstandsadvies zulke gebreken vertoont dat het college dit advies niet aan zijn besluit ten grondslag had mogen leggen. Ter onderbouwing van hun standpunt dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand hebben zij een welstandsadvies (hierna: tegenadvies) van M&DM van 3 januari 2021 overgelegd. Volgens het tegenadvies past het appartementencomplex niet in de omgeving.

15.1.  In het verweerschrift stelt het college dat het bouwplan is getoetst aan de welstandsnota en de beeldkwaliteitsparagraaf en hiermee niet in strijd is. Daarnaast heeft het college op de inhoud van het tegenadvies een gemotiveerde reactie gegeven. In deze reactie wordt gesteld dat het appartementencomplex voldoet aan de redelijke eisen van welstand.

15.2.  Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten.

Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijke adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs.

Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.

15.3.  Over de inhoud van de gemotiveerde reactie van het college op het tegenadvies overweegt de Afdeling dat het college hierin naar het oordeel van de Afdeling deugdelijk motiveert waarom het appartementencomplex voldoet aan de redelijke eisen van welstand. Hierbij heeft het college onder meer de ontwikkelingsgeschiedenis van de wijk betrokken en de stedenbouwkundige context van de voormalige school. Dat in het tegenadvies een andere visie wordt gegeven op de ontwikkelingsgeschiedenis van de wijk waarin het appartementencomplex komt te staan en dat in het tegenadvies de goothoogte in plaats van de bouwhoogte van het bouwplan meer wordt benadrukt, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college een onjuiste welstandstoets heeft uitgevoerd.     

De slotsom is dat het college zich in redelijkheid op basis van het welstandsadvies en de op het tegenadvies gegeven reactie, op het standpunt heeft kunnen stellen dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

16.     De beroepen tegen het plan en de beroepen tegen het besluit van 26 oktober 2020 zijn ongegrond. De beroepen tegen het besluit van 9 januari 2020 zijn gegrond en dit besluit moet worden vernietigd.

17.     Het college moet de proceskosten van [appellanten sub 1] en van [appellant sub 2] vergoeden. Het college hoeft de proceskosten van [appellant sub 3] en [appellant sub 4] niet te vergoeden. De kosten voor het deskundigenrapport van M&DM komen niet voor vergoeding in aanmerking, omdat dit deskundigenrapport is aangevoerd ter onderbouwing van beroepsgronden die niet slagen en dit deskundigenrapport los staat van de beroepsgrond die wel slaagt.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.        verklaart de beroepen tegen het besluit van de raad van de gemeente Woerden van 18 december 2019, waarbij de raad het bestemmingsplan "De Pionier" heeft vastgesteld, ongegrond;

II.       verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Woerden van 9 januari 2020, waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van 24 appartementen met buitenbergingen ter plaatse van Clausstraat 22 in Zegveld, gegrond;

III.      vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden van 9 januari 2020, waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van 24 appartementen met buitenbergingen ter plaatse van Clausstraat 22 in Zegveld;

IV.      verklaart de beroepen tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden van 26 oktober 2020, waarbij een omgevingsvergunning is verleend voor het bouwen van 24 appartementen met buitenbergingen ter plaatse van Clausstraat 22 in Zegveld, ongegrond;

V.       veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden in verband met de behandeling van de beroepen tot vergoeding van de opgekomen proceskosten:

- ten aanzien van [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B] tot een bedrag van € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- ten aanzien van [appellant sub 2] tot een bedrag van € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.      gelast dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Woerden aan appellanten het door hen voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht vergoedt:

- ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;

- ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor [appellant sub 2];

- ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor [appellant sub 3];

- ten bedrage van € 178,00 (zegge: honderdachtenzeventig euro) voor [appellant sub 4A] en [appellant sub 4B], met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.L.M. van Loo, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021

418-963.