Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1003

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
201905114/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 28 november 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende aan [derde belanghebbende] een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 10.300,00. [derde belanghebbende] is sinds mei 1987 eigenaar van het perceel [locatie 1] te Leende. Hij heeft verzocht om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van het op 6 maart 2014 in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende 2014" (hierna ook: het nieuwe bestemmingsplan). Dat bestemmingsplan maakt op een perceel (hierna: het bouwperceel) tegenover het perceel van [derde belanghebbende], aan de overzijde van de straat Boschhoven, de bouw van twee nieuwe woningen mogelijk. Voorheen was daar ingevolge het op 2 februari 2009 vastgestelde bestemming "Buitengebied Heeze-Leende" (hierna ook: het oude bestemmingsplan) geen woningbouw toegestaan. Volgens [derde belanghebbende] leidt de planologische verandering tot waardedaling van zijn perceel, waardoor hij schade lijdt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905114/1/A2.

Datum uitspraak: 12 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 20 mei 2019 in zaak nr. 19/307 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Heeze-Leende.

Procesverloop

Bij besluit van 28 november 2018 heeft het college aan [derde belanghebbende] een tegemoetkoming in planschade toegekend van € 10.300,00.

Het college heeft het door [appellant] ingediende bezwaarschrift op zijn verzoek als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.

Bij uitspraak van 20 mei 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Het college en [derde belanghebbende] hebben ieder een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 november 2020, waar [appellant], vertegenwoordigd door mr. M. Peeters, advocaat te Someren, en het college, vertegenwoordigd door Y. Trienekens, zijn verschenen. Ter zitting is verder [partij], vertegenwoordiger van [derde belanghebbende], gehoord.

Overwegingen

Voorgeschiedenis

1.       [derde belanghebbende] is sinds mei 1987 eigenaar van het perceel [locatie 1] te Leende. Hij heeft verzocht om een tegemoetkoming in planschade ten gevolge van het op 6 maart 2014 in werking getreden bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende 2014" (hierna ook: het nieuwe bestemmingsplan). Dat bestemmingsplan maakt op een perceel (hierna: het bouwperceel) tegenover het perceel van [derde belanghebbende], aan de overzijde van de straat Boschhoven, de bouw van twee nieuwe woningen mogelijk. Voorheen was daar ingevolge het op 2 februari 2009 vastgestelde bestemming "Buitengebied Heeze-Leende" (hierna ook: het oude bestemmingsplan) geen woningbouw toegestaan. Volgens [derde belanghebbende] leidt de planologische verandering tot waardedaling van zijn perceel, waardoor hij schade lijdt.

2.       Het college heeft aan het besluit van 28 november juni 2018 een door Gloudemans opgesteld deskundigenadvies van 14 november 2018 ten grondslag gelegd. In dat advies is het volgende vermeld.

Het bouwperceel was in het oude bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" bestemd als "Agrarisch" met de gebiedsaanduiding ‘bebouwingsconcentratie type 1’ en de aanduiding ‘hulpgebouwen’. Op grond van deze bestemming was het bouwperceel hoofdzakelijk bestemd voor agrarische doeleinden en extensief recreatief medegebruik. Ter plaatse van de aanduiding ‘bebouwingsconcentratie type 1’ mocht niet gebouwd worden. Ter plaatse van de aanduiding ‘hulpgebouwen’ zijn hulpgebouwen met een maximale bouwhoogte van 3,5 m, schuilgelegenheden en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan.

Op 21 februari 2011 is een projectbesluit als bedoeld in artikel 3.10 van de Wet ruimtelijke ordening (hierna: Wro) genomen voor de bouw van twee woningen op de bouwlocatie. Het projectbesluit is niet in werking getreden.

In het op 6 maart 2014 in werking getreden bestemmingsplan "Heeze-Leende 2014" is het bouwperceel bestemd als "Wonen". Op grond van deze bestemming is op het bouwperceel de bouw van twee vrijstaande ruimte-voor-ruimte woningen met bijgebouwen toegestaan. In het op 16 maart 2016 in werking getreden bestemmingsplan "Kom Leende, Leenderstrijp 2015" is het bouwperceel eveneens bestemd als "Wonen", op grond waarvan op het bouwperceel eveneens woningen met bijgebouwen zijn toegestaan. Volgens het deskundigenadvies volgt uit bepalingen in beide bestemmingsplanen dat op het bouwperceel op grond van het projectbesluit bebouwing met gedeeltelijk een grotere inhoud en bouwhoogte is toegestaan dan op grond van de bouwregels van de bestemmingsplannen.

Op grond van een vergelijking van het oude bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" met het nieuwe bestemmingsplan "Heeze-Leende 2014" komt Gloudemans tot de conclusie dat de planologische verandering voor het bouwperceel heeft geleid tot toegenomen bouwmogelijkheden en intensivering van het gebruik ter plaatse. De toegenomen bouwmogelijkheden leiden tot extra visuele hinder, toenemende schaduwvorming en verminderde zonlichttoetreding. De intensivering van het gebruik leidt tot aantasting van de privacy van [derde belanghebbende] en een verslechtering van de situeringswaarde van zijn perceel. Op grond van een vergelijking van het bestemmingsplan "Heeze-Leende 2014" met het bestemmingsplan "Kom Leende, Leenderstrip 2015" komt Gloudemans tot de conclusie dat de ruimtelijke gevolgen van dit laatste bestemmingsplan vergelijkbaar zijn met die van het bestemmingsplan "Heeze-Leende 2014". [derde belanghebbende] lijdt dan ook alleen ten gevolge van het bestemmingsplan "Heeze-Leende 2014 planologisch nadeel.

Gloudemans heeft de waarde van het perceel van [derde belanghebbende] onder het regime van het oude bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" getaxeerd op een bedrag van € 490.000,00 en onder het regime van het nieuwe bestemmingsplan "Heeze-Leende 2014" op een bedrag van € 465.000,00. Aldus heeft Gloudemans de planschade van [derde belanghebbende] bepaald op een bedrag van € 25.000,00.

Gloudemans heeft in deze zaak een normaal maatschappelijk risico aangenomen van 3% van de waarde van het perceel van [derde belanghebbende] voor het ontstaan van de schade, zijnde een bedrag van € 13.200,00.

Gloudemans heeft op grond van het voorgaande geadviseerd aan [derde belanghebbende] een tegemoetkoming in planschade toe te kennen van (€ 25.000,00 - € 14.700,00 =) € 10.300,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni 2018.

3.       [appellant] heeft met de gemeente een planschadeovereenkomst als bedoeld in artikel 6.4a van de Wro gesloten. Hij heeft bij de rechtbank een door de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: SAOZ) opgestelde contra-expertise van 3 februari 2019 ingediend. De SAOZ heeft zich gebaseerd op de eerste planologische vergelijking in het deskundigenadvies van Gloudemans. De SAOZ onderschrijft de conclusie van Gloudemans dat deze planologische verandering leidt tot vermindering van uitzicht, intensivering van gebruik, een verminderde situeringswaarde en aantasting van de privacy. Onder verwijzing naar een door [appellant] bij de rechtbank ingediend bezonningsonderzoek, stelt de SAOZ verder dat de planologische verandering echter nauwelijks tot meer schaduwhinder en verminderde zonlichttoetreding heeft geleid, zodat dit een te verwaarlozen nadeel is. De SAOZ is met Gloudemans eens dat [derde belanghebbende] van het bestemmingsplan "Kom Leende, Leenderstrip 2015" geen extra planologisch nadeel lijdt. De SAOZ heeft de waarde van het perceel van [derde belanghebbende] onder het regime van het bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" getaxeerd op een bedrag van € 480.000,00 en onder het regime van het bestemmingsplan "Heeze-Leende 2014" op een bedrag van € 455.000,00. Aldus komt de SAOZ uit op een planologisch nadeel van (€ 480.000,00 - € 455.000,00 =) € 25.000,00. De SAOZ neemt een normaal maatschappelijk risico aan van 5% van de waarde van het perceel van [derde belanghebbende] voor het ontstaan van de schade, volgens de SAOZ een bedrag van € 24.500,00. Op grond van het voorgaande komt de SAOZ uit op een tegemoetkoming in planschade van € 500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van ontvangst van de aanvraag tot de dag van uitbetaling.

Het college heeft bij de rechtbank een nadere reactie van Gloudemans van 21 maart 2019 ingediend. Daarin is vermeld dat in het deskundigenadvies al is vermeld dat de planologische verandering leidt tot een slechts geringe schaduwwerking en verminderde zonlichttoetreding. Deze schadefactor heeft dan ook in zeer geringe mate bijgedragen aan het bepalen van het planologisch nadeel van [derde belanghebbende]. Het planologisch nadeel is voor een gevolg van vermindering van uitzicht, intensivering van gebruik van het bouwperceel, een verminder situeringswaarde van het perceel van [derde belanghebbende] en aantasting van zijn privacy.

De uitspraak van de rechtbank

4.       De rechtbank heeft overwogen dat het betoog van [appellant] dat het college niet mocht afgaan op de door Gloudemans getaxeerde waarden van het perceel van [derde belanghebbende] voor en na de peildatum geen bespreking behoeft, omdat de SAOZ uitkomt op een zelfde planologisch nadeel als Gloudemans. Aangezien de schadefactoren schaduwwerking en zonlichttoetreding van invloed zijn op de waardedaling van het perceel van [derde belanghebbende], behoeft de vraag of die factoren al dan niet terecht zijn meegenomen bij het bepalen van het planologisch nadeel van [derde belanghebbende] evenmin bespreking.

De rechtbank heeft verder overwogen dat de realisering van woningbouw op het bouwperceel niet heeft geleid tot een echte inbreiding in de zin van een opvulling van braak liggen gebied dat aan alle zijden door bebouwing wordt omsloten. Het college heeft het bouwperceel terecht aangemerkt als uitbreidingslocatie. Dit oordeel vindt volgens de rechtbank steun in de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:758. De rechtbank heeft het normaal maatschappelijk risico van drie procent dat het college heeft gehanteerd juist geacht.

Het hoger beroep

Planvergelijking: schaduw en zonlichttoetreding

5.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte niet is ingegaan op zijn beroepsgrond dat het college niet mocht afgaan op het deskundigenadvies van Gloudemans, omdat Gloudemans bij het bepalen van de hoogte van de planschade ten onrechte de schadefactor schaduwwerking en verminderde zonlichttoetreding heeft betrokken. Volgens [appellant] leidt het nieuwe bestemmingsplan niet tot extra schaduwwerking en verminderde zonlichttoetreding op het perceel van [derde belanghebbende], zodat [derde belanghebbende] daardoor ook geen schade kan leiden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [appellant] een door Gri-d graphic impressions of design (hierna: Gri-d) opgestelde bezonningsstudie van 5 juli 2018 ingediend. [appellant] voert aan dat Gloudemans het bedrag aan planschade van € 25.000,00 onder meer op basis van de factor schaduwwerking en verminderde zonlichttoetreding heeft vastgesteld, terwijl die factor niet tot schade kan leiden omdat zij niet bestaat.

5.1.    In de bezonningsstudie is vermeld dat bij de uitgevoerde zon-schaduwberekeningen is uitgegaan van tekeningen van de nieuwe situatie die van de betrokken architecten zijn verkregen en van gegevens uit de digitale kadastrale kaart. De berekeningen zijn uitgevoerd voor 21 maart, 21 juni, 21 september en 21 december, en de tijdstippen 12.00 uur, 14.00 uur, 16.00 uur en 18.00 uur op deze dagen. In de studie is rekening gehouden met zomer- en wintertijd. Uit de bezonningsstudie volgt dat de in aanmerking genomen nieuwe bebouwing op het bouwperceel in maart vanaf 17.30, in juni vanaf 20.00 uur en in september vanaf 18.30 uur schaduw kan veroorzaken op het perceel [locatie 1].

5.2.    Het college heeft in de bezwaarfase een reactie van Gloudemans van 1 oktober 2018 ingediend. Daarin is vermeld dat bij het opstellen van een bezonningsstudie in een planschadezaak moet worden uitgegaan van de maximale planologische mogelijkheden. Volgens Gloudemans kunnen de maximale bouwmogelijkheden die het nieuwe bestemmingsplan op het bouwperceel toestaat, leiden tot enige schaduw op perceel [locatie 2]. Het college heeft verder bij de rechtbank een reactie van Gloudemans van 21 maart 2019 ingediend. Volgens deze reactie heeft Gloudemans in het deskundigenadvies in aanmerking genomen dat het nadelige effect van de schaduwwerking gering is.

5.3.    In een planschadezaak moet bij de planvergelijking steeds worden uitgegaan van de maximale mogelijkheden van de planologische regimes. Zoals hiervoor onder 5.1 is overwogen, is Gri-d bij het opstellen van de bezonningsstudie niet uitgegaan van de maximale bouwmogelijkheden van het nieuwe bestemmingsplan "Heeze-Leende 2014" op het bouwperceel, maar van de feitelijke nieuwe situatie. Gri-d is bij het bezonningsonderzoek namelijk uitgegaan van de bouwtekeningen en kadastrale gegevens van de nieuwe woningen op het bouwperceel. Volgens een bij de bezonningsstudie gevoegde bijlage zouden de nieuwe woningen goot- en bouwhoogten krijgen van maximaal 3,5 m en 9 m, terwijl het nieuwe planologische regime goot- en bouwhoogten van 5,5 m en 10 m toestaat. Verder is niet duidelijk of de nieuwe woningen zijn geprojecteerd op de kortst mogelijke afstand van het perceel van [derde belanghebbende] die planologisch is toegestaan. Alleen al hierom hoefde de rechtbank de bezonningsstudie niet bij haar oordeel te betrekken. Daarbij komt dat in de bezonningsstudie is vermeld dat de nieuwe woningen op het bouwperceel enige schaduw op het perceel van [derde belanghebbende] kan veroorzaken. De stelling van [appellant] dat het nieuwe bestemmingsplan niet leidt tot schaduw op het perceel van [derde belanghebbende] is dus onjuist.

Gloudemans heeft terecht de schadefactor schaduw en verminderde zonlichttoetreding bij haar onderzoek betrokken. Het college mocht op dit punt op het deskundigenadvies van Gloudemans afgaan.

Het betoog faalt.

Normaal maatschappelijk risico

6.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college in deze zaak een normaal maatschappelijk risico mocht aannemen van 3% van de waarde van het perceel van [partij] voor het ontstaan van de schade. Volgens [appellant] moet in deze zaak van een normaal maatschappelijk risico van 5% worden uitgegaan. Hij voert aan dat hij op dit punt met de ingediende contra-expertise van de SAOZ concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van het deskundigenadvies van Gloudemans naar voren heeft gebracht.

[appellant] voert aan dat de uitbreiding van Boschhoven met twee nieuwe woningen een normale maatschappelijke ontwikkeling is en dat de nieuwe planologische ontwikkeling past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving. Het gaat om de bouw van twee vrijstaande woningen, aansluitend aan bestaande woningen in Boschhoven, met vergelijkbaar bouwvolume en vergelijkbare maximale goot- en bouwhoogten, op percelen met een vergelijkbare grootte als percelen in de omgeving. Volgens [appellant] sluit de bebouwing op het bouwperceel aan bij de wijze waarop de buurtschap de laatste jaren als woongebied is gegroeid. Het bouwperceel wordt aan de zuidwestzijde begrensd door woningen in een bebouwingslint, aan de zuid- en zuidoostzijde, aan de overzijde van de weg, door bestaande woningen en aan de noord- en noordoostzijde door een als ‘stedelijke voorziening’ aan te merken sportterrein, waarop ook bebouwing aanwezig is. Alleen aan de achterzijde van de woningen bevinden zich onbebouwde agrarisch gebruikt gronden. Volgens [appellant] is het bouwperceel dan ook een inbreidingslocatie en is Gloudemans er ten onrechte vanuit gegaan dat de woningen op een uitbreidingslocatie mogen worden gebouwd.

[appellant] voert aan dat de planologische ontwikkeling ook past binnen het meerjarig gevoerde gemeentelijke ruimtelijke beleid. De mogelijkheid om op het bouwperceel twee woningen te bouwen is volgens de ruimtelijke onderbouwing van het projectbesluit alleen mogelijk als uitwerking van het landelijke en provinciale Ruimte-voor-Ruimte beleid, dat zijn neerslag heeft gevonden in de aanduiding van het bouwperceel als ‘bebouwingsconcentratie type 1’ in het op 2 februari 2009 vastgestelde oude bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende". Deze aanduiding ‘bebouwingsconcentratie type 1’ was de verankering van de provinciale beleidsnota ‘Buitengebied in ontwikkeling’ uit 2004 en de provinciale beleidsregel ‘Ruimte-voor-Ruimte’ uit 2006. Volgens [appellant] is de gemeente al in oktober 2006 met de voorbereidingen voor het oude bestemmingsplan gestart. Het college heeft voorts op 19 mei 2009 besloten in principe medewerking te verlenen aan het door [appellant] ingediende bouwplan voor twee vrijstaande woningen op het bouwperceel.

[appellant] voert verder aan dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de gemeente door deelname aan de provinciale Pilot ‘Bouwen binnen strakke contouren’ in de periode 2003-2008 geen woningbouw op het bouwperceel kon toestaan, omdat dat perceel buiten de contouren lag. De Pilot ging volgens [appellant] alleen over de reguliere nieuwbouw van woningen, niet over de bouw van woningen die op het bouwperceel in het kader van de Ruimte-voor-Ruimte regeling waren toegestaan. Volgens [appellant] was ook de woonvisie van de gemeente niet van toepassing op de realisatie van Ruimte-voor-Ruimte woningen.

6.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 2 maart 2016,  ECLI:NL:RVS:2016:530) is de vaststelling van de omvang van het normaal maatschappelijk risico in de eerste plaats aan het bestuursorgaan, dat daarbij beoordelingsruimte toekomt. Het bestuursorgaan dient deze vaststelling naar behoren te motiveren. Indien de beroepsgronden daartoe aanleiding geven, toetst de rechter deze motivering en kan hij, indien de gegeven motivering niet volstaat, de omvang van het normaal maatschappelijk risico zelf vaststellen door in een concreet geval zelf te bepalen welke drempel of korting redelijk is.

6.2.    De vraag of schade als gevolg van een planologische ontwikkeling als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, van de Wro tot het normaal maatschappelijk risico behoort, moet worden beantwoord met inachtneming van alle van belang zijnde omstandigheden van het geval. Van belang is onder meer of de planologische ontwikkeling als een normale maatschappelijke ontwikkeling kan worden beschouwd waarmee de aanvrager rekening had kunnen houden in die zin dat die ontwikkeling in de lijn der verwachtingen lag, ook al bestond geen concreet zicht op de omvang waarin, de plaats waar en het moment waarop deze ontwikkeling zich zou voordoen. In dit verband komt betekenis toe aan de mate waarin de ontwikkeling naar haar aard en omvang binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving en het in een reeks van jaren gevoerde planologische beleid past. Omstandigheden die verder van belang kunnen zijn, zijn de afstand van de locatie waar de ontwikkeling heeft plaatsgevonden tot de onroerende zaak van de aanvrager en de aard en de omvang van het door de ontwikkeling veroorzaakte nadeel.

Bij waardevermindering van een onroerende zaak als gevolg van een normale maatschappelijke ontwikkeling, zoals woningbouw op een inbreidingslocatie in een woonkern, waarbij die woningbouw in de lijn der verwachtingen lag, is een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak, in verhouding tot de waarde van de onroerende zaak onmiddellijk vóór het ontstaan van de schade, substantieel, maar niet zodanig zwaar dat deze schade niet voor rekening van de aanvrager kan worden gelaten. Dit betekent dat een waardevermindering tot vijf procent van de waarde van de onroerende zaak in deze categorie van gevallen in beginsel tot het normaal maatschappelijk risico van de aanvrager behoort.

Vergelijk de overzichtsuitspraak van de Afdeling van 28 september 2016 onder 5.9, 5.10 en 5.14 (ECLI:NL:RVS:2016:2582).

6.3.    In paragraaf 8.1 van het deskundigenadvies van Gloudemans is over het normaal maatschappelijk risico het volgende vermeld. De woningen kunnen aan de rand van het buitengebied, ten noorden van Leende en noordelijk van de bestaande weg Boschhoven worden gebouwd. Het bouwperceel is geen inbreidingslocatie. Volgens het deskundigenadvies is in de structuurvisie Heeze-Leende 2013-2030 vermeld dat uit de provinciale prognose blijkt dat tot 2030 nog 500 woningen in de gemeente nodig zijn. De woningen die via de provinciale Pilot ‘Bouwen binnen strakke contouren’ in de verschillende bestemmingsplannen zijn opgenomen zijn nog niet allemaal gerealiseerd. Voor woningbouw buiten de bebouwde kom, komt alleen het gebied de Bulders, ten zuiden van Heeze, in aanmerking. Uit planologisch oogpunt zijn nieuwe woningen in het buitengebied niet meer gewenst. In de Bulders is ruimte voor 20 ‘RvR’-woningen en tot 2027 zijn alleen in dat gebied ‘RVR’-woningen toegestaan. Gloudemans komt op grond van dit beleid en omdat de schade voor [derde belanghebbende] niet gering is, tot een normaal maatschappelijk risico van 3%.

In de schriftelijke uiteenzetting onderschrijft het college het standpunt van Gloudemans dat het bouwperceel geen inbreidingslocatie is. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat het bouwperceel niet in het gebied van de Pilot ‘Bouwen binnen strakke contouren’ lag, terwijl in de Pilot de inbreidingslocaties in de gemeente waren vermeld.

6.4.    Vast staat dat de provinciale Pilot ‘Bouwen binnen strakke contouren’ voor de periode 2003-2008 niet van toepassing was op woningen die op grond van het beleid ‘Ruimte-voor-Ruimte’ konden worden gerealiseerd. Dat in de Pilot het bouwperceel niet als inbreidingslocatie binnen de gemeente was vermeld, is daarom niet doorslaggevend voor het antwoord op de vraag of het bouwperceel in deze schadeprocedure moet worden beschouwd als een inbreidingslocatie.

Zoals ook de rechtbank heeft overwogen, was het bouwperceel geen inbreidingslocatie in de zin van een open plek die grotendeels door bebouwing is omsloten. Ten noordwesten van het bouwperceel ligt open gebied en ten noorden liggen sportvelden. Anders dan [appellant] heeft gesteld, maken de sportvelden geen onderdeel uit van het stedelijk gebied van Leende. Hoewel op de sportvelden enige bebouwing aanwezig is, hebben zij de ruimtelijke uitstraling van open landelijke gebied. Het bouwperceel maakt ook geen onderdeel uit van een voorheen bestaand bebouwingslint. Ten zuidwesten van het bouwperceel stond voorheen één woning. Ten zuidoosten, aan de overzijde van de Bosschoven, ligt een bestaande woonwijk. De nieuwe woningen passen goed bij deze bestaande woonbebouwing en vormen in ruimtelijke zin een afronding van de woonwijk.

De conclusie is dat de nieuwe planologische ontwikkeling gedeeltelijk past binnen de ruimtelijke structuur van de omgeving.

6.5.    In de beleidsnota ‘Buitengebied in ontwikkeling’ uit 2004 en de beleidsregel ‘Ruimte-voor-Ruimte’ uit 2006 is alleen het beleid van de provincie Noord-Brabant neergelegd. Uit deze stukken kan daarom niet het toen geldende ruimtelijke beleid van de gemeente Heeze-Leende voor het bouwperceel worden afgeleid. In de op 2 februari 2009 vastgestelde gemeentelijke beleidsnota ‘Bebouwingsconcentraties in het buitengebied’ is vermeld wat mogelijk is binnen zogenoemde bebouwingsconcentraties. In de toelichting bij het op 2 februari 2009 vastgestelde bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende" is enerzijds vermeld dat deze beleidsnotitie in dat plan is verwerkt, maar anderzijds dat Ruimte-voor-Ruimte verzoeken allemaal buiten de planregeling van het bestemmingsplan zijn gehouden. In het deskundigenadvies van Gloudemans is vermeld dat het bouwperceel in het bestemmingsplan "Buitengebied Leende-Heeze" uit 2009 is bestemd als "Agrarisch" met de gebiedsaanduiding ‘bebouwingsconcentratie type 1’ en dat ter plaatse van die aanduiding niet mocht worden gebouwd. Volgens pagina 3 van het raadsvoorstel over het conceptprojectbesluit van het college aan de gemeenteraad van 9 november 2010 paste het conceptprojectbesluit binnen het beleid van de gemeentelijke beleidsnota ‘Bebouwingsconcentraties in het buitengebied". De bouw van de nieuwe woningen op het bouwperceel is planologisch mogelijk gemaakt in het op 6 maart 2014 vastgestelde nieuwe bestemmingsplan "Buitengebied Heeze-Leende 2014".

6.6.    Uit het voorgaande volgt dat de bouw van twee nieuwe woningen op het bouwperceel in het kader van de Ruimte-voor-Ruimte regeling vanaf 2 februari 2009 binnen het gemeentelijke ruimtelijke beleid past. De bouw van de nieuwe woningen op het bouwperceel paste ten tijde van de peildatum 6 maart 2014 echter niet in het gedurende een reeks van jaren gevoerde planologische beleid van de gemeente. Naast de beperkte duur van de periode tussen de vaststelling van beleidsnota ‘Bebouwingsconcentraties in het buitengebied’ en de vaststelling van het nieuwe bestemmingsplan, is daarvoor onder meer van belang dat volgens de ruimtelijke onderbouwing van het projectplan het college al vrij snel na de vaststelling van de beleidsnota op 2 februari 2009, namelijk in haar vergadering van 19 mei 2009, heeft besloten in beginsel medewerking te verlenen aan het bouwplan van [appellant] voor het bouwperceel en dat de raad op 21 februari 2011 het projectbesluit heeft vastgesteld.

6.7.    De conclusie is dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het door het college gehanteerde normaal maatschappelijk risico van [partij] van 3% niet onjuist is.

Het betoog faalt.

Slotsom

7.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

8.       Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. H. Oranje, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.         

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021

507.