Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2021:1002

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
12-05-2021
Datum publicatie
12-05-2021
Zaaknummer
202002882/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 8 mei 2018 heeft de Stichting Bloembollenkeuringsdienst een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur afgewezen. In deze zaak gaat het om het verzoek dat [appellant] op grond van de Wob heeft gedaan. De Afdeling moet beoordelen of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 29 augustus 2018 in stand konden blijven. Het grootste gedeelte van wat [appellant] heeft aangevoerd gaat over fraude die hij op het spoor zou zijn gekomen in de bloembollensector en dat de BKD in strijd zou handelen met de Zaaizaad- en Plantgoedwet waardoor de fraude in stand blijft. Meer specifiek gaat het over een bloembollenkraam met tulpenrassen die volgens [appellant] frauduleus zijn verhandeld of verdwenen. Hierdoor vielen deze rassen volgens [appellant] ten onrechte niet meer onder de failliete boedel van het betrokken bedrijf en is veel schade geleden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202002882/1/A3.

Datum uitspraak: 12 mei 2021

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 25 maart 2020 in zaak nr. 18/4020 in het geding tussen:

[appellant]

en

Stichting Bloembollenkeuringsdienst.

Procesverloop

Bij besluit van 8 mei 2018 heeft de Stichting Bloembollenkeuringsdienst (hierna: BKD) een verzoek van [appellant] op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) afgewezen.

Bij besluit van 29 augustus 2018 heeft de BKD het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 25 maart 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 29 augustus 2018 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De BKD heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

[appellant] heeft de Afdeling toestemming, als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) verleend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2021, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], en de BKD, vertegenwoordigd door mr. M.L. Timmerman, advocaat te Den Haag, [gemachtigde C] en [gemachtigde D], zijn verschenen.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?

1.       In deze zaak gaat het om het verzoek dat [appellant] op grond van de Wob heeft gedaan. De Afdeling moet beoordelen of de rechtbank terecht tot het oordeel is gekomen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 29 augustus 2018 in stand konden blijven. Het grootste gedeelte van wat [appellant] heeft aangevoerd gaat over fraude die hij op het spoor zou zijn gekomen in de bloembollensector en dat de BKD in strijd zou handelen met de Zaaizaad- en Plantgoedwet waardoor de fraude in stand blijft. Meer specifiek gaat het over een bloembollenkraam met tulpenrassen die volgens [appellant] frauduleus zijn verhandeld of verdwenen. Hierdoor vielen deze rassen volgens [appellant] ten onrechte niet meer onder de failliete boedel van het betrokken bedrijf en is veel schade geleden. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat hij dit aanvoert als onderbouwing voor het Wob-verzoek en om het algemene belang dat bestaat bij controle op de BKD te motiveren. Zoals ter zitting is besproken kunnen al deze onderwerpen in deze procedure niet aan de orde komen, anders dan voor zover deze nodig zouden zijn voor de beoordeling van het Wob-verzoek.

Benoemen van een deskundige

2.       [appellant] heeft zowel de rechtbank als de Afdeling verzocht om een deskundige te benoemen omdat bij de bestuursrechter niet voldoende kennis aanwezig is over de bloembollensector. Dat zou alleen al blijken uit het gebruik van het woord ‘zaad’ voor bollen in een eerdere uitspraak omdat bollen zich niet door zaad vermeerderen. Omdat de bloembollensector een heel specifieke sector is, is het benoemen van een deskundige op dat gebied volgens hem noodzakelijk om het geschil te kunnen beoordelen.

De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het benoemen van een deskundige. De Afdeling heeft na de behandeling van de zaak op de zitting beoordeeld of het benoemen van een deskundige nodig is om uitspraak te kunnen doen in deze zaak. De Afdeling is tot de conclusie gekomen dat ook zij geen aanleiding ziet voor het benoemen van een deskundige. Zoals hiervoor onder 1 is overwogen is alleen het besluit van de BKD over het Wob-verzoek van [appellant] in deze zaak aan de orde. Zoals hierna in de inhoudelijke overwegingen verder zal worden verduidelijkt, kan dit worden beoordeeld zonder dat daarvoor een advies van een deskundige op het gebied van bloembollenteelt nodig is.

Het verzoek wordt daarom afgewezen. Hieruit volgt tevens dat de rechtbank evenmin een deskundige hoefde te benoemen om de zaak te kunnen beoordelen.

Inleiding

3.       Volgens [appellant] heeft de curator van de failliet verklaarde onderneming Prima Tulp B.V. hem verzocht behulpzaam te zijn bij een onderzoek naar een verdwenen bollenkraam met nieuwe tulpenrassen van die onderneming. Omdat hij zegt gedupeerde te zijn van een faillissement van de New Tulip Holding B.V. en [bedrijf] stelt hij belang te hebben bij het opsporen van die verdwenen bollenkraam. Uit data die [appellant] heeft gekregen van de curator, blijkt volgens hem dat tot en met het kweekseizoen 2012 de door Prima Tulp B.V. gekweekte soorten bij de BKD zijn opgegeven en geregistreerd. Omstreeks 2013 zijn de activiteiten voor teelt en verwerking volgens [appellant] ondergebracht in Prisma Kwekerijen B.V. Prima Tulp B.V. heeft volgens [appellant] de contractteelt van de bollenkraam uitbesteed aan Prisma Kwekerijen B.V. Die onderneming is op 24 februari 2015 failliet verklaard. Het is volgens [appellant] mogelijk dat Prisma Kwekerijen B.V. iets te maken heeft met de verdwenen bollenkraam. Omdat de BKD de gegevens van de bollenkraam van Prima Tulp B.V. heeft tot en met 2012, moet volgens [appellant] ook inzage mogelijk zijn voor de kweekseizoenen 2012 tot en met 2015 van Prisma Kwekerijen B.V. Daarom heeft [appellant] op grond van de Wob de BKD verzocht om over de kweekseizoenen 2012/13, 2013/14 en 2014/15 de volgende documenten openbaar te maken:

1. De BKD-facturen aan Prisma Kwekerijen B.V.;

2. De BKD-certificatenlijsten en keuringsresultaten van Prisma Kwekerijen B.V.;

3. Herkomstcertificaten van Prisma Kwekerijen B.V. en de, na betaling aan de BKD, aan de curator van die vennootschap verstrekte BKD-certificaten;

4. BKD-oppervlaktelijsten van Prisma Kwekerijen B.V.;

5. Aflevernota’s van plantgoed leveranties en de bijbehorende STP kl. I waardig certificaten;

6.  Met name is inzage van belang in de aflevernota's en de STP kl. I waardig formulieren van plantgoedleveranties in het jaar van het faillissement van Prisma Kwekerijen B.V. in 2015;

7. Correspondentie van de BKD met Prisma Kwekerijen B.V. en later met de curator van Prisma Kwekerijen B.V. en van correspondentie van de BKD met afnemers en/of contractkwekers met retentierecht.

Besluitvorming

4.       De BKD heeft het verzoek van [appellant] afgewezen. De BKD stelt de onder 5 en 6 genoemde nota’s niet te hebben. Het verband tussen de aflevernota’s en de STP kl. I certificaten ontbreekt volgens de BKD. Daarnaast stelt de BKD niet over aflevernota’s te beschikken, omdat zij niet bij de afleveringen is betrokken. Verder werkte de BKD in de jaren 2013-2015 al digitaal. Er zijn daarom geen formulieren gebruikt.

Daarnaast heeft de BKD artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c en d en het tweede lid, aanhef en onder d en g, van de Wob ten grondslag gelegd aan de weigering om documenten openbaar te maken. Daarbij heeft de BKD zich op het standpunt gesteld dat het wettelijk verplicht is dat bij de BKD aangesloten partijen bepaalde gegevens overleggen. Daarom moet extra terughoudend worden gehandeld ten aanzien van het openbaar maken van die gegevens. Bedrijven kunnen wel hun eigen gegevens opvragen. Veel van de gegevens zijn bedrijfs- en fabricagegegevens die vertrouwelijk aan de BKD zijn verstrekt. Ook bevatten de documenten gegevens die tot een natuurlijk persoon zijn te herleiden. Daarnaast bestaat tussen de BKD en de bij de BKD geregistreerden een vertrouwensrelatie. Als de documenten openbaar moeten worden gemaakt, wordt gevreesd voor een beschadigde vertrouwensrelatie, waarna zij problemen kan ondervinden met de aan haar toebedeelde toezichthoudende en handhavende taken. Geregistreerden zullen terughoudender zijn met het verstrekken van informatie. Tot slot kunnen derden onevenredig worden benadeeld in hun belangen. Bij het openbaar maken van informatie, bestaat het risico dat de ontwikkeling van nieuwe bloembollenrassen gevaar loopt. Die ontwikkeling moet vertrouwelijk kunnen plaatsvinden om concurrenten niet op ideeën te brengen. Daarbij bestaat het risico dat de investering in een nieuw bloembollenras niet terugverdiend kan worden, aldus de BKD.

Het oordeel van de rechtbank

5.       De rechtbank heeft geoordeeld dat de BKD is tekortgeschoten in haar motiveringsplicht, omdat het verzoek van [appellant] integraal is afgewezen, zonder enig stuk over te leggen en zonder een overzicht te verstrekken van stukken of een omschrijving van stukken waarover zij beschikt. Verder heeft de rechtbank onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3490, geoordeeld dat de informatie waarom [appellant] verzoekt, milieu-informatie is als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Wob. Dat betekent dat de enkele weigering op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob de weigering niet kan dragen. De BKD had het milieubelang bij openbaarmaking moeten afwegen tegen het belang bij het niet openbaar maken van die informatie, aldus de rechtbank. Om deze redenen heeft de rechtbank het beroep van [appellant] gegrond verklaard en het besluit van 29 augustus 2018 vernietigd.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand kunnen blijven. Dat betekent dat de BKD van de rechtbank geen nieuw besluit hoeft te nemen. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat het niet aannemelijk is dat de BKD over aflevernota’s tussen bloembollenkwekers beschikt. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de gevraagde informatie betrekking heeft op bedrijfs- en fabricagegegevens. Die gegevens zijn vertrouwelijk met de BKD gedeeld. In die gegevens is informatie opgenomen over de bedrijfsvoering, prijsvorming, specifieke marktgegevens of ontwikkeling van nieuwe soorten. Openbaarmaking van die gegevens kan aanzienlijke schade toebrengen aan andere telers. Omdat het ook om milieugegevens gaat, mag openbaarmaking van die gegevens alleen worden geweigerd als de milieubelangen bij openbaarmaking in dit geval niet opwegen tegen de belangen bij geheimhouding. Ter zitting bij de rechtbank heeft de BKD gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019. In die procedure is om dezelfde soort gegevens verzocht en heeft de Afdeling geoordeeld dat het belang van openbaarmaking van informatie niet opweegt tegen het belang van andere telers bij geheimhouding van de gegevens, aldus de rechtbank.

De procedure bij de rechtbank

6.       [appellant] stelt dat hij tijdens de zitting van 6 februari 2020 bij de rechtbank er niet van op de hoogte was dat de BKD de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019 had ingebracht in het geding. Hierdoor was hij verrast. Hij betoogt dat deze uitspraak ten onrechte is betrokken bij het oordeel van de rechtbank en daarin ook een grote rol heeft gespeeld, omdat juist deze uitspraak onjuist is en hij door verwijzing hiernaar wordt benadeeld.

6.1.    Uit het dossier volgt dat de BKD op 24 oktober 2019 de rechtbank heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019. De rechtbank heeft deze brief op 25 oktober 2019 doorgestuurd naar de toenmalig gemachtigde van [appellant]. [appellant] had er toen dus van op de hoogte kunnen zijn dat de BKD de rechtbank op deze uitspraak had gewezen. De bij de rechtbank verschenen gemachtigde van [appellant] was bovendien betrokken bij de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 16 oktober 2019. De zitting bij de rechtbank vond pas ruim daarna plaats, namelijk in februari 2020. Bovendien worden uitspraken van de Afdeling  op de website van de Rechtspraak gepubliceerd. Een ieder kan op die manier kennisnemen van openbare uitspraken. Dat de rechtbank eerdere uitspraken bij haar oordeel betrekt is gebruikelijk en hoeft niet vooraf met partijen te worden besproken. Bovendien is ook op de zitting bij de rechtbank de uitspraak aan de orde gekomen. [appellant] kan dan ook niet zijn overvallen door de verwijzing naar deze uitspraak.

Het betoog faalt.

7.       Volgens [appellant] heeft de rechtbank in haar uitspraak  niet betrokken wat hij in zijn bij de rechtbank voorgedragen pleitnota heeft beschreven. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:3501), doet de bestuursrechter op grond van artikel 8:69 van de Awb uitspraak op de grondslag van het beroepschrift, de overgelegde stukken, het verhandelde tijdens het vooronderzoek en het onderzoek ter zitting. Dat niet ieder punt dat in een pleitnota is aangedragen expliciet in een uitspraak is terug te vinden, betekent niet dat de rechtbank dit niet bij haar oordeel heeft betrokken. De rechtbank is niet verplicht om elke stelling en elk ingebracht stuk uitdrukkelijk in de uitspraak te benoemen.

Het betoog faalt.

Het hoger beroep inhoudelijk

8.       [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Volgens hem zijn de gegevens waarvan hij openbaarmaking heeft verzocht geen bedrijfs- en fabricagegegevens. De uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019 waarnaar door de rechtbank is verwezen is volgens [appellant] onjuist. Verder moet de BKD over meer informatie beschikken dan dat zij zegt te hebben.

De gevraagde gegevens

8.1.    Volgens [appellant] zijn gegevens pas bedrijfs- en fabricagegegevens als uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces, dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. De kwekers hoeven deze gegevens echter niet aan de BKD te verstrekken en bij een eventuele verstrekking gebeurt dat niet vertrouwelijk. Aan een naam van een bloembollenras is niets geheim. Openbaarheid van een naam van een soort is noodzakelijk voor de uitvoering van de publieke taak van de BKD. Als dat niet het geval is, kan er niets met de soort gedaan worden. Verder kent de BKD geen democratische bestuursvoering, waardoor openbaarheid juist noodzakelijk is. Ook zijn er in de documenten geen concurrentiegevoelige gegevens te vinden. De overwegingen van de rechtbank daarover zijn volgens [appellant] dan ook onjuist. Het zijn deels openbare gegevens die niets prijsgeven over de marktpositie van kwekers. Openbaarmaking brengt dus geen schade voor de concurrentiepositie van de kwekers mee, aldus [appellant]. Verder heeft [appellant] ter zitting verklaard dat hij niet geïnteresseerd is in brieven met een algemene strekking.

8.1.1. Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob luidt: ‘Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:

c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;’

8.1.2. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld in haar uitspraak van 22 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1675, is alleen sprake van bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob als en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden gelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers.

8.1.3. De Afdeling heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de documenten waarvan de BKD openbaarmaking heeft geweigerd. Onder deze documenten bevinden zich ook brieven met een algemene strekking. Omdat [appellant] daar niet in is geïnteresseerd, zal de Afdeling daarover geen oordeel geven. Verder bestaan de stukken waarvan openbaarmaking is geweigerd uit correspondentie met en van Prisma Kwekerijen B.V. en haar curator die de BKD in het bedrijfsdossier van Prisma Kwekerijen B.V. en de afdelingen Juridische Zaken en Directie van de BKD hebben gearchiveerd over de jaren 2013, 2014 en 2015 en om data van en over Prisma Kwekerijen B.V. over de jaren 2013, 2014 en 2015.

In de correspondentie met de BKD heeft Prisma Kwekerijen B.V. teeltlocaties en partijgegevens van 2015 gedeeld. Daarbij zijn de namen van de bloembollenrassen, partijaanduidingen, certificaatnummers, teeltlocaties en de omvang van de kweek vermeld. Niet in geschil is en ter zitting heeft [appellant] nogmaals bevestigd dat zijn verzoek op dezelfde soort gegevens betrekking heeft als de gegevens die onderwerp van geschil waren in de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019. Van die gegevens heeft de Afdeling geoordeeld dat die gegevens als bedrijfs- en fabricagegegevens als bedoeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob moeten worden aangemerkt. De Afdeling ziet geen reden om daar nu anders over te denken. De gegevens zijn als deze ieder afzonderlijk worden beschouwd wellicht niet als bedrijfs- en fabricagegegevens aan te merken, maar als deze gegevens aan elkaar worden gekoppeld wel. Ter zitting heeft [appellant] bevestigd dat hij niet is geïnteresseerd in de afzonderlijke gegevens, maar slechts in de hele set van gegevens. Bij openbaarmaking van die set van gegevens kan, zoals de BKD ter zitting heeft toegelicht, inzicht worden verkregen in de bedrijfsvoering, prijsvorming, specifieke marktgegevens of ontwikkeling van nieuwe bloembollen(rassen). [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat dat niet het geval is. Het betoog van [appellant] dat de documenten geen bedrijfs- en fabricagegegevens bevatten, slaagt dus niet. Voor zover [appellant] betoogt dat de naam van een bloembollenras niet geheim is omdat die namen openbaar zijn, geldt dat openbare informatie niet op grond van de Wob nogmaals openbaar gemaakt kan worden. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 1 mei 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ9056.

Het betoog faalt.

Belangenafweging

8.2.    Omdat [appellant] om dezelfde soort gegevens heeft verzocht als aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019, gaat het in dit geval volgens hem ook om milieu-informatie als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de Wob. De BKD moet daarom motiveren waarom het openbaar maken van die gegevens onevenredig benadelend is. Daarvoor geldt een zware motiveringsplicht. Dat een derde meent in zijn belangen te worden getroffen, is onvoldoende om de documenten niet openbaar te maken. Dat volgens de BKD de ontwikkeling van nieuwe bloembollenrassen gevaar loopt, concurrenten op nieuwe ideeën gebracht kunnen worden en het terugverdienmodel gevaar loopt, is volgens [appellant] onjuist. Daarvoor biedt het kwekersrecht bescherming. Bovendien hoeven geen technische-, afstammings-, of ras specifieke kenmerken openbaar gemaakt te worden. De lijsten van het kwekersrecht zijn voor een ieder in te zien en ook certificatenboekjes met arealen van bloembolrassen per kweker zijn bij de BKD te bestellen. Die gegevens zijn toch al openbaar. De overweging van de rechtbank dat de gevraagde gegevens informatie bevatten over de soorten en de kwaliteit van bloembollen die door de betrokken bedrijven worden gekweekt, geteeld of verhandeld, is volgens [appellant] ook onjuist. Er was contractteelt voor partijen bollen die in eigendom waren van beleggers. De kwekers hadden daarom geen rechtstreeks belang bij de kwaliteit van bloembollen en geheimhouding daarvan. De rechtbank heeft bij haar oordeel ten onrechte een belangrijke brief van 30 januari 2020 van curator Moeijes aan hem genegeerd. Omdat de rechtbank bij haar oordeel blindelings de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019 is gevolgd, heeft zij niet inhoudelijk het belang van inzage van de BKD-data om zoveel mogelijk verdwenen nieuwe tulpenrassen en zaailingen van [bedrijf] te achterhalen, afgewogen. Bovendien is die uitspraak van de Afdeling inhoudelijk onjuist. De correspondentie tussen de BKD en Prisma Kwekerijen B.V. is van vitaal belang vanwege een vreemde gang van zaken bij de overgang van de bollenkraam van Prima Tulp B.V. naar Prisma Kwekerijen B.V. Vanwege de fraudes en de noodzaak en het maatschappelijke belang om de verduisterde partijen tulpenbollen op te sporen, zijn de belangen om de informatie openbaar te maken zwaarwegender dan het belang van de telers, aldus [appellant].

8.2.1. Artikel 10, vierde lid, van de Wob luidt: ‘Het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing voor zover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voor zover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.’

8.2.2. Niet in geschil is dat de gevraagde informatie mede betrekking heeft op milieu-informatie. Zoals de Afdeling heeft geoordeeld in de uitspraak van 16 oktober 2019, blijft verstrekking daarvan gelet op artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en het vierde lid, van de Wob uitsluitend achterwege voor zover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het belang van geheimhouding van de bedrijfs- en fabricagegegevens. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 15 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO7333 moet dit laatste belang restrictief worden uitgelegd: openbaarheid van milieu-informatie is het uitgangspunt. Dit brengt met zich dat aannemelijk moet zijn dat openbaarmaking van de betreffende milieu-informatie daadwerkelijk schade toebrengt aan het met geheimhouding gediende belang.

8.2.3. Bij openbaarmaking op grond van de Wob geldt het algemeen belang van openbaarmaking. [appellant] heeft ter zitting betoogd dat ook bijzondere belangen een rol spelen bij de openbaarmaking van de gevraagde gegevens. Daarbij is controle op het kwekersrecht, op de verhandeling van bloembollen en op de BKD volgens hem van groot belang. Zoals hiervoor is vastgesteld, heeft [appellant] om dezelfde soort gegevens verzocht als aan de orde in de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat openbaarmaking van de gegevens waarom is gevraagd schade zal toebrengen aan de telers waar het hier om gaat. Die gegevens zijn vertrouwelijk aan de BKD overgelegd. Die vertrouwelijkheid is belangrijk voor de telers (en veredelaars) die onder toezicht staan, omdat de gegevens inzicht bieden in hun activiteiten. De gegevens bieden inzicht in de bedrijfsvoering, prijsvorming, specifieke marktgegevens of ontwikkeling van nieuwe soorten. In de uitspraak van de Afdeling van 16 oktober 2019 is verder overwogen dat telers voortdurend naar mutanten van bloembollen zoeken in de hoop dat zij een nieuw bloembollenras op de markt kunnen brengen. Als een teler eenmaal een mutant heeft gevonden, kan het wel twintig jaar duren voordat hij daarmee een bloembollenras heeft ontwikkeld dat hij op de markt kan brengen. Ook over een bloembollenras in ontwikkeling moet de teler gegevens aan de BKD verstrekken in het kader van het toezicht. De teler kan echter pas een kwekersrecht, dat hem het alleenrecht geeft op de verhandeling van bloembollen van het betrokken ras, aanvragen als de ontwikkeling van het bloembollenras voltooid is. Dit maakt informatie over de ontwikkeling van een bloembollenras heel interessant voor een concurrent. Dat is ook het geval als de ontwikkeling mislukt en dus niet leidt tot het op de markt brengen van een nieuw bloembollenras. De concurrent weet dan in welke richting de teler zoekt en kan zijn eigen focus daarop aanpassen, aldus de Afdeling in de uitspraak van 16 oktober 2019. De brief van 30 januari 2020 brengt geen verandering in dat oordeel, omdat uit die brief niet blijkt dat de betreffende telers geen schade zullen lijden. De BKD heeft het belang van de telers zwaarder mogen laten wegen dat het belang van openbaarmaking van de gegevens. Dit betekent dat de BKD openbaarmaking van deze gegevens terecht heeft geweigerd op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, in samenhang bezien met het vierde lid, van de Wob. Voor zover [appellant] een eigen belang heeft om eventuele schade uit een faillissement vergoed te kunnen zien, moet hij zich wenden tot de curator die is benoemd in dat faillissement. Verder zouden de gegevens wellicht inzage kunnen bieden in de gang van zaken bij de overgang van de bollenkraam van Prima Tulp B.V. naar Prisma Kwekerijen B.V. en van belang zijn voor het uitoefenen van controle, maar het gaat hier om een afweging van het algemeen belang bij openbaarmaking en het belang van de telers. Zoals hiervoor is overwogen, mocht de BKD het belang van de telers zwaarder laten wegen dan het belang van openbaarheid van die gegevens. Voor zover er sprake van fraude zou zijn, is het aan [appellant] om daarvan aangifte te doen bij de bevoegde autoriteiten.

Het betoog faalt.

Beschikt de BKD over meer documenten?

8.3.    Verder betoogt [appellant] dat de BKD over meer documenten moet beschikken dan zij zegt te hebben. Van de zogenoemde STP kl. I formulieren hielden BKD keurmeesters altijd een kopie voor de BKD administratie. De koper moest over hetzelfde formulier beschikken om de partij bollen rechtsgeldig bij de BKD op te kunnen geven met het herkomstcertificaatnummer. Daarom staat vast dat de BKD over meer gegevens moet beschikken waaruit moet blijken waar de verdwenen tulpenbollen van Prima Tulp B.V. die via Prisma Kwekerijen B.V. zijn overgedragen zijn gebleven, aldus [appellant].

8.3.1. Zoals uit de jurisprudentie van de Afdeling volgt (bijvoorbeeld uit de uitspraak van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2617), is het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, een bepaald document toch onder dat bestuursorgaan berust.

8.3.2. De BKD heeft toegelicht dat zij niet beschikt over de gevraagde aflevernota’s, omdat die aflevernota’s tussen partijen onderling worden overgelegd. Ook beschikt zij niet over STP kl. I certificaten en bestaan er geen daarvoor ingevulde formulieren, omdat zij in de jaren 2013-2015 digitaal werkte. De BKD heeft toegelicht dat er wel keuringscertificaten zijn. Deze zijn opgenomen in de set van gegevens die onder de bedrijfs- en fabricagegegevens vallen. Deze mededeling komt de Afdeling niet ongeloofwaardig over. Met de enkele stelling van [appellant] dat de BKD wel over die gegevens moet beschikken, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat dat het geval is.

Het betoog faalt.

Conclusie

9.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.

10.     De BKD heeft verzocht [appellant] te veroordelen in de kosten in verband met deze procedure. Op grond van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb kan een natuurlijk persoon alleen in de kosten worden veroordeeld in geval van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht. Van kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht is sprake, als op grond van bijzondere omstandigheden kan worden vastgesteld dat ten tijde van het instellen van het (hoger) beroep het voor appellant evident was dat van de ingestelde procedure geen positief resultaat viel te verwachten. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat dit in deze procedure voor [appellant] bij voorbaat duidelijk was. Voor een veroordeling in de proceskosten van [appellant] ten behoeve van de BKD bestaat dan ook geen aanleiding. Ook voor een proceskostenveroordeling van de BKD ten behoeve van [appellant] bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.

Aldus vastgesteld door mr. S.F.M. Wortmann, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. W. den Ouden, leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Langeveld-Mak, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.       

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2021

317-857.