Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:996

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
201901256/1/V3
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 juni 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JV 2020/133
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201901256/1/V3.

Datum uitspraak: 8 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 14 januari 2019 in zaak nr. 18/2681 in het geding tussen:

de vreemdelingen

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 16 juni 2017 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.

Bij besluit van 16 maart 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdelingen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 januari 2019 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. G.J. Dijkman, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    De vreemdelingen zijn 70 en 62 jaar oud. Zij beogen verblijf bij referent, hun meerderjarige zoon, die een verblijfsvergunning heeft in Nederland. De staatssecretaris heeft de aanvragen afgewezen, enerzijds omdat referent volgens hem niet voldoet aan het jongvolwassenenbeleid en anderzijds omdat de vreemdelingen volgens hem niet aannemelijk hebben gemaakt dat tussen hen en referent 'more than the normal emotional ties' bestaan, waardoor geen familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM bestaat.

Jongvolwassene

2.    De vreemdelingen klagen in hun eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat referent geen jongvolwassene meer is omdat hij ouder is dan 25 jaar. Volgens de vreemdelingen is de rechtbank bij deze overweging ten onrechte uitgegaan van een harde leeftijdsgrens van 25 jaar.

2.1.    Het jongvolwassenenbeleid staat in paragraaf B7/3.8.1 van de Vc 2000. Volgens de toelichting bij een wijziging van dat beleid (Besluit van 4 september 2016, nummer WBV 2016/11) neemt de staatssecretaris bij kinderen in de leeftijd van 18 jaar oud tot ongeveer 25 jaar oud aan dat sprake is van jongvolwassenen. Een precieze definitie wanneer sprake is van jongvolwassenen is namelijk niet uit de jurisprudentie van het EHRM af te leiden. Deze leeftijdsgrens is niet onredelijk volgens de Afdeling (zie de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3761).

2.2.    Omdat uit de jurisprudentie van het EHRM en het daarop gebaseerde beleid geen harde leeftijdsgrens volgt, moet de staatssecretaris bij vreemdelingen van ongeveer 25 jaar oud op basis van de specifieke omstandigheden van het geval beoordelen of sprake is van jongvolwassenen. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris dat in deze zaak niet heeft gedaan. Hij heeft zich namelijk beperkt tot het standpunt dat referent ouder is dan 25 jaar en dat hij alleen al om die reden geen jongvolwassene is als bedoeld in het beleid. Dit terwijl referent ten tijde van zijn asielaanvraag pas net 25 jaar oud was en ook tijdens het indienen van de mvv-aanvragen nog maar 25 jaar oud was. De vreemdelingen klagen daarom terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zijn standpunt dat referent geen jongvolwassene meer is deugdelijk heeft gemotiveerd.

De grief slaagt.

More than the normal emotional ties

3.    In hun tweede grief klagen de vreemdelingen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat tussen hen en referent 'more than the normal emotional ties' bestaan. De rechtbank heeft volgens de vreemdelingen niet onderkend dat voor het bestaan van deze 'ties' niet vereist is dat zij aannemelijk maken dat referent de enige is die de noodzakelijke zorg op zich kan nemen.

3.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen kan voor het bestaan van 'more than the normal emotional ties' onder meer financiële of materiële afhankelijkheid van belang zijn - waarbij de staatssecretaris zwaarwegend maar niet doorslaggevend gewicht mag toekennen aan het antwoord op de vraag of er een reële mogelijkheid bestaat dat andere familieleden of derden de benodigde zorg verlenen (zie de uitspraak van de Afdeling van 4 april 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1003). In het besluit van 16 maart 2018 heeft de staatssecretaris zijn standpunt dat geen sprake is van deze 'ties' echter hoofdzakelijk gestaafd met de argumenten dat de vreemdelingen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij enkel en alleen afhankelijk zijn van referent en dat niet is aangetoond dat in Syrië geen andere familieleden zijn die de zorg op zich kunnen nemen. De vreemdelingen klagen daarom terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris de exclusiviteit van de afhankelijkheid daarmee ten onrechte van doorslaggevend belang heeft geacht. De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond en het besluit van 16 maart 2018 wordt vernietigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 14 januari 2019 in zaak nr. 18/2681;

III.    verklaart het beroep gegrond;

IV.    vernietigt het besluit van 16 maart 2018, V-nummers […] en […];

V.    veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: vijftienhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

VI.    gelast dat de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid aan de vreemdelingen het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van € 429,00 (zegge: vierhonderdnegenentwintig euro) voor de behandeling van het beroep en het hoger beroep vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. van Meurs-Heuvel, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Van Meurs-Heuvel

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2020

765-873.