Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:988

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
08-04-2020
Datum publicatie
15-04-2020
Zaaknummer
201906643/1/V2
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2018 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906643/1/V2.

Datum uitspraak: 8 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 augustus 2019 in zaak nr. 18/8480 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2018 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling verleende verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd ingetrokken.

Bij besluit van 17 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 16 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van wat in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.K. Bulthuis, advocaat te Groningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 7 november 2019 heeft de staatssecretaris het bezwaar van de vreemdeling opnieuw ongegrond verklaard.

De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in bijlage 1 die deel uitmaakt van deze uitspraak.

Inleiding

2.    De vreemdeling heeft de Turkse nationaliteit en is gehuwd met referent. Referent heeft op 17 februari 2016 een aanvraag ingediend om de vreemdeling een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen. Op dat moment had referent twee arbeidsovereenkomsten. De staatssecretaris heeft op 18 maart 2016 de mvv-aanvraag ingewilligd. Op 12 april 2016 heeft hij op basis van de verleende mvv de vreemdeling met ingang van 19 maart 2016 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend. Referent heeft per 31 maart 2016 één van haar arbeidsovereenkomsten opgezegd en is in mei 2016 begonnen aan een nieuwe baan. De staatssecretaris heeft bij besluit van 14 mei 2018 de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 19 maart 2016 ingetrokken omdat de vreemdeling gegevens heeft achtergehouden die tot afwijzing van de aanvraag om een verblijfsvergunning zouden hebben geleid (artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000). De staatssecretaris heeft hieraan ten grondslag gelegd dat door de opzegging van de arbeidsovereenkomst door referent, de vreemdeling niet meer voldeed aan het middelenvereiste, als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. Vaststaat dat referent nog voordat de mvv werd verleend wist dat haar inkomen zou dalen als gevolg van het opzeggen van de arbeidsovereenkomst. Zij heeft dit echter niet gemeld, terwijl bekendheid met die informatie ertoe had geleid dat de aanvraag om een verblijfsvergunning was afgewezen, aldus de staatssecretaris. In geschil is of de staatssecretaris hiermee een juiste uitleg heeft gegeven aan het fraudebegrip van de Gezinsherenigingsrichtlijn, zoals geïmplementeerd in artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.

2.1.    Over de vraag hoe het fraudebegrip in artikel 16, tweede lid, aanhef en onder a, van de Gezinsherenigingsrichtlijn moet worden uitgelegd heeft het Hof van Justitie zich uitgelaten in het arrest van 6 februari 2018, Altun, ECLI:EU:C:2018:63. De voor deze zaak relevante overwegingen van het arrest zijn opgenomen in bijlage 2, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De staatssecretaris heeft niet kenbaar getoetst of de vreemdeling, met inachtneming van de individuele omstandigheden, op het moment dat de verblijfsvergunning aan hem werd verleend voldeed aan het middelenvereiste. Verder wijst volgens de rechtbank het enkele feit dat referent en de vreemdeling hebben nagelaten om de daling in hun inkomsten te melden, er nog niet op dat zij de intentie hadden om de voorwaarden voor verlening van de verblijfsvergunning te omzeilen.

Grieven

4.    In de grieven richt de staatssecretaris zich tegen dit oordeel van de rechtbank. Hij stelt dat hij wel degelijk heeft getoetst of de vreemdeling, met inachtneming van de individuele omstandigheden, voldeed aan het middelenvereiste op het moment dat de verblijfsvergunning werd verleend. In het besluit van 17 oktober 2018 is immers vastgesteld dat de vreemdeling met het inkomen van referent niet voldeed aan het normbedrag als bedoeld artikel 3.74, eerste lid, aanhef onder a, van het Vb 2000. Daarbij is volgens de staatssecretaris verder betrokken of de vreemdeling individuele feiten of omstandigheden had aangevoerd waaruit volgt dat hij, ondanks dat hij niet aan het normbedrag voldeed, toch voldeed aan het middelenvereiste. Voorts voert hij aan dat referent wist dat haar inkomenssituatie was gewijzigd en dat dit gevolgen kon hebben voor het verblijfsrecht van de vreemdeling. Dat zij desondanks heeft nagelaten om de wijziging te melden, leidt tot de conclusie dat referent de intentie had om de indruk te wekken dat de vreemdeling voldeed aan het middelenvereiste terwijl dit niet het geval was, aldus de staatssecretaris.

Toetsing middelenvereiste

4.1    De staatssecretaris betoogt terecht dat hij kenbaar heeft getoetst of de vreemdeling op het moment van verlening van de verblijfsvergunning voldeed aan het middelenvereiste. Uit het besluit van 17 oktober 2018 blijkt dat hij op basis van gegevens uit Suwinet heeft vastgesteld dat het inkomen van referent op het moment van verlening van de verblijfsvergunning niet voldeed aan het normbedrag van artikel 3.74, eerste lid, aanhef en onder a, van het Vb 2000. Hij heeft verder een concrete beoordeling gemaakt als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 4 maart 2010, Chakroun, ECLI:EU:C:2010:117, punt 48. De staatssecretaris heeft in dat kader in voldoende mate de individuele omstandigheden betrokken die door of namens de vreemdeling zijn aangevoerd. Daarbij heeft de staatssecretaris er terecht op gewezen dat de vreemdeling zijn stelling dat referent en hij na het opzeggen van de arbeidsovereenkomst hebben kunnen rondkomen door te leven van spaargeld en in een goedkoop appartement te wonen, niet heeft onderbouwd (vergelijk de uitspraak van 27 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:208). Dat, zoals de vreemdeling in de schriftelijke uiteenzetting stelt, de staatssecretaris bij deze beoordeling niet kenbaar de omstandigheden heeft betrokken dat referent als jonge werknemer geen makkelijke positie op de arbeidsmarkt heeft, in haar nieuwe baan meer toekomstperspectief en financiële zekerheid heeft, en zij en de vreemdeling zelfredzaam zijn geweest, leidt niet tot een ander oordeel. Deze omstandigheden spelen mogelijk een rol bij de belangenafweging die de staatssecretaris in het kader van de intrekking van de verblijfsvergunning dient te verrichten, maar kunnen niet tot de conclusie leiden dat de vreemdeling alsnog aan het middelenvereiste voldeed. Daarnaast heeft de staatssecretaris in zijn besluit betrokken dat ook met het salaris uit de nieuwe baan van referent de vreemdeling niet aan het middelenvereiste voldeed.

Bewust achterhouden van gegevens

4.2    Anders dan de rechtbank heeft overwogen, heeft de staatssecretaris verder deugdelijk gemotiveerd dat referent en de vreemdeling bewust gegevens hebben achtergehouden, zodat zij blijk gaven van een intentie tot het ontduiken van de voorwaarden voor de verblijfsvergunning. Daarmee is voldaan aan het subjectieve element van het fraudebegrip, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie in het arrest Altun. Zoals de staatssecretaris terecht heeft aangevoerd, heeft referent met het ondertekenen van het aanvraagformulier voor de mvv verklaard dat zij op de hoogte is van de op haar rustende plicht om alle gegevens te verstrekken die van belang kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag van een verblijfsvergunning. Het achterhouden van dergelijke gegevens kan ertoe leiden dat ten onrechte de indruk wordt gewekt dat een vreemdeling voldoet aan de voorwaarden voor verlening van een verblijfsvergunning. In de besluiten van 14 mei 2018 en van 17 oktober 2018 heeft de staatssecretaris gemotiveerd dat referent moet hebben geweten dat de daling van haar inkomen, als gevolg van het opzeggen van de arbeidsovereenkomst, van belang was voor de beoordeling van het verblijfsrecht van de vreemdeling. Desondanks heeft referent noch de vreemdeling op enig moment deze inkomensdaling gemeld. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling, rechtvaardigt deze handelwijze de conclusie dat referent en de vreemdeling bewust misleidend hebben gehandeld (zie de uitspraken van de Afdeling van 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:360, r.o. 4.3, en van 12 december 2019, ECLI:NL:RVS:2019:4199, r.o. 4.1).

4.3.    De grieven slagen.

Conclusie

5.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling wijst de zaak naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De rechtbank zal zich onder meer nog moeten uitlaten over de beroepsgronden die zijn aangevoerd over het Turkse associatierecht en de vraag of de (rechts)gevolgen van de intrekking evenredig zijn. De staatssecretaris heeft het besluit van 7 november 2019 genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank. Omdat die uitspraak wordt vernietigd, wordt ook dat besluit vernietigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 16 augustus 2019 in zaak nr. 18/8480;

III.    vernietigt het besluit van 7 november 2019, V-nummer […];

IV.    wijst de zaak naar de rechtbank terug.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, voorzitter, en mr. C.M. Wissels en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Prins

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2020

363-936.

 

BIJLAGE 1 - Wettelijk kader

 

Recht van de Europese Unie

Gezinsherenigingsrichtlijn

Artikel 16

(…)

2. De lidstaten kunnen tevens het verzoek tot toegang en verblijf met het oog op gezinshereniging afwijzen of de verblijfstitel van gezinsleden intrekken of weigeren te verlengen indien is vastgesteld dat:

a) er valse of misleidende informatie is verstrekt, valse of vervalste documenten zijn gebruikt, of anderszins fraude is gepleegd of onwettige middelen zijn gebruikt;

(…)

Nationaal recht

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 16

1. Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:

(…)

c. de vreemdeling niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan dan wel, indien de persoon bij wie de vreemdeling wil verblijven, niet zelfstandig en duurzaam beschikt over voldoende middelen van bestaan;

(…)

Artikel 18

1.    Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:

(…)

c.     de vreemdeling onjuiste gegevens heeft verstrekt dan wel gegevens heeft achtergehouden terwijl die gegevens tot afwijzing van de oorspronkelijke aanvraag tot het verlenen of verlengen zouden hebben geleid;

(…)

Artikel 19

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid, met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel e, wordt verleend.

 

BIJLAGE 2 - Overwegingen van het Hof in het arrest van 6 februari 2018, Altun, ECLI:EU:C:2018:63, voor zover thans van belang:

 

"50      In het bijzonder berust de vaststelling van fraude op een samenstel van bij elkaar passende aanwijzingen waaruit zowel een objectief als een subjectief gegeven blijkt.

51       Het objectieve gegeven bestaat erin dat niet is voldaan aan de voorwaarden om een E 101‑verklaring te kunnen verkrijgen en zich hierop te kunnen beroepen, zoals die zijn vastgelegd in titel II van verordening nr. 1408/71 en in punt 34 van dit arrest in herinnering zijn gebracht.

52      Het subjectieve gegeven betreft de intentie van de betrokkenen om de voorwaarden voor afgifte van deze verklaring te omzeilen of te ontduiken teneinde op die manier het eraan verbonden voordeel te verkrijgen.

53      Een E 101‑verklaring kan dus frauduleus verkregen zijn via een opzettelijk handelen, zoals de onjuiste voorstelling van de werkelijke situatie van de gedetacheerde werknemer of de onderneming die deze werknemer detacheert, dan wel door een opzettelijk nalaten, zoals het achterhouden van relevante informatie met de bedoeling de toepassingsvoorwaarden van artikel 14, punt 1, onder a), van verordening nr. 1408/71 te ontduiken."