Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:970

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
201808384/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3595, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Terschelling pgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van 26 juni 2018, waarbij het bestemmingsplan "[bedrijf]" is vastgesteld, te herstellen. De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 6.5 overwogen dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat [bedrijf] kan worden aangemerkt als volwaardig agrarisch bedrijf. Verder heeft de Afdeling onder 6.6 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat een bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van de zelfpluktuin ter plaatse.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201808384/2/R3.

Datum uitspraak: 1 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Stichting Ons Schellingerland, gevestigd te Lies, gemeente Terschelling,

appellante,

en

de raad van de gemeente Terschelling,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 23 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3595 (hierna: de tussenuitspraak), heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 20 weken na verzending van de tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken in het besluit van de raad van 26 juni 2018, waarbij het bestemmingsplan "[bedrijf]" is vastgesteld, te herstellen. Deze uitspraak is aangehecht.

Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) heeft de Afdeling bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 6.5 overwogen dat de raad niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat [bedrijf] kan worden aangemerkt als volwaardig agrarisch bedrijf. Verder heeft de Afdeling onder 6.6 van de tussenuitspraak overwogen dat de raad onvoldoende heeft onderbouwd dat een bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van de zelfpluktuin ter plaatse. Gelet op wat is overwogen onder 6.5 en 6.6, heeft de Afdeling aanleiding gezien voor het oordeel dat het plan in strijd met artikel 3:46 van de Awb niet berust op een deugdelijke motivering, voor zover dat een bedrijfsgebouw ter plaatse van het bouwvlak en een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch bouwperceel" toestaat.

2.    Het beroep is gegrond, zodat het bestreden besluit, voor zover dat een bedrijfsgebouw ter plaatse van het bouwvlak en een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" toestaat, dient te worden vernietigd.

3.    De Afdeling heeft de raad opdracht gegeven om:

- hetzij alsnog draagkrachtig te motiveren dat [bedrijf] kan worden aangemerkt als volwaardig agrarisch bedrijf, hetzij in zoverre een gewijzigd plan vast te stellen;

- hetzij - indien blijkt dat [bedrijf] kan worden aangemerkt als volwaardig agrarisch bedrijf - alsnog draagkrachtig te motiveren dat een bedrijfswoning noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering van de zelfpluktuin ter plaatse, hetzij in zoverre een gewijzigd plan vast te stellen;

- de Afdeling en de andere partij de uitkomst mee te delen en het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. Afdeling 3.4 van de Awb hoefde bij de voorbereiding van het gewijzigde of nieuwe besluit niet opnieuw te worden toegepast.

4.    De tussenuitspraak verplicht, gelet op artikel 8:51a, tweede lid, van de Awb, de raad om de geconstateerde gebreken te herstellen binnen de daartoe gestelde termijn. De in de tussenuitspraak opgenomen hersteltermijn eindigde op 11 maart 2020 en is verstreken. Niet is voldaan aan de door de Afdeling in de tussenuitspraak gegeven opdracht om het gewijzigde of nieuwe besluit zo spoedig mogelijk op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mee te delen. De geconstateerde gebreken in het besluit van 26 juni 2018 zijn niet hersteld.

5.    De Afdeling ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb de raad op te dragen om voor de vernietigde onderdelen van het plan met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen. De Afdeling zal daarvoor een termijn stellen. Het door de raad te nemen nieuwe besluit behoeft niet overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb te worden voorbereid.

6.    De raad dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Terschelling van 26 juni 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "[bedrijf]", voor zover dat een bedrijfsgebouw ter plaatse van het bouwvlak en een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van agrarisch - bouwperceel" toestaat;

III.    draagt de raad van de gemeente Terschelling op om binnen 16 weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit te nemen en dit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Terschelling tot vergoeding van bij Stichting Ons Schellingerland in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.050,00 (zegge: duizendvijftig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Terschelling aan Stichting Ons Schellingerland het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 338,00

(zegge: driehonderdachtendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020

271-926.