Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:968

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
201807647/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2639, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Amsterdam opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 18 juli 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Borneo, Sporenburg en Rietlanden 2017" te herstellen, de Afdeling en de betrokken partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807647/3/R1.

Datum uitspraak: 1 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellant sub 1], wonend te Amsterdam,

2.    [appellant sub 2], wonend te Amsterdam,

en

de raad van de gemeente Amsterdam,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 31 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2639, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 26 weken na de verzending van de tussenuitspraak het gebrek in het besluit van 18 juli 2018 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Borneo, Sporenburg en Rietlanden 2017" te herstellen, de Afdeling en de betrokken partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel nieuw of gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 22 januari 2020 heeft de raad het plan gewijzigd vastgesteld.

[appellant sub 1] en [appellant sub 2] zijn in de gelegenheid gesteld een zienswijze naar voren te brengen over de wijze waarop de raad heeft beoogd het gebrek te herstellen. Bij brief, binnengekomen op 17 maart 2020, heeft [appellant sub 2] aangegeven zich te kunnen vinden in de wijze waarop het gebrek is hersteld.

De Afdeling heeft bepaald dat een nadere zitting achterwege blijft. Vervolgens heeft de Afdeling het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling onder 6.3 overwogen dat het plan onzorgvuldig is voorbereid, omdat uit de planregels niet duidelijk volgt of aan de [locatie 1] in Amsterdam en de [locatie 2] in Amsterdam een bed and breakfast is toegestaan. Op grond van artikel 17, lid 17.1, van de planregels in samenhang met artikel 1, lid 1.9, en artikel 1, lid 1.41, van de planregels is het namelijk toegestaan om binnen de bestemming "Water" met de functieaanduidingen "specifieke vorm van water - 12" en "specifieke vorm van water - 18" een bed and breakfast te exploiteren. Op grond van artikel 23, lid 23.2.1, van de planregels is het echter niet toegestaan om een bed and breakfast te exploiteren, omdat een bed and breakfast niet is vermeld op de Staat van Bedrijfsactiviteiten - functiemenging, als bedoeld in artikel 23, lid 23.2.1, van de planregels.

2.    Gelet op hetgeen is overwogen in de tussenuitspraak zijn de beroepen van [appellant sub 1] en [appellant sub 2] tegen het besluit van 18 juli 2018 gegrond. Dit besluit is genomen in strijd met de bij het voorbereiden van een besluit te betrachten zorgvuldigheid als bedoeld in artikel 3:2 van de Awb. Het besluit van 18 juli 2018 dient te worden vernietigd, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Water" met de functieaanduidingen "specifieke vorm van water - 12" en "specifieke vorm van water - 18" voor de percelen [locatie 1] in Amsterdam en de [locatie 2] in Amsterdam.

3.    Op 22 januari 2020 heeft de raad het plan gewijzigd vastgesteld.

4.    Artikel 6:19, eerste lid, van de Awb luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben."

5.    [appellant sub 2] heeft in zijn zienswijze aangegeven zich te kunnen vinden in de wijze waarop het gebrek in het besluit van 22 januari 2020 is hersteld. Gelet hierop is voor zover het [appellant sub 2] betreft geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb ontstaan waarop nog dient te worden beslist.

6.    [appellant sub 1] heeft niet aangegeven dat zij zich kan verenigen met het besluit van 22 januari 2020. Voor zover het [appellant sub 1] betreft is het besluit van 22 januari 2020 op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van geschil. [appellant sub 1] heeft - daartoe ook in de gelegenheid te zijn gesteld - naar aanleiding van het besluit van 22 januari 2020 geen zienswijze ingediend. De Afdeling leidt hieruit af dat [appellant sub 1] geen bezwaren heeft tegen het besluit van 22 januari 2020. Het van rechtswege ontstane beroep is ongegrond. Dit betekent dat het plan "Borneo, Sporenburg en Rietlanden 2017", zoals de raad dat bij besluit van 22 januari 2020 heeft vastgesteld, in stand blijft en dat dat plan met deze uitspraak onherroepelijk wordt.

Proceskosten

7.    De raad dient ten aanzien van [appellant sub 2] op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld. In het beroep van [appellant sub 1] is van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart de beroepen tegen het besluit van 18 juli 2018 gegrond;

II.    vernietigt het besluit van 18 juli 2018, waarbij het bestemmingsplan "Borneo, Sporenburg en Rietlanden 2017" is vastgesteld, voor zover het betreft het plandeel met de bestemming "Water" met de functieaanduidingen "specifieke vorm van water - 12" en "specifieke vorm van water - 18" voor de percelen [locatie 1] in Amsterdam en de [locatie 2] in Amsterdam;

III.    verklaart het beroep van [appellant sub 1] tegen het besluit van 22 januari 2020 ongegrond;

IV.    veroordeelt de raad van de gemeente Amsterdam tot vergoeding van bij [appellant sub 2] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.575,00 (zegge: duizendvijfhonderdvijfenzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

V.    gelast dat de raad van de gemeente Amsterdam aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van:

a.    € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) aan [appellant sub 1];

b.    € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) aan [appellant sub 2].

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020

91-927.