Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:966

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
201903260/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 februari 2019 heeft het college vergunning verleend krachtens de Waterwet voor het plaatsen van drie windturbines, en het uitvoeren van bijbehorende werkzaamheden, in de beschermingszone, profiel van vrije ruimte en buitenbeschermingszone van de waterkering Kleefse Waard in Arnhem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2020/8237
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201903260/1/R1.
Datum uitspraak: 1 april 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Stichting AGA/Presikhaaf, gevestigd te Arnhem,

appellante,

en

het college van dijkgraaf en heemraden van het Waterschap Rijn en IJssel,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 februari 2019 heeft het college vergunning verleend krachtens de Waterwet voor het plaatsen van drie windturbines, en het uitvoeren van bijbehorende werkzaamheden, in de beschermingszone, profiel van vrije ruimte en buitenbeschermingszone van de waterkering Kleefse Waard in Arnhem.

Tegen dit besluit heeft stichting AGA/Presikhaaf beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben de raad en het college van burgemeester en wethouders van Arnhem en de firma Windpark Koningspleij, gezamenlijk een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Stichting AGA/Presikhaaf heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 december 2019, waar stichting AGA/Presikhaaf, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. M.A.J. Martens, ing. A.H.T. van Poorten en A. Jaakke, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting de raad en het college van burgemeester en wethouders van Arnhem, en Windpark Koningspleij, alle vertegenwoordigd door mr. R. Benhadi en mr. Y. Demirci, beiden advocaat te Nijmegen, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1. De raad van de gemeente Arnhem heeft bij besluit van 10 juli 2017 het bestemmingsplan "Windpark en zonneveld Koningspleij Noord" vastgesteld. Dit bestemmingsplan voorziet in een windpark met vier windturbines in lijnopstelling direct ten zuiden van het bedrijventerrein Kleefse Waard, langs de Pleijweg. Ter uitvoering van het bestemmingsplan heeft het college van burgemeester en wethouders bij besluit van 11 juli 2017 een omgevingsvergunning verleend voor het bouwen en in werking hebben van het windpark. De in deze procedure voorliggende vergunning krachtens de Waterwet is ook een besluit dat nodig is voor de realisatie van het windpark. Deze vergunning is een toestemming voor onder meer het in de grond brengen/plaatsen van funderingspalen en funderingsblokken voor de windturbines en voor het uitvoeren van graafwerkzaamheden voor het verbreden van een bestaande watergang als compensatie voor de toename van de verharding.

2. De vergunningplicht voor het verrichten van werkzaamheden op gronden die zijn aangewezen als beschermingszone, buitenbeschermingszone en profiel van vrije ruimte bij een waterstaatswerk volgt uit artikel 78 van de Waterschapswet, gelezen in samenhang met artikel 3.1, vierde, vijfde en zesde lid, van de Keur van Waterschap Rijn en IJssel 2009, in werking getreden op 22 december 2009. Het toetsingskader voor de watervergunning is vastgelegd in artikel 2.1 van de Waterwet. In het bestreden besluit staat in dit verband dat de kerende functie van de primaire waterkering de Kleefse Waard niet nadelig mag worden beïnvloed door de aanwezigheid van de werken en/of de uitvoering van de activiteiten.

3. Tegen het in 2017 vastgestelde bestemmingsplan en de verleende omgevingsvergunning hebben stichting AGA/Presikhaaf en andere partijen beroep ingesteld. Bij (tussen)uitspraak van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:295, en bij uitspraak van vandaag, ECLI:NL:RVS:2020:889, heeft de Afdeling het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning vernietigd, maar de rechtsgevolgen van deze besluiten grotendeels in stand gelaten.

4. Op het in dit geding bestreden besluit is de Crisis- en herstelwet (hierna: Chw) van toepassing. Op grond van artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd. In de kennisgeving in het Waterschapsblad van 15 maart 2019 is hier ook melding van gemaakt.

5. De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in de bij deze uitspraak behorende bijlage.

Ontvankelijkheid

6. Volgens het college is het beroep van stichting AGA/Presikhaaf niet-ontvankelijk. De vergunning dient het belang van de waterveiligheid. Bij het toetsen van de aanvraag wordt beoordeeld of de beoogde activiteiten onaanvaardbare gevolgen hebben voor het waterkerend vermogen van de (primaire) waterkering. Stichting AGA/Presikhaaf komt in het bijzonder op voor het behoud van een goed woon- en leefklimaat binnen haar werkgebied, de wijk Presikhaaf. Er bestaat volgens het college geen directe relatie tussen het beoordelingskader voor de watervergunning en de belangen die appellante blijkens haar statutaire doelstelling in het bijzonder behartigt.

6.1.

In artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is bepaald dat "onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

In het derde lid staat dat "ten aanzien van rechtspersonen als hun belangen mede worden beschouwd de algemene en collectieve belangen die zij krachtens hun doelstellingen en blijkens hun feitelijke werkzaamheden in het bijzonder behartigen."

6.2.

Voor het beantwoorden van de vraag of een rechtspersoon belanghebbende is als bedoeld in artikel 1:2, eerste en derde lid, van de Awb, is bepalend of de rechtspersoon krachtens zijn statutaire doelstelling en blijkens zijn feitelijke werkzaamheden een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken algemeen of collectief belang in het bijzonder behartigt. Met artikel 1:2, derde lid, van de Awb heeft de wetgever blijkens de totstandkomingsgeschiedenis (Kamerstukken II 1988/1989, 21 221, nr. 3, p. 32-35) veilig willen stellen dat organisaties als belanghebbende kunnen opkomen, mits een algemeen of collectief belang dat zij zich statutair ten doel stellen te behartigen en waarvoor zij zich daadwerkelijk inzetten, bij het besluit rechtstreeks is betrokken.

6.3.

Blijkens artikel 2 van haar akte van oprichting heeft stichting AGA/Presikhaaf tot doel "het behartigen van de gezamenlijke belangen van de bewoners van de wijk Presikhaaf te Arnhem, het voorkomen van aantasting van het woon- en leefmilieu, het bevorderen van de leefbaarheid van de wijk Presikhaaf, meer speciaal met betrekking tot de kwaliteit van wonen in deze wijk, het voeren van juridische procedures, met name in het kader van de ruimtelijke ordening en voorts het verrichten van al hetgeen daarmede in de meest ruime zin verband houdt of daarvoor bevorderlijk kan zijn."

6.4.

Het bestreden besluit is noodzakelijk voor de realisatie van het windpark Koningspleij, omdat drie van de vier turbines van het windpark zullen worden geplaatst op gronden die zijn aangewezen als beschermingszone van een primaire waterkering. De handelingen waarvoor de vergunning is verleend, kunnen gevolgen hebben voor het functioneren van de waterkering en dat is de reden dat deze handelingen vergunningplichtig zijn. De afstand tussen het werkgebied van stichting AGA/Presikhaaf en de gronden waar de vergunning over gaat, is weliswaar 600 m, maar de Afdeling acht aannemelijk dat het falen van de waterkering gevolgen kan hebben voor de wijk Presikhaaf. De Afdeling is van oordeel dat er wel een directe relatie bestaat tussen de belangen die zijn gemoeid met de watervergunning, in het bijzonder de waterveiligheid, en de belangen die stichting AGA/Presikhaaf blijkens haar statutaire doelstelling in het bijzonder behartigt. Zij is dus belanghebbende en haar beroep is ontvankelijk. Vergelijk in dit verband de uitspraak van de Afdeling van 13 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:818.

Aanvulling beroep van 26 juni 2019

7. Voor zover stichting AGA/Presikhaaf in aanvulling op haar initiële beroepschrift gronden heeft aangevoerd tegen de bij besluit van 20 december 2018 verleende watervergunning voor het uitvoeren van bodemonderzoek (boringen en sonderingen) in de kern- en beschermingszone van de primaire waterkering gelegen aan de Pleijweg in Arnhem, overweegt de Afdeling dat die gronden niet aan de orde kunnen komen in het kader van deze procedure.

Crisis- en herstelwet

8. Over het betoog van stichting AGA/Presikhaaf dat het college ten onrechte de Chw van toepassing heeft verklaard op dit besluit, overweegt de Afdeling als volgt. In artikel 1.1, onder a, van de Chw is bepaald dat afdeling 2 van de Chw van toepassing is op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten. In bijlage I bij de Chw, onderdeel 1, onder 1.2, wordt als categorie ruimtelijke en infrastructurele projecten als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, aangemerkt "[de] aanleg of uitbreiding van productie-installaties voor de opwekking van duurzame elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, aanhef en onderdelen a en b, en artikel 9e van de Elektriciteitswet 1998". Dat op dit besluit afdeling 2 van de Chw van toepassing is, volgt uit de regeling van de Chw zelf, dus een wet in formele zin. Het is, anders dan stichting AGA/Presikhaaf veronderstelt, niet juist dat het college heeft besloten dat de Chw in dit geval van toepassing is. Het betoog slaagt niet.

Gecoördineerde besluitvorming

9. Stichting AGA/Presikhaaf betoogt dat de vergunning ten onrechte niet gelijktijdig is voorbereid met het bestemmingsplan van 10 juli 2017. Dit is in strijd met het besluit van de raad van Arnhem van 19 november 2016, waarbij is besloten dat het bestemmingsplan en de uitvoeringsbesluiten voor het windpark gecoördineerd zullen worden voorbereid.

9.1.

De raad van Arnhem heeft beoogd de besluiten die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het windpark met toepassing van de gemeentelijke coördinatieregeling van artikel 3.30, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet ruimtelijke ordening gecoördineerd voor te bereiden en bekend te maken. Om dat te bereiken heeft de raad het besluit van 19 november 2016 genomen. In dit besluit is vastgelegd dat de voorbereiding van het bestemmingsplan voor een windpark met vier windturbines langs de Pleijweg gecoördineerd wordt met de voorbereiding en bekendmaking van de voor de verwezenlijking van het windpark benodigde nader genoemde besluiten. In het besluit van 19 november 2016 wordt onder meer vermeld de "vergunningen op grond van de Waterwet".

9.2.

In haar uitspraak van 13 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:296, heeft de Afdeling, ook naar aanleiding van een beroep van Stichting AGA/Presikhaaf, geoordeeld over de voorbereiding van een ander uitvoeringsbesluit, namelijk de vergunning en ontheffing krachtens de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) voor het windpark Koningspleij. Wat in de uitspraak van 13 februari 2019 is overwogen, geldt ook voor het nu voorliggende besluit krachtens de Waterwet. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de raad in strijd heeft gehandeld met het coördinatiebesluit van 19 november 2019, door de watervergunning niet gelijktijdig met het bestemmingsplan en de omgevingsvergunning voor te bereiden en bekend te maken. Het betoog slaagt niet.

Het beroep inhoudelijk

10. Stichting AGA/Presikhaaf betoogt dat de vergunning ten onrechte is verleend, omdat ten tijde van vergunningverlening niet vaststond welk type windturbine zal worden geplaatst.

10.1.

In de vergunning staat dat bij de aanvraag onderzoeksrapporten zijn overgelegd waaruit blijkt dat voldaan kan worden aan de eisen over de veiligheid van de waterkering. Deze onderzoeksrapporten gaan uit van de planologisch maximale maatvoeringen voor de windturbines. Wat betreft de primaire kering is uitgegaan van extreem belastende omstandigheden: een worst case scenario. Op basis van deze aannames voldoet het windturbinefundament zowel in de bouw- als de gebruiksfase aan de eisen die zijn gesteld aan de veiligheid van de waterkering. Het definitieve ontwerp wordt in een later stadium in het proces uitgewerkt, aldus de toelichting bij de vergunning. Het college heeft er op gewezen dat als extra waarborg in de voorschriften bij de vergunning is vastgelegd dat een werk-, beheer- en onderhoudsplan en een fundatierapport voorafgaand aan de werkzaamheden ter goedkeuring moeten worden voorgelegd.

10.2.

Stichting AGA/Presikhaaf heeft niet bestreden dat bij de verrichte onderzoeken is uitgegaan van het worst case scenario, namelijk de maximale maatvoering van de te plaatsen windturbines en de situatie waarin sprake is van extreem belastende omstandigheden op de primaire waterkering. De gestelde omstandigheid dat ten tijde van vergunningverlening nog geen keuze was gemaakt voor een concreet type windturbine leidt daarom niet tot het oordeel dat het verrichte onderzoek niet-representatief en alleen al daarom ondeugdelijk is. Het betoog slaagt niet.

11. Stichting AGA/Presikhaaf betoogt dat het college bij het verlenen van de omgevingsvergunning ten onrechte het uitgangspunt heeft gehanteerd dat de aanwezigheid van windturbines pas binnen een afstand van 200 m tot de waterkering leidt tot een verhoogd risico voor de waterveiligheid. Volgens het college is dit uitgangspunt afkomstig uit landelijk onderzoek, maar niet inzichtelijk is gemaakt welk onderzoek dit is, aldus stichting AGA/Presikhaaf.

11.1.

In de vergunning staat dat de drie windturbines komen te staan op een afstand van ongeveer 40 m van de kering, aan de landzijde daarvan. Uit landelijk onderzoek blijkt dat de aanwezigheid van windturbines binnen een afstand van ongeveer 200 m tot de waterkering kan leiden tot een verhoogd risico voor de waterveiligheid. De initiatiefnemer en het waterschap hebben daarom nader onderzoek verricht naar de gevolgen van het plaatsen van de windturbines voor de stabiliteit van de waterkering. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in de rapporten "Trillingsrisicoanalyse betreffende windpark Koningspleij te Arnhem" van 13 april 2017 en "Rapportage Windpark Koningspleij te Arnhem watervergunning en geotechnische adviezen" van 6 september 2018, beide van Fugro (hierna onderscheidenlijk: rapport van 13 april 2017 en 6 september 2018). Op grond van het verrichte onderzoek is geconcludeerd dat de waterveiligheid voldoende is gewaarborgd. Het waterschap heeft besloten op basis van de genoemde rapporten de vergunning voor het plaatsen van de windturbines te verlenen.

11.2.

De Afdeling overweegt dat het uitgangspunt dat bij een afstand van 200 m of meer tussen windturbines en de waterkering geen nadelige gevolgen optreden voor de waterveiligheid, is gebaseerd op niet nader geduid (landelijk) onderzoek. Omdat in dit geval de windturbines op een kleinere afstand worden gerealiseerd, is specifiek onderzoek verricht naar de gevolgen van het plaatsen van deze windturbines voor het functioneren van de waterkering. Onduidelijkheid over de herkomst van het uitgangspunt van 200 m is daarom niet van belang voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Het betoog slaagt niet. De concrete bezwaren van stichting AGA/Presikhaaf tegen het onderzoek van Fugro dat ten grondslag ligt aan de vergunning komen hierna aan de orde.

12. Stichting AGA/Presikhaaf betoogt dat het onderzoek naar de gevolgen van de plaatsing van de windturbines voor de stabiliteit van de waterkering, onvoldoende rekening houdt met de gevolgen van klimaatverandering. In dit verband wijst stichting AGA/Presikhaaf op de mogelijke daling van de grondwaterspiegel en - als gevolg hiervan - de inklinking van de veenlagen in de bodem. Van belang is ook dat bij het onderzoek naar de bodemsamenstelling is geboord tot een diepte van 8 m, terwijl funderingspalen met een lengte van 20 m zullen worden gebruikt. Ook wijst stichting AGA/Presikhaaf op de omstandigheid dat in het door Fugro verrichte onderzoek is uitgegaan van een onderlinge afstand tussen de windturbines van 380 m, terwijl in de vergunning en in het milieueffectrapport een afstand van 400 m wordt genoemd.

12.1.

De resultaten van de veiligheidsanalyse voor de dijk als gevolg van de zogenoemde "impactschade" zijn vastgelegd in het rapport van Fugro van 6 september 2018. Onder impactschade wordt verstaan de schade door vallende objecten op de dijk bij het bezwijken van de windturbines. Daarnaast is in dit onderzoek beoordeeld wat de invloed zal zijn van de windturbines op de faalkans van de drie leidingkruisingen/afsluiters in het dijklichaam aan de zijde van de IJssel en de waterkerende damwand langs de Neder-Rijn. Ook is een stabiliteitsanalyse uitgevoerd van de aanleg van watercompensatie tussen de windturbines 1 en 2. De conclusies zijn samengevat in hoofdstuk 6 van het rapport. Geconcludeerd wordt dat ook na plaatsing van de windturbines de kans op falen van de waterkering, zowel wat betreft binnenwaartse als de buitenwaartse macro-instabiliteit, ruimschoots onder de norm ligt.

12.2.

De Afdeling stelt vast dat het in deze procedure gaat om de gevolgen van de vergunde activiteiten of handelingen voor het waterkerend vermogen van de dijk. De vraag of de waterkering - op zichzelf bezien - berekend is op de gevolgen van klimaatverandering kan in deze procedure dus niet aan de orde komen. Uit het rapport van Fugro van 6 september 2018 volgt dat als uitgangspunt voor de beoordeling de bestaande situatie is genomen. Er is geen rekening gehouden met mogelijk hogere rivierafvoeren in de toekomst gedurende de levensduur van de windturbine die in beginsel 20 jaar bedraagt. Omdat het onderzoek heeft uitgewezen dat de toename van de faalkans van de dijk door het plaatsen van de windturbines verwaarloosbaar is, wordt er in het rapport van Fugro van uitgegaan dat dit niet anders zal zijn bij hogere rivierafvoeren. Het college heeft in aanvulling hierop toegelicht dat waterkeringen mede met het oog op klimaatgevolgen periodiek gecontroleerd en beoordeeld worden en dat er in dit geval voldoende fysieke ruimte is voor een eventuele dijkversterking. Stichting AGA/Presikhaaf heeft geen concrete bezwaren tegen deze toelichting aangevoerd. De Afdeling ziet dan ook geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid hiervan.

De aanwezigheid van de winturbines is volgens het college niet van invloed op een eventuele bodemdaling in dit gebied. Omdat de windturbines op een vaste zandlaag worden gefundeerd, leidt een eventuele bodemdaling niet tot verzakking van de turbines. Het definitieve ontwerp van de fundering wordt opgesteld op basis van grondonderzoek dat moet voldoen aan de relevante technische norm (NEN 9997-1, Geotechnisch ontwerp van constructies - Deel 1: Algemene regels). Vooruitlopend op dit onderzoek is volgens het college aan de hand van archiefmateriaal een globaal onderzoek verricht naar de bodemsamenstelling in het projectgebied. De resultaten van dit onderzoek gaan weliswaar over de bodemsamenstelling tot een diepte van 8 m, maar de samenstelling van de diepere grondlagen heeft geen of nauwelijks invloed op de stabiliteit. Het definitieve ontwerp van de fundering wordt uitgewerkt in een nog op te stellen funderingsplan. Dat plan moet volgens het college minimaal vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden voor goedkeuring worden voorgelegd. Een voorschrift (10.4) met die strekking is opgenomen in de vergunning. In wat stichting AGA/Presikhaaf heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van deze stellingen van het college. Het betoog slaagt niet.

12.3.

De Afdeling stelt vast dat de feitelijke afstand tussen de windturbines die zijn voorzien in het bestemmingsplan "Windpark en zonneveld Koningspleij Noord", 380 m tot 450 m is. In de vergunning wordt weliswaar gesproken van een onderlinge afstand tussen de windturbines van ongeveer 400 m, maar het gaat in dit verband louter om de beschrijving van het project. De omstandigheid dat in de vergunning in zoverre niet de exacte afstanden tussen de windturbines worden genoemd en dat in het rapport van Fugro van 380 m is uitgegaan, heeft, anders dan stichting AGA/Presikhaaf kennelijk meent, geen gevolgen voor de deugdelijkheid van het verrichte onderzoek omdat de betrekkelijk kleine verschillen waarom het hier gaat niet relevant zijn voor de effecten op de waterkering.

12.4.

Over de stelling dat in de vergunningaanvraag is uitgegaan van een kortere afstand van de windturbines tot de waterkering dan in het milieueffectrapport, overweegt de Afdeling als volgt. De vergunning moet worden verleend overeenkomstig de aanvraag. In het rapport van Fugro van 6 september 2018, dat ten grondslag ligt aan de vergunning wordt uitgegaan van een afstand tot de waterkering van ongeveer 40 m. Dat is ook de afstand die in de vergunning wordt genoemd. Aan de gestelde omstandigheid dat in het milieueffectrapport een grotere afstand wordt vermeld komt, wat daar ook van zij, geen beslissende betekenis toe, omdat de vergunningaanvraag leidend is. Het betoog slaagt niet.

12.5.

Gelet op het vorenstaande moet worden geconcludeerd dat wat stichting AGA/Presikhaaf heeft aangevoerd geen aanleiding vormt voor het oordeel dat het rapport van Fugro van 6 september 2018 zulke gebreken of leemten in kennis vertoont dat het college zich bij het nemen van het bestreden besluit hierop niet had mogen baseren. Het betoog slaagt niet.

13. Stichting AGA/Presikhaaf betoogt dat het onderzoek van Fugro naar de gevolgen van trillingen van operationele windturbines voor de waterkering niet representatief is, omdat gebruik is gemaakt van metingen op voormalig werkeiland Neeltje Jans. De bodemgesteldheid op die locatie is niet vergelijkbaar met die in het projectgebied, aldus stichting AGA/Presikhaaf.

13.1.

In reactie op dit betoog heeft het college gesteld dat de gehanteerde uitgangspunten niet uitsluitend zijn gebaseerd op metingen bij Neeltje Jans, maar ook op gegevens van andere locaties. Daarvan is een conservatieve, generieke bovengrens afgeleid. Dit standpunt van het college wordt bevestigd in het rapport van Fugro van 13 april 2017. In dit rapport staat dat door het draaien van de turbinebladen trillingen in de grond kunnen optreden. Er is geen eenvoudige prognoseprogrammatuur beschikbaar om op voorhand de intensiteiten te analyseren. De trillingsintensiteiten tijdens de gebruiksfase worden afgeleid uit ervaringsgetallen. In het verleden heeft Fugro bij een aantal windturbines verspreid over Nederland, metingen uitgevoerd met als doel het inzichtelijk maken van de optredende trillingsintensiteiten tijdens het regulier in bedrijf zijn van de windturbines. Aan de hand van deze gegevens kan een inschatting gemaakt worden van de invloedzone en (on)zekerheden aangaande trillingen bij de te realiseren windturbines van windpark Koningspleij. De metingen zijn verricht in de Afrikahaven in Amsterdam, op het werkeiland Neeltje Jans en in de Eemshaven. Op grond van deze metingen wordt uitgegaan van versnellingen tot 0,05 m/s² op een afstand van 15 m tot 20 m van de turbine. Op basis hiervan wordt in het rapport van Fugro van 13 april 2017 geconcludeerd dat de trillingen van de windturbines niet van invloed zullen zijn op de veiligheid van de waterkering.

13.2.

De Afdeling twijfelt er daarom niet aan dat het onderzoek naar de gevolgen van de trillingen van operationele windturbines voor de waterkering is gestoeld op juiste uitgangspunten. Er bestaat daarom ook geen aanleiding de conclusie uit het rapport van Fugro van 13 april 2017 niet te volgen. Het betoog slaagt niet.

14. Stichting AGA/Presikhaaf betoogt dat niet alle uitvoeringsbesluiten die noodzakelijk zijn voor de realisatie van het windpark, zijn genomen. Ook de nu voorliggende vergunning bevat niet alle toestemmingen die nodig zijn voor het realiseren van de fundering van het windpark.

14.1.

De Afdeling wijst erop dat de watervergunning zoals die is verleend, het besluit is dat ter beoordeling staat. Aan de hand van wat stichting AGA/Presikhaaf daartegen heeft aangevoerd, beoordeelt de Afdeling de rechtmatigheid van deze vergunning. Voor zover nog andere vergunningen of (publiekrechtelijke) toestemmingen noodzakelijk zijn voor het windpark, moeten deze worden verleend/gegeven, alvorens het windpark kan worden gerealiseerd en/of in gebruik kan worden genomen. In geval werkzaamheden of handelingen worden verricht waar een vergunning voor nodig is, terwijl die niet is verleend, is dat een kwestie van handhaving. Het betoog slaagt niet.

14.2.

Wat betreft het betoog dat bepaalde plannen nog niet beschikbaar zijn, zoals een kap- en herplantplan, infrastructuurplan en leidingenplan, overweegt de Afdeling, in het verlengde van wat hiervoor is overwogen, dat deze watervergunning niet gaat over het kappen van bomen en het verplaatsen van leidingen. Het betoog slaagt niet.

15. In wat stichting AGA/Presikhaaf heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat bepaalde (nadere) rapporten, in het bijzonder het calamiteiten- en funderingsplan, al ten tijde van de vergunningverlening beschikbaar hadden moeten zijn. In de voorschriften bij de vergunning is vastgelegd dat deze nadere rapporten minimaal vier weken voor de aanvang van de werkzaamheden ter goedkeuring moeten worden voorgelegd aan het bevoegd gezag. Stichting AGA/Presikhaaf heeft niet nader gemotiveerd waarom dit voorschrift niet volstaat. Het betoog slaagt niet.

16. Stichting AGA/Presikhaaf heeft zich in het beroepschrift voor het overige beperkt tot het verwijzen naar de inhoud van haar zienswijze. In de overwegingen van het bestreden besluit is ingegaan op deze zienswijze. Stichting AGA/Presikhaaf heeft in het beroepschrift en ter zitting geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende zienswijze in het bestreden besluit onjuist zou zijn.

Conclusie

17. Het beroep is ongegrond.

Proceskosten

18. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. D.A. Verburg, leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Milosavljević, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020

739.

BIJLAGE

Waterwet

Artikel 2.1

1. De toepassing van deze wet is gericht op:

a. voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met

b. bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en

c. vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen.

2. De toepassing van deze wet is mede gericht op andere doelstellingen dan genoemd in het eerste lid, voor zover dat elders in deze wet is bepaald.

Keur Rijn en IJssel 2009

Hoofdstuk 3. Handelingen in het watersysteem

Artikel 3.1 Watervergunning kernzone, beschermingszone, buiten-beschermingszone en profiel van vrije ruimte van waterstaatswerken

Kernzone waterstaatswerken

1. Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van de kernzone van een waterstaatswerk door, anders dan in overeenstemming met de functie, daarin, daarop, daarboven, daarover of daaronder:

a. werken aan te brengen, te hebben of te verwijderen;

b. opgaande (hout)beplantingen aan te brengen of te behouden, dan wel aanwezige (hout)beplantingen te beschadigen of te verwijderen;

c. werkzaamheden te verrichten;

d. stoffen of voorwerpen te brengen of te hebben op andere dan de daarvoor bestemde plaatsen;

e. activiteiten te houden op andere dan daarvoor aangewezen plaatsen;

f. buiten verharde wegen met rij- en voertuigen, dan wel met een rij- of lastdier te rijden dan wel vee te drijven;

g. zich anders dan als rechthebbende te bevinden indien dat vanwege het bestuur op een voor het publiek kenbare wijze is aangegeven.

Kernzone waterstaatswerk bestaande uit watergang

2. Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in de kernzone van een watergang:

a. de waterstand op een peil te brengen of te houden, anders dan het peil dat door het waterschap voor het betreffende peilgebied is vastgesteld of dat normaal wordt aangehouden;

b. anders dan op daartoe kennelijk ingerichte plaatsen vaartuigen of vlotten af te meren, te laden, te lossen of daarmee ligplaats te nemen of te hebben, tenzij in verband met door het bestuur toegestane activiteiten en handelingen;

c. te varen met voer- of vaartuigen die door mechanische middelen worden aangedreven.

Kernzone waterstaatswerk bestaande uit waterkering

3. Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in de kernzone van een waterkering:

a. bemesting toe te passen;

b. dijkbekledingen te beschadigen;

c. dieren anders dan schapen te brengen en te hebben op andere dan daarvoor bestemde plaatsen.

Beschermingszone waterstaatswerken

4. Het is verboden zonder vergunning van het bestuur gebruik te maken van de beschermingszone van een waterstaatswerk door anders dan in overeenstemming met de functie daarin of daarop:

a. werken aan te brengen, te hebben of te verwijderen;

b. opgaande (hout)beplantingen aan te brengen of te behouden, dan wel aanwezige (hout)beplantingen te verwijderen;

c. werkzaamheden te verrichten.

Buitenbeschermingszone waterstaatswerk bestaande uit waterkering

5. Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in, op, onder of boven de buitenbeschermingszone:

a. afgravingen en seismische onderzoeken te verrichten;

b. werken met een overdruk te plaatsen en te hebben;

c. explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen te hebben.

Profiel van vrije ruimte waterstaatswerk bestaande uit waterkering

6. Het is verboden zonder vergunning van het bestuur in, op, boven of onder het profiel van vrije ruimte:

a. werken aan te brengen of te behouden;

b. (opgaande hout)beplantingen aan te brengen of te behouden.