Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:952

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
201902323/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 4 maart 2019 hebben provinciale staten van Noord-Holland het inpassingsplan "Herinrichting A.C. de Graafweg (N241)" vastgesteld. Het inpassingsplan voorziet in de herinrichting van de provinciale weg N241, de A.C. de Graafweg. Volgens provinciale staten is de herinrichting van deze weg noodzakelijk vanwege de verkeersveiligheid, de bereikbaarheid en de doorstroming. De herinrichting bestaat uit het verbreden van de rijbaan van 6,10 m tot 7,60 m, het realiseren van een obstakelvrije zone van 4,50 m en het verbreden van het fietspad van 2,50 m tot 3,00 m. Het plangebied ligt binnen het grondgebied van de gemeenten Heerhugowaard, Hollands Kroon, Opmeer en Medemblik.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902323/1/R1.

Datum uitspraak: 1 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1.    [appellante sub 1], gevestigd te [plaats],

2.    [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend te [woonplaats] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant sub 2]),

3.    De Goede Steen B.V., gevestigd te Obdam, gemeente Koggenland,

4.    [appellant sub 4], wonend te [woonplaats],

5.    [appellant sub 5], wonend te [woonplaats],

6.    [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B], beiden wonend te [woonplaats],

7.    [appellanten sub 7A] en [appellanten sub 7B], wonend te [woonplaats] onderscheidenlijk [woonplaats],

8.    [appellant sub 8] en anderen, allen wonend te [woonplaats],

9.    [appellant sub 9A] en [appellant sub 9B], beiden wonend te [woonplaats],

10.    [appellante sub 10], gevestigd te [plaats], en anderen,

11.    [appellant sub 11], wonend te [woonplaats],

en

Provinciale staten van Noord-Holland,

verweerders.

Procesverloop

Bij besluit van 4 maart 2019 hebben provinciale staten het inpassingsplan "Herinrichting A.C. de Graafweg (N241)" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellante sub 1], [appellant sub 2], De Goede Steen, [appellant sub 4], [appellant sub 5], [appellanten sub 6], [appellanten sub 7], [appellant sub 8] en anderen, [appellanten sub 9], [appellante sub 10] en anderen en [appellant sub 11] beroep ingesteld.

Provinciale staten hebben een verweerschrift ingediend.

[appellante sub 1], [appellant sub 4], [appellante sub 10] en anderen en provinciale staten hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 februari 2020, waar [appellante sub 1], vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Schram, advocaat te Haarlem, [appellant sub 2], vertegenwoordigd door mr. R.A.M. Schram, voornoemd, [appellant sub 4], [appellanten sub 6], vertegenwoordigd door mr. drs. F.K. van den Akker, advocaat te Eindhoven, [appellante sub 10] en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B] en bijgestaan door [gemachtigde C], [appellant sub 11], en provinciale staten, vertegenwoordigd door mr. A. van Dijck, advocaat te Haarlem, mr. D. Westerwal, D. Eggermont, ing. J. van den Broek en drs. L. Vranken, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Het inpassingsplan (hierna: het PIP) voorziet in de herinrichting van de provinciale weg N241, de A.C. de Graafweg. Volgens provinciale staten is de herinrichting van deze weg noodzakelijk vanwege de verkeersveiligheid, de bereikbaarheid en de doorstroming. De herinrichting bestaat uit het verbreden van de rijbaan van 6,10 m tot 7,60 m, het realiseren van een obstakelvrije zone van 4,50 m en het verbreden van het fietspad van 2,50 m tot 3,00 m. Het plangebied ligt binnen het grondgebied van de gemeenten Heerhugowaard, Hollands Kroon, Opmeer en Medemblik.

2.    Op deze zaak is de Crisis- en herstelwet (hierna: de Chw) van toepassing.

3.    De Afdeling zal de beroepen behandelen in de volgorde zoals vermeld op het voorblad.

Toetsingskader

4.    Bij de vaststelling van een inpassingsplan moeten provinciale staten bestemmingen aanwijzen en regels geven die provinciale staten uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig achten. Provinciale staten hebben daarbij beleidsruimte en moeten de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt hebben kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het beroep van [appellante sub 1]

Inleiding

5.    [appellante sub 1] is gevestigd aan de [locatie 1] in [woonplaats] en kan zich niet met het PIP verenigen, omdat zij een deel van haar huiskavel en bouwvlak moet afstaan voor de herinrichting van de N241.

Alternatieven

6.    [appellante sub 1] betoogt dat provinciale staten het door haar gewenste alternatief onvoldoende in de afweging hebben betrokken, terwijl de gronden als huiskavel van belang zijn voor haar agrarische bedrijfsvoering. Zij stelt voor om de aanwezige elektriciteitsleidingen van Liander te verplaatsen, zodat het verlies van een deel van de huiskavel wordt beperkt. Volgens haar heeft Liander al plannen voor een verplaatsing en kan de sloot met dit alternatief direct grenzend aan de A.C. de Graafweg gesitueerd worden. Verder stelt [appellante sub 1] dat met het alternatief geen extra grond nodig is voor de leidingen, de sloot en de voorziene berm tussen het fietspad en de watergang. Ter zitting heeft [appellante sub 1] toegelicht dat de door provinciale staten bedoelde waterleidingen niet voor haar woning zijn gelegen, dat de weg door de gekozen herinrichting dichter op haar woning wordt gesitueerd en dat provinciale staten ten onrechte een zwaarder gewicht hebben toegekend aan de betrokken financiële belangen.       

6.1.    Provinciale staten dienen bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben provinciale staten beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven moeten in die afweging worden meegenomen. Zij stellen dat de huiskavel van [appellante sub 1] ongeveer 37 hectare groot is en dat ongeveer 3.400 m² noodzakelijk is voor de herinrichting, wat minder is dan 1% van de huiskavel, waarvan ongeveer 1.700 m² is benodigd in verband met de aanwezige leidingen. Provinciale staten hebben ter zitting nader toegelicht dat de hoeveelheid benodigde grond ter plaatse van de woning van [appellante sub 1] relatief beperkt is in vergelijking met wat er in totaal van de huiskavel nodig is, dat deze gronden nodig zijn voor het verbreden van het fietspad en dat het fietspad na de herinrichting ongeveer 3 m dichter op het perceel van [appellante sub 1] zal komen te liggen. Verder is toegelicht dat alternatieven - waaronder het genoemde alternatief - in beschouwing zijn genomen, maar dat die minder geschikt zijn dan de gekozen herinrichting. Daartoe hebben provinciale staten toegelicht dat verderop op het perceel van [appellante sub 1] een waterleiding is gelegen en dat die bepalend is geweest voor de wijze van herinrichting. Met het gewenste alternatief moet die waterleiding ook verplaatst worden en leidt verplaatsing daarvan tot onaanvaardbare maatschappelijke kosten, aldus provinciale staten. Volgens provinciale staten is het alternatief daarom niet gewenst. Onder deze omstandigheden hebben provinciale staten in redelijkheid voor de in het PIP voorziene herinrichting kunnen kiezen.

    Het betoog faalt.

Verkeersveiligheid

7.    [appellante sub 1] heeft na afloop van de beroepstermijn het nadere stuk van 12 februari 2020 ingediend. Voor zover [appellante sub 1] in dat stuk betoogt dat de herinrichting niet zal leiden tot een verkeersveilige situatie, overweegt de Afdeling als volgt. Uit artikel 1.6a van de Chw volgt dat na de beroepstermijn geen nieuwe gronden meer kunnen worden aangevoerd. De beroepsgrond over de verkeersveiligheid heeft [appellante sub 1] niet eerder in haar beroepschrift naar voren gebracht. Gelet hierop laat de Afdeling de ingebrachte beroepsgronden buiten inhoudelijke bespreking. Het betoog van [appellante sub 1] dat het PIP tot doel heeft om de verkeersveiligheid te verbeteren en dat dit logischerwijs moet worden beoordeeld in het kader van de gronden die zij binnen de beroepsgronden aan de orde heeft gesteld, onderschrijft de Afdeling niet. Die gronden kunnen immers ook los van het aspect verkeersveiligheid worden bezien, zoals de Afdeling ook heeft gedaan onder 6.1.   

Conclusie

8.    Het beroep van [appellante sub 1] is ongegrond.

9.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 2]

Inleiding

10.    [appellant sub 2] woont aan de [locatie 2] in [woonplaats]. Daarnaast houdt hij op een perceel, dat direct langs de N241 ligt, hobbymatig dieren. Deze gronden gebruikt [appellant sub 2] ook voor opslag ten behoeve van bedrijfsactiviteiten. Aan zijn gronden is gedeeltelijk de bestemming "Verkeer - 1" toegekend voor de verbreding van de N241. Ter zitting heeft [appellant sub 2] desgevraagd toegelicht dat hij geen ruimtelijke gevolgen van het plan bij zijn woning aan de [locatie 2] ondervindt. Hij betoogt dat het plan leidt tot een onaanvaardbare beperking van de gebruiksmogelijkheden van zijn perceel dat direct langs de N241 ligt.

Belangenafweging

11.    [appellant sub 2] betoogt dat hij als gevolg van het plan in zijn bedrijfsvoering wordt geschaad. Hiertoe voert hij aan dat het wegtracé dichter op zijn perceel en bedrijf komt te liggen. Hierdoor is er volgens [appellant sub 2] niet of nauwelijks manoeuvreerruimte tussen de voorzijde van het bedrijfsgebouw en het wegtracé, waardoor zijn bedrijfsvoering zeer ernstig wordt gefrustreerd. Ook voert hij in dit kader aan dat provinciale staten zijn belangen niet in hun afweging hebben betrokken, zodat geen deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden. In dat verband stelt [appellant sub 2] dat op zijn zienswijze met een algemene opmerking is gereageerd en dat geen onderzoek is gedaan naar zijn belangen.

11.1.    De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten de belangen van [appellant sub 2] niet voldoende in hun afweging hebben betrokken. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt. Provinciale staten hebben in het kader van de vaststelling van het PIP een belangenafweging gemaakt. Daarbij hebben zij het belang van [appellant sub 2] om zijn bedrijfsvoering voort te kunnen zetten betrokken. Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat aan de gronden van [appellant sub 2] de bestemming "Agrarisch met waarden" is toegekend. Zij hebben de feitelijke situatie ter plaatse beoordeeld en met [appellant sub 2] gesproken. Hieruit is volgens hen niet gebleken dat het ter plaatse planologisch toegestane gebruik onmogelijk wordt gemaakt. Ook is het volgens provinciale staten niet onmogelijk om het perceel zo in te richten dat voldoende ruimte beschikbaar is voor het manoeuvreren. Voor zover als gevolg van het PIP kosten moeten worden gemaakt voor de herinrichting van het gebouw of de verharding, komen die volgens provinciale staten aan de orde in het kader van de grondverwerving of onteigening. Gelet op het vorenstaande heeft [appellant sub 2] onvoldoende gemotiveerd dat het planologisch toegestane gebruik als gevolg van het PIP onmogelijk wordt gemaakt. Gelet hierop heeft hij ook onvoldoende gemotiveerd dat zijn bedrijfsvoering zodanig wordt gefrustreerd dat hij deze niet meer kan uitoefenen, nu provinciale staten ter zitting hebben toegelicht dat het perceel zo kan worden ingericht dat voldoende ruimte beschikbaar is voor het manoeuvreren.

    Het betoog faalt.

Wegverbreding en verkeersveiligheid

12.    [appellant sub 2] betoogt dat verbreding van de N241 niet noodzakelijk is uit het oogpunt van verkeersveiligheid. Hiertoe voert hij aan dat er al maatregelen zijn getroffen die hebben geleid tot een veilige verkeerssituatie. Gelet hierop is de stelling van provinciale staten dat de weg gevaarlijk is, niet juist. In dat verband wijst hij op de "ovonde Langereis" die is aangelegd.

    Daarnaast betoogt [appellant sub 2] dat de verbreding van de N241 niet zal leiden tot een verkeersveilige situatie, maar juist zal uitnodigen tot hardrijden. Uit verkeersstudies blijkt volgens hem dat de meest ernstige ongelukken die hebben plaatsgevonden zich juist voordeden in de periode dat het rustig was op de weg. Op die momenten was er dus voldoende ruimte op de weg, hadden verkeersgebruikers voldoende overzicht en was er geen sprake van risicovolle invoegmanoeuvres en remgedrag.

    Volgens [appellant sub 2] gaan provinciale staten in de "Nota zienswijzen Provinciaal Inpassingsplan Herinrichting N241 A.C. de Graafweg" (hierna: zienswijzennota) niet in op zijn zienswijze over de verkeersveiligheid.

12.1.    Provinciale staten hebben toegelicht dat uit de uitgevoerde "Ongevallenanalyse 2005-2012" blijkt dat de verkeersveiligheid van de N241 moet worden verbeterd. De cijfers van ongevallen die na 2012 hebben plaatsgevonden, geven geen aanleiding voor andere conclusies. Daarnaast is de verkeersveiligheid van de N241 aangemerkt als "slecht" in het "Provinciaal Meerjarenprogramma Infrastructuur 2017-2021" dat provinciale staten hebben vastgesteld. Gelet hierop moet de verkeersveiligheid van de N241 volgens provinciale staten worden verbeterd. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten onder verwijzing naar deze stukken zich niet op dit standpunt hebben mogen stellen.

    Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat verbreding van de N241 niet noodzakelijk is omdat de ovonde Langereis is aangelegd, overweegt de Afdeling dat provinciale staten hebben toegelicht dat deze ovonde weliswaar is aangelegd ter verbetering van de verkeersveiligheid, maar dat deze maatregel onvoldoende is voor de gewenste verbetering van de veiligheid van het gehele traject. Daarvoor is volgens hen een herinrichting van de gehele N241 noodzakelijk. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat met de enkele aanleg van de ovonde Langereis sprake zal zijn van een verkeersveilige situatie op de N241.

    Wat betreft de stelling van [appellant sub 2] dat als gevolg van verbreding van de N241 sprake zal zijn van een verkeersonveilige situatie omdat te hard zal worden gereden, overweegt de Afdeling dat het tegengaan van te hard rijden een kwestie van handhaving van de verkeersregels is en dit in deze procedure niet aan de orde kan komen.

    Ten aanzien van de stelling van [appellant sub 2] dat uit verkeersstudies blijkt dat de meest ernstige ongelukken zich juist voordeden in de periode dat het rustig was op de weg, overweegt de Afdeling dat dit op zichzelf niet betekent dat geen noodzaak bestaat voor verbreding van de weg. Provinciale staten hebben toegelicht dat met verbreding van de N241 obstakelvrije zones worden toegepast, zodat de gevolgen minder ernstig zijn mocht een weggebruiker van de weg raken. Verder neemt de Afdeling in aanmerking dat verbreding van de weg niet alleen is ingegeven door het belang van de verkeersveiligheid, maar ook door de wens te komen tot een verbetering van de bereikbaarheid en doorstroming op de N241.

    Voor zover [appellant sub 2] aanvoert dat provinciale staten niet ingaan op zijn zienswijze, overweegt de Afdeling als volgt. Provinciale staten hebben de zienswijze van [appellant sub 2] in de zienswijzennota opgenomen en deze zienswijze van een inhoudelijke reactie voorzien. Artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) verzet zich er niet tegen dat provinciale staten de zienswijzen samengevat weergeven. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken.

    Gelet op het vorenstaande hebben provinciale staten zich op het standpunt mogen stellen dat het belang van de verkeersveiligheid en een vlotte doorstroming van het verkeer met de vaststelling van het plan is gediend.

    Het betoog faalt.

"Eisen van de tijd"

13.    [appellant sub 2] betwist dat de N241 niet aan de "eisen van de tijd" zou voldoen. Volgens hem heeft het document "Eisen en Richtlijnen Bouw- en Infraprojecten" (hierna: ERBI) alleen betrekking op de aanleg van nieuwe wegen. Dat het breedteprofiel van nieuwe wegen tegenwoordig groter is en niet alle bestaande wegen in Noord-Holland beschikken over de afmetingen die in de ERBI worden gebruikt voor nieuwe wegen maakt volgens [appellant sub 2] niet dat de bestaande wegen daarom onbruikbaar zouden zijn of dat alle wegen vernieuwd of verbreed zouden moeten worden.

13.1.    Provinciale staten hebben toegelicht dat de ERBI ook van toepassing zijn bij groot onderhoud van en andere maatregelen aan bestaande wegen, aangezien het ook hier infrastructurele projecten betreft. De Afdeling ziet geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Daartoe acht de Afdeling van belang dat volgens de ERBI de eisen en richtlijnen geldig zijn voor alle te realiseren, te reconstrueren en te onderhouden objecten. [appellant sub 2] heeft niet gemotiveerd waarom de ERBI toch alleen voor nieuwe wegen zou gelden. Provinciale staten hebben verder toegelicht dat de N241 moet voldoen aan de ontwerpcriteria van CROW die gebaseerd zijn op de richtlijnen van Duurzaam Veilig en de eisen uit de ERBI, die grotendeels zijn gebaseerd op de CROW-richtlijnen. Deze eisen vloeien volgens provinciale staten voort uit veiligheidsoverwegingen. De Afdeling begrijpt het standpunt van provinciale staten zo dat verbreding van de N241 mede voortvloeit uit het streven naar verkeersveiligheid. Om te bepalen hoe breed de N241 moet zijn, hebben provinciale staten aansluiting gezocht bij de ontwerpcriteria van de CROW en de ERBI. De bestaande rijbaanbreedte van de N241 voor gebiedsontsluitingswegen van gemiddeld 6,10 m voldoet volgens provinciale staten niet aan de ERBI-criteria. Volgens de ERBI geldt voor gebiedsontsluitingswegen een minimale breedte van 6,50 m in geval van een maximumsnelheid van 80 km/u. In wat [appellant sub 2] aanvoert ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid hebben kunnen aansluiten bij de uitgangspunten van de ERBI.

    Het betoog faalt.     

Alternatieven

14.    [appellant sub 2] betoogt dat er alternatieve mogelijkheden zijn om de verkeersveiligheid te vergroten. In dat verband wijst hij op rotondes, drempels, flitspalen en wegbelijning. Volgens hem zijn deze ten onrechte niet als mogelijke alternatieven onderzocht.

14.1.    Bij de keuze van een bestemming dienen provinciale staten een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij hebben provinciale staten beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

    Provinciale staten hebben toegelicht dat de verbreding van de N241 mede voortvloeit uit het streven naar verkeersveiligheid. Voor de breedte van de weg hebben provinciale staten aansluiting gezocht bij de ontwerpcriteria van de CROW en de ERBI, zoals hiervoor onder 13.1 overwogen. De maatregelen die door [appellant sub 2] zijn voorgesteld, kunnen volgens provinciale staten niet leiden tot een situatie die voldoet aan de daaraan gestelde eisen. Verder hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat het plaatsen van flitspalen niet tot hun bevoegdheid behoort. De overige alternatieven die [appellant sub 2] heeft genoemd, leiden volgens provinciale staten niet tot een verkeersveilige situatie gelet op de toegestane snelheid van 80 km/u op deze weg. Evenmin leiden deze alternatieven tot bevordering van de doorstroming. Provinciale staten hebben dus de door [appellant sub 2] aangedragen alternatieven bij hun afweging betrokken. Gelet op de gegeven toelichting hebben provinciale staten naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid niet hoeven kiezen voor de alternatieve mogelijkheden die [appellant sub 2] heeft voorgesteld.

    Het betoog faalt.

Relativiteitsvereiste

15.    [appellant sub 2] betoogt dat het plan in strijd met artikel 25 van de Provinciale ruimtelijke verordening (hierna: PRV) is vastgesteld, omdat de verbreding van de weg waarin het PIP voorziet, leidt tot een verstoring van het weidevogelleefgebied.

    Verder betoogt [appellant sub 2] dat als gevolg van het PIP het leefgebied van de in het plangebied aanwezige beschermde diersoorten wordt verstoord. Hiertoe voert hij aan dat geen rekening is gehouden met de beschermde diersoorten en ten onrechte niet is gekeken naar alternatieven.

    Ten slotte kan [appellant sub 2] zich niet verenigen met het plan vanwege de landschappelijke effecten op de omgeving. Volgens hem is ten onrechte geen onderzoek verricht naar de landschappelijke effecten, zodat onduidelijk is of het plan op een goede wijze landschappelijk kan worden ingepast. Gelet hierop hebben provinciale staten volgens [appellant sub 2] geen zorgvuldige afweging kunnen maken. 

15.1.    Ingevolge artikel 8:69a van de Awb vernietigt de bestuursrechter een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.

    Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) heeft de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis willen stellen dat er een verband moet bestaan tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van de appellant.

15.2.    Het belang waarin [appellant sub 2] bescherming zoekt is gelegen in zijn bedrijfseconomische belangen. Artikel 25 van de PRV strekt tot bescherming van de leefgebieden van weidevogels. Dit artikel strekt kennelijk niet tot bescherming van de bedrijfseconomische belangen van [appellant sub 2]. Voor zover hij ter zitting over het weidevogelleefgebied heeft gesteld dat hij het bedrijf als onderdeel van zijn leefomgeving beschouwt, overweegt de Afdeling dat de afstand van het perceel van [appellant sub 2] tot het dichtstbijzijnde weidevogelleefgebied ongeveer 2 km bedraagt, zodat geen sprake is van verwevenheid van zijn belang bij het behoud van een goede kwaliteit van zijn leefomgeving, waarvan het weidevogelleefgebied volgens hem deel uitmaakt, met het algemene belang dat artikel 25 van de PRV beoogt te beschermen.

    De bepalingen in de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) die [appellant sub 2] heeft ingeroepen over de bescherming van soorten strekken tot bescherming van diersoorten. De bedrijfsbelangen van [appellant sub 2] zijn gezien de aard van het bedrijf niet gemoeid met het belang van soortenbescherming, zodat de ingeroepen bepalingen uit de Wnb daarom kennelijk niet strekken tot bescherming van zijn belang.     

    Verder beroept [appellant sub 2] zich wat betreft de landschappelijke effecten op de omgeving op normen voor de bepaling van wat een goede ruimtelijke ordening vereist uit het oogpunt van een goed woon- en leefklimaat. Het belang waarin [appellant sub 2] bescherming zoekt is zijn bedrijfsbelang dat is gelegen in het onverkort kunnen voortzetten van zijn bedrijfsactiviteiten. Gelet hierop strekt de norm waarop [appellant sub 2] zich beroept kennelijk niet tot bescherming van zijn belang.

    Gelet op het vorenstaande kunnen de hiervoor genoemde betogen van [appellant sub 2] op grond van artikel 8:69a van de Awb niet leiden tot vernietiging van het PIP. De Afdeling zal deze betogen daarom niet inhoudelijk bespreken.

Financiële uitvoerbaarheid

16.    [appellant sub 2] bestrijdt de financiële uitvoerbaarheid van het PIP. Volgens hem hebben provinciale staten de kosten voor de verwerving van de gronden en de kosten voor het realiseren van het project onvoldoende inzichtelijk gemaakt. Het is volgens [appellant sub 2] niet duidelijk of het budget waarover provinciale staten beschikken voldoende is om deze kosten te kunnen betalen. In dat verband wijst [appellant sub 2] erop dat provinciale staten zich moeten houden aan de voorgeschreven budgetten en dat hier beperkingen aan zijn verbonden.

16.1.    In het kader van een beroep tegen een inpassingsplan kan een betoog dat ziet op de uitvoerbaarheid van dat plan, waaronder ook de financiële uitvoerbaarheid is begrepen, slechts leiden tot vernietiging van het bestreden besluit indien en voor zover het aangevoerde leidt tot de conclusie dat provinciale staten op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat het plan niet kan worden uitgevoerd.

    In hoofdstuk 6 van de plantoelichting is, zoals voorgeschreven in artikel 3.1.6, eerste lid, onder f, van het Besluit ruimtelijke ordening, inzicht geboden in de financiële uitvoerbaarheid van het inpassingsplan. Het plan wordt gerealiseerd door middel van door de provincie Noord-Holland vrijgehouden budget. In aanvulling daarop hebben provinciale staten toegelicht dat bij de raming van de kosten rekening is gehouden met de benodigde bedragen voor onder meer de verwerving van gronden en eventuele planschadeclaims. De Afdeling ziet geen aanleiding hieraan te twijfelen. De enkele stelling van [appellant sub 2] dat provinciale staten zich moeten houden aan de voorgeschreven budgetten en de hieraan verbonden beperkingen is daarvoor onvoldoende. Gelet op het vorenstaande biedt wat [appellant sub 2] heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat het plan niet financieel uitvoerbaar is.

    Het betoog faalt.

Conclusie

17.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 2] ongegrond.

18.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van De Goede Steen

Inleiding

19.    De Goede Steen is sinds 2015 eigenaar van het perceel aan de Breestraat 11 in Opmeer waarop in het verleden een museum was gerealiseerd. In het geldende bestemmingsplan "Herziening Hoogwoud, Opmeer en Spanbroek 2017" van 2 december 2017, is aan haar perceel de bestemming "Maatschappelijk - 2" toegekend. De Goede Steen is voornemens de gronden te ontwikkelen tot een woonlocatie. Zij kan zich niet verenigen met het PIP, omdat een deel van haar perceel nodig is voor de herinrichting van de N241 en de herinrichting volgens haar leidt tot een onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden ter plaatse.

Noodzaak

20.    De Goede Steen betoogt dat de herinrichting van de N241 niet nodig is om de verkeersveiligheid ter plaatse te verbeteren. In het bijzonder wijst zij op de verbreding van de berm en het fietspad. Provinciale staten kunnen volgens haar ook zonder de voorziene maatregelen een veilige herinrichting realiseren.

20.1.    In de plantoelichting is vermeld dat de herinrichting van de N241 noodzakelijk is vanwege (1) de verkeersveiligheid, (2) de bereikbaarheid en (3) de doorstroming. Ter verbetering van de verkeersveiligheid wordt het fietspad verbreed tot 3 m en wordt een obstakelvrije zone van 4,5 m gerealiseerd door het verbreden van de berm met 1,5 m. De Afdeling overweegt onder verwijzing naar overwegingen 12.1 en 13.1 dat provinciale staten zich op het standpunt hebben mogen stellen dat het belang van de verkeersveiligheid met de vaststelling van het plan is gediend en dat zij daarbij in redelijkheid hebben kunnen aansluiten bij de ontwerpcriteria van CROW en de uitgangspunten van de ERBI.

    Het betoog faalt.

Belangenafweging

21.    De Goede Steen betoogt dat het PIP steunt op een onevenredige belangenafweging en dat zij daardoor ernstig wordt benadeeld in de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van haar gronden. In de eerste plaats voert zij aan dat haar pand als gevolg van de herinrichting niet meer goed bereikbaar zal zijn, omdat niet om het pand heen gereden kan worden. Dit heeft onder meer tot gevolg dat het perceel onvoldoende bereikbaar is voor hulpdiensten. Volgens De Goede Steen heeft dit voorts tot gevolg dat de distributieweg aan de westzijde van het pand niet meer gebruikt kan worden en het gebruik van de airco-units aan de noordzijde van het pand wordt belemmerd. Daarnaast vreest De Goede Steen voor de bereikbaarheid van de naastgelegen sloot waardoor die niet meer kan worden gebaggerd. In de tweede plaats voert De Goede Steen aan dat het PIP leidt tot een verkleining van haar perceel waardoor zij wordt belemmerd. Verkleining van de oppervlakte van het perceel kan volgens haar onder meer een beperking van het aantal aan te leggen parkeerplaatsen meebrengen. Tot slot voert De Goede Steen aan dat provinciale staten de minnelijke onderhandelingen en een eventuele onteigeningsprocedure ten onrechte in de afweging hebben betrokken, terwijl dat kwesties zijn die buiten de onderhavige procedure vallen.

21.1.    Provinciale staten stellen dat bij de vaststelling van het PIP voldoende rekening is gehouden met de belangen van De Goede Steen. Daartoe hebben zij toegelicht dat het perceel van De Goede Steen voor ongeveer 942 m² nodig is voor de voorziene herinrichting en dat dit slechts 3% betreft van de totale oppervlakte van haar perceel. Voorts hebben zij in de afweging betrokken dat de bouw- en gebruiksmogelijkheden onder het geldende bestemmingsplan niet worden belemmerd en dat de daarin opgenomen wijzigingsbevoegdheid realiseerbaar blijft. Over de bereikbaarheid van het perceel stellen provinciale staten dat het pand al is ontsloten op de Breestraat en dat deze ontsluiting ook na de herinrichting bereikbaar blijft. Evenmin wordt de bereikbaarheid van de watergang of de mogelijkheid om deze te baggeren als gevolg van de herinrichting belemmerd, aldus provinciale staten. Volgens provinciale staten bestaat daarom geen grond om een zwaarder gewicht aan deze belangen toe te kennen. Verder stellen zij dat aan de westzijde van het perceel weliswaar een uitweg aanwezig is, maar dat deze weg niet is aan te merken als een distributieweg voor bevoorrading met vrachtwagens. Wat betreft de airco-units hebben provinciale staten toegelicht dat het PIP zodanig is aangepast dat met de aanwezigheid hiervan rekening is gehouden. Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de belangen van De Goede Steen voldoende rekening is gehouden. Voor zover provinciale staten wijzen op de onteigeningsprocedure voor eventuele schadeloosstelling en op de mogelijkheid een verzoek om tegemoetkoming in planschade in te dienen, hebben zij dat gedaan ter voorlichting van De Goede Steen.

    Het betoog faalt.

Watercompensatie en alternatieven

22.    De Goede Steen betoogt dat de aanwezige watergangen ter hoogte van haar perceel ten onrechte worden verschoven in zuidelijke richting. Verder voert zij aan dat de watercompensatie ook elders op het perceel kan worden voorzien, zodat de bereikbaarheid van haar pand niet wordt belemmerd. Daarnaast voert De Goede Steen aan dat er alternatieven zijn om haar pand aan de achterzijde bereikbaar te houden. In het bijzonder wijst zij op de mogelijkheid om ter plaatse een duiker te plaatsen en geeft zij daarbij aan dat - voor zover provinciale staten stellen dat deze mogelijkheid onwenselijk is vanwege eventueel sluipverkeer - zij bereid is om maatregelen te treffen om verkeer van derden over haar perceel te voorkomen.

22.1.    Ten behoeve van het PIP is op 15 november 2018 een watertoets verricht. De resultaten zijn neergelegd in het rapport "Watertoets herinrichting N241 A.C. de Graafweg; Onderzoek ten behoeve van Provinciaal Inpassingsplan" van Sweco (hierna: de watertoets). Voor de herinrichting moeten, zo vermeldt de plantoelichting, watergangen worden gedempt en nieuwe watergangen worden gegraven. In de watertoets is daarover vermeld dat ten behoeve van het plan 12.250 m² wateroppervlak wordt gegraven en dat voor de toename aan verhard oppervlak 3.391 m² watercompensatie wordt gerealiseerd. Over de watergangen op het perceel van De Goede Steen is toegelicht dat deze als gevolg van de herinrichting van de N241 weliswaar verschuiven in zuidelijke richting, maar dat bij de verplaatsing rekening is gehouden met de eisen en uitgangspunten die door het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (hierna: het HHNK) worden gesteld. Volgens provinciale staten moet watercompensatie bij voorkeur in hetzelfde peilgebied worden gerealiseerd, zodat het in dit geval niet wenselijk is om de compensatie elders te voorzien. Gelet op de gegeven toelichting hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met het aspect water voldoende rekening is gehouden. Hierbij acht de Afdeling van belang dat het plan in artikel 5, lid 5.1, van de planregels de aanleg van watervoorzieningen toelaat. Voorts neemt de Afdeling in aanmerking dat het PIP is voorgelegd aan het HHNK.

    Het betoog faalt. 

22.2.    In wat De Goede Steen voor het overige aanvoert, bestaat geen grond voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid voor de in het PIP voorziene maatregel hebben kunnen kiezen. Zoals hiervoor onder 21.1 is vermeld, is het pand al ontsloten op de Breestraat en blijft deze ontsluiting ook na de herinrichting bereikbaar.

    Het betoog faalt.

Conclusie

23.    Het beroep van De Goede Steen is ongegrond.

24.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 4]

Inleiding

25.    [appellant sub 4] heeft gronden in eigendom die grenzen aan het plangebied. Aan een deel van zijn perceel is de bestemming "Verkeer - 1" toegekend.  

Globaliteit bestemming   

26.    [appellant sub 4] betoogt dat het PIP wat betreft de bestemming "Verkeer - 1" te globaal is, omdat de door hem gewenste herinrichting van het gebied daarin niet is gewaarborgd. Hij wenst eerst een sloot aan het einde van zijn perceel in plaats van een bomenrij. Ter zitting heeft hij nader toegelicht dat de bestemming ter plaatse van zijn perceel ten onrechte verschillende invullingen mogelijk maakt.

26.1.    Provinciale staten stellen dat de inrichting van het gebied wordt uitgevoerd zoals [appellant sub 4] heeft voorgesteld. Daartoe stellen zij dat de beheerder van de leiding, PWN, inmiddels op 14 mei 2019 toestemming heeft verleend om op de door [appellant sub 4] gewenste locatie bomen te planten en dat het HHNK op 16 mei 2019 toestemming heeft verleend om de watergang te verplaatsen. Volgens provinciale staten heeft [appellant sub 4] daarom geen procesbelang meer in deze procedure.

26.2.    Voor zover provinciale staten de ontvankelijkheid van het beroep betwisten, overweegt de Afdeling dat de genoemde omstandigheid niet met zich brengt dat [appellant sub 4] geen belang meer heeft bij een beoordeling van het bestreden besluit. Het PIP leent zich voor herhaalde toepassing en de gekozen inrichting is niet in het plan vastgelegd, zodat het PIP ook een andere invulling van de gronden mogelijk maakt dan [appellant sub 4] wenst.

26.3.    Het behoort tot de beleidsruimte van provinciale staten om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen. Provinciale staten hebben toegelicht dat een deel van de gronden van [appellant sub 4] nodig is ter realisatie van een watergang en een bomenrij en dat aan die gronden de bestemming "Verkeer - 1" is toegekend. De watergang en bomenrij zijn in de planregels behorend bij de bestemming "Verkeer - 1" als zodanig bestemd, nu deze mede voorzien in groen- en watervoorzieningen. Volgens provinciale staten is flexibiliteit gewenst bij de inrichting van het plangebied en is de door [appellant sub 4] gewenste invulling van het gebied binnen deze bestemming mogelijk. Ter zitting is nader toegelicht dat het ten tijde van de vaststelling van het PIP niet duidelijk was of de door [appellant sub 4] gewenste invulling uitvoerbaar was en dat dit inmiddels wel het geval is. Verder hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat hun voorkeur ernaar uitgaat om de gronden ter hoogte van het perceel van [appellant sub 4] zo in te richten als hij wenst, omdat die inrichting vanuit financieel oogpunt geschikter is. Ter zitting is komen vast te staan dat in zoverre overeenstemming bestaat tussen [appellant sub 4] en provinciale staten over de wijze van invulling van de bestemming "Verkeer - 1" ter hoogte van het perceel van [appellant sub 4]. Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten het PIP in zoverre niet in redelijkheid hebben kunnen vaststellen.

    Het betoog faalt.

Overige beroepsgronden

27.    [appellant sub 4] heeft na afloop van de beroepstermijn het nadere stuk van 12 februari 2020 ingediend. In het nadere stuk heeft [appellant sub 4] zijn beroep aangevuld met nieuwe beroepsgronden. Uit artikel 1.6a van de Chw volgt dat na de beroepstermijn geen nieuwe gronden meer kunnen worden aangevoerd. Gelet hierop laat de Afdeling de ingebrachte beroepsgronden buiten inhoudelijke bespreking. Voor zover [appellant sub 4] ter zitting heeft beoogd te stellen dat hij deze beroepsgronden heeft aangevoerd in zijn zienswijze, overweegt de Afdeling dat [appellant sub 4] in zijn beroepschrift niet naar die zienswijze heeft verwezen ter onderbouwing van zijn beroep.

Conclusie

28.    Het beroep van [appellant sub 4] is ongegrond.

29.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 5]

Inleiding

30.    [appellant sub 5] woont aan de [locatie 3] in [woonplaats]. Hij exploiteert op het perceel ook een melkveebedrijf. Aan een gedeelte van zijn perceel is de bestemming "Verkeer - 1" toegekend voor de herinrichting van de N241.

Crisis- en herstelwet (hierna: Chw)

31.    [appellant sub 5] betoogt dat provinciale staten ten onrechte de Chw van toepassing hebben verklaard op het PIP. Volgens hem is nu geen sprake van een economische crisis. Verder wijst hij erop dat door het toepassen van de Chw de burger wordt verhinderd zijn bezwaren naar voren te brengen over het watergebiedsplan en het landschappelijk inpassingsplan, welke plannen niet bij het PIP zijn gevoegd.

31.1.    Ingevolge artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op alle besluiten die krachtens enig wettelijk voorschrift zijn vereist voor de ontwikkeling of verwezenlijking van de in bijlage I bij deze wet bedoelde categorieën ruimtelijke en infrastructurele projecten dan wel voor de in bijlage II bij deze wet bedoelde ruimtelijke en infrastructurele projecten.

    Bijlage I, onderdeel 2, onder 2.1, vermeldt de ontwikkeling en verwezenlijking van werken en gebieden krachtens afdeling 3.5 van de Wro, wat de bevoegdheid tot het vaststellen van een provinciaal inpassingsplan omvat.

    Ingevolge artikel 1.6a van de Chw kunnen na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd.

31.2.    Er is sprake van een inpassingsplan als bedoeld in Bijlage I, onderdeel 2, onder 2.1. Gelet hierop is afdeling 2 van hoofdstuk 1 van de Chw van toepassing op het plan.

    Anders dan [appellant sub 5] mogelijk veronderstelt is de toepassing van de Chw geen door provinciale staten gemaakte keuze. De toepasselijkheid van de Chw vloeit van rechtswege voort uit artikel 1.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Chw en de aard van het bestreden besluit. In wat [appellant sub 5] heeft aangevoerd bestaat evenmin aanleiding voor het oordeel dat de Chw in dit geval buiten toepassing had moeten blijven.

    Voor zover [appellant sub 5] aanvoert dat de Chw een uitvloeisel was van de economische crisis, overweegt de Afdeling dat de Chw bij wet van 28 maart 2013 tot wijziging van de Crisis- en herstelwet en diverse andere wetten in verband met het permanent maken van de Crisis- en herstelwet en het aanbrengen van enkele verbeteringen op het terrein van het omgevingsrecht, permanent is gemaakt. Dit betekent dat de Chw nog steeds geldt, ook nu de economische crisis die aanleiding heeft gevormd voor de wet voorbij is.

    Weliswaar kunnen ingevolge artikel 1.6a van de Chw na afloop van de termijn voor het instellen van beroep geen beroepsgronden meer worden aangevoerd, maar dat laat onverlet dat [appellant sub 5] bij het indienen van zijn beroep wel beroepsgronden over het ontbreken van een watergebiedsplan en een landschappelijk inpassingsplan kon aanvoeren.

    Het betoog faalt.

Nieuwe hoofdwaterloop

32.    [appellant sub 5] betoogt dat ten onrechte wordt voorzien in een nieuwe hoofdwaterloop. Hiertoe voert hij aan dat volgens het rapport "Watertoets herinrichting N241 A.C. de Graafweg; Onderzoek ten behoeven van Provinciaal Inpassingsplan" van 15 november 2018 (hierna: watertoets) dat Sweco heeft opgesteld een nieuwe hoofdwaterloop niet noodzakelijk is. Het voornemen van een nieuwe hoofdwaterloop heeft ook niet als zodanig ter inzage gelegen. [appellant sub 5] wijst erop dat er tot nu toe drie biedingen zijn uitgebracht. Deze biedingen zien alleen op de kale grond onder de A.C. de Graafweg met enige extra grond voor de aanleg van een hoofdwaterloop. Geen van alle biedingen komt overeen met de in het PIP betrokken gronden. Volgens [appellant sub 5] ontstaat onzekerheid omdat de biedingen worden gecombineerd met een nieuwe waterloop die niet is opgenomen in de stukken die ter inzage hebben gelegen.

32.1.    Op de verbeelding is aan het perceel van [appellant sub 5] gedeeltelijk de bestemming "Verkeer - 1" toegekend. Ingevolge artikel 5, lid 5.1, aanhef en onder f, van de planregels zijn de voor "Verkeer - 1" aangewezen gronden bestemd voor waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen.

    Provinciale staten hebben toegelicht dat binnen de bestemming "Verkeer - 1" in een aantal watergangen is voorzien. Een van de watergangen die op deze locatie zijn voorzien, is een reguliere watergang met verhoogde waterbergingscapaciteit. Deze watergang heeft een breedte gelijk aan die van een primaire watergang. Die breedte is nodig om te zorgen voor voldoende waterberging. In het inpassingsplan is er niet in voorzien om deze watergang, voor zover deze verbreed wordt uitgevoerd, te laten functioneren als een primaire watergang. Het betoog van [appellant sub 5] dat wordt voorzien in een nieuwe hoofdwaterloop, mist gelet op het vorenstaande feitelijke grondslag.

    Het betoog faalt.

Beheer en onderhoud watergang

33.    [appellant sub 5] betoogt dat het beheer en het onderhoud voor de helft van de nieuw aan te leggen watergang langs de N241 ten onrechte voor zijn rekening komen, terwijl HHNK eigenaar wordt van dat deel van het water langs de weg.

33.1.    Provinciale staten hebben toegelicht dat het op en rond het perceel van [appellant sub 5] om meerdere watergangen gaat, zowel bestaande als geprojecteerde watergangen. Smalle watergangen worden beheerd vanaf de kant. Voor de smalle watergangen gaat de eigendom en daarmee ook het beheer en het onderhoud tot de helft van de sloot over naar de aanliggende eigenaren. De primaire watergangen en de watergang die breder wordt in verband met de waterberging zullen worden beheerd door het HHNK. Gelet op het vorenstaande mist het betoog van [appellant sub 5] dat het beheer en onderhoud van de nieuw aan te leggen watergang langs de N241 voor de helft voor zijn rekening komt, feitelijke grondslag.

    Het betoog faalt.

Watergebiedsplan en landschappelijk inpassingsplan

34.    [appellant sub 5] betoogt dat ten onrechte geen watergebiedsplan en een landschappelijk inpassingsplan zijn vastgesteld. In dat verband wijst hij erop dat beide plannen van belang zijn om de schade als gevolg van het PIP te kunnen vaststellen. Volgens [appellant sub 5] is de schade en daarmee het schadeloosstellingsbedrag nu niet vast te stellen, omdat onduidelijk is wat het waterpeil van de gronden ten zuiden van de achtersteek wordt. Vanwege het ontbreken van een watergebiedsplan is het volgens hem moeilijk om mee te doen met vrijwillige kavelruil, omdat de financiële middelen onbekend zijn.

34.1.    De Afdeling begrijpt het betoog zo dat [appellant sub 5] met het opnemen van een watergebiedsplan en een landschappelijk inpassingsplan inzicht beoogt te krijgen in de hoogte van de schade die zal optreden als gevolg van de wijzigingen in de grondwaterstanden. De beoordeling van de hoogte van de schade vindt echter niet in de procedure over de ruimtelijke gevolgen van het PIP plaats, maar in het kader van de procedure over de schadeloosstelling.

    Het betoog faalt.

Eerdere grondlevering

35.    [appellant sub 5] betoogt dat hij eerder in 2007 grond heeft geleverd aan de provincie, maar dat de financiële afwikkeling tot op heden nog niet heeft plaatsgevonden. Hij wenst de eerdere grondlevering af te wikkelen voordat wordt overgegaan tot het sluiten van een nieuwe overeenkomst. Gelet hierop heeft [appellant sub 5] geen vertrouwen in een goede afwikkeling van een mogelijke onteigening ten behoeve van het PIP.

35.1.    De bedoelde financiële afwikkeling ziet op een eerdere grondlevering en heeft geen betrekking op het inpassingsplan. Wat [appellant sub 5] hierover aanvoert kan daarom in deze procedure niet aan de orde komen. Voor zover [appellant sub 5] vreest dat in een te lage schadeloosstelling zal worden voorzien, overweegt de Afdeling dat ook de beoordeling van de hoogte van de schadevergoeding niet in de procedure over de ruimtelijke gevolgen van het PIP plaatsvindt, maar in de eventuele procedure over de schadeloosstelling. Wel dienen de belangen van [appellant sub 5] in de afweging te worden betrokken. Tussen het provinciebestuur en [appellant sub 5] heeft overleg plaatsgevonden over de grondverwerving. Dat dit overleg vooralsnog niet tot overeenstemming heeft geleid, betekent niet dat provinciale staten in hun besluit omtrent vaststelling van het PIP aan de belangen van [appellant sub 5] in zoverre onvoldoende gewicht hebben toegekend.

    Het betoog faalt.

Conclusie

36.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 5] ongegrond.

37.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellanten sub 6]

Inleiding

38.    [appellanten sub 6] wonen aan de [locatie 4] in [woonplaats]. Zij vrezen voor aantasting van hun woon- en leefklimaat door vermindering van hun uitzicht. Voorts kunnen zij zich niet verenigen met de wijze waarop de landschappelijke inpassing is geregeld.

Ontvankelijkheid

39.    Provinciale staten stellen dat het beroep van [appellanten sub 6] niet-ontvankelijk is, omdat zij op een afstand van ongeveer 500 m van het plangebied wonen. Volgens provinciale staten ondervinden zij, gelet op deze afstand, ter plaatse van hun woning geen rechtstreekse feitelijke gevolgen van het PIP.

39.1.    Ingevolge artikel 8:1, in samenhang gelezen met artikel 8:6 en artikel 2 van bijlage 2, van de Awb kan door een belanghebbende bij de Afdeling beroep worden ingesteld tegen een besluit omtrent vaststelling van een plan. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken. Voor de beantwoording van de vraag of appellanten belanghebbende zijn, is bepalend of zij rechtstreekse feitelijke gevolgen kunnen ondervinden van het plan.

39.2.    [appellanten sub 6] wonen op een afstand van ongeveer 500 m van het plangebied en de afstand tot de S-bocht - het bestreden plandeel - is ongeveer 600 m. Ter zitting hebben zij toegelicht dat het uitzicht al wordt beperkt door de aanwezige bebouwing en dat zij daarom niet zozeer vrezen voor een belemmering van het uitzicht, maar voor het aantasten van de kwaliteit van hun uitzicht. [appellanten sub 6] hebben weliswaar zicht op het plangebied, maar het enkel hebben van zicht is niet voldoende voor het oordeel dat een belang rechtstreeks bij de vaststelling van het plan is betrokken. Voor dat oordeel is vereist dat de voorziene activiteit een zodanige ruimtelijke uitstraling heeft dat deze van invloed is op het woon- en leefklimaat van de betrokkene. Gelet op het beperkte zicht en de aard en omvang van de voorziene herinrichting acht de Afdeling rechtstreekse feitelijke gevolgen van enige betekenis als gevolg van het PIP ter plaatse van de woning van [appellanten sub 6] niet aannemelijk. [appellanten sub 6] zijn daarom geen belanghebbenden bij het bestreden besluit en kunnen daartegen geen beroep instellen. Dit betekent dat het beroep van [appellanten sub 6] niet-ontvankelijk is.

Conclusie

40.    Het beroep van [appellanten sub 6] is niet-ontvankelijk.

41.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellanten sub 7] 

Inleiding

42.    [appellanten sub 7] zijn eigenaar van het perceel aan de [locatie 5] in [woonplaats] en exploiteren ter plaatse een stoeterij. Ook wordt het perceel gebruikt als zorgboerderij. Op het perceel zijn twee bedrijfsgebouwen en een bedrijfswoning aanwezig. [appellanten sub 7] kunnen zich niet met het PIP verenigen, omdat een deel van hun perceel nodig is voor de herinrichting van de N241.

Belangenafweging

43.    [appellanten sub 7] betogen dat aan het bestreden besluit een onevenredige belangenafweging ten grondslag ligt en dat zij ernstig worden benadeeld in hun bedrijfsvoering, omdat aan een deel van hun perceel de bestemming "Verkeer - 1" is toegekend. Het gaat om het gedeelte van het perceel waar nu het mestbassin en de toegangsweg aanwezig zijn. Zij voeren daartoe aan dat de ingang van het meest noordelijk gesitueerde bedrijfsgebouw niet meer bereikbaar is. Verder vrezen zij dat de herinrichting gevolgen heeft voor de functie van hun perceel als zorgboerderij, omdat voor de klanten van de zorgboerderij rust van groot belang is. Daarnaast voeren [appellanten sub 7], onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 29 december 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO9217, aan dat provinciale staten ten onrechte niet hebben beoordeeld of de bestemming van de gronden die buiten het plangebied liggen redelijkerwijs kan worden gehandhaafd. Ook hebben provinciale staten ten onrechte niet beoordeeld of een alternatieve herinrichting van hun perceel mogelijk is, aldus [appellanten sub 7]. Daartoe voeren zij aan dat het noodzakelijk is om hun toegangsweg te verplaatsen en dat financiële compensatie in dat kader onvoldoende is verzekerd.

43.1.    Provinciale staten stellen dat voldoende inzicht is gegeven in de effecten van het PIP voor de omgeving en dat met de belangen van [appellanten sub 7] voldoende rekening is gehouden. Daartoe hebben zij onder meer toegelicht dat bij de herinrichting ter plaatse van het perceel van [appellanten sub 7] een damwand wordt toegepast in plaats van een talud. Hiermee is het planologisch benodigde ruimtebeslag beperkt, wordt de bedrijfsvoering niet beperkt, blijft de ingang van het meest noordelijke bedrijfsgebouw bereikbaar en is de huidige bestemming ter plaatse ruimtelijk aanvaardbaar, aldus provinciale staten. Verder stellen zij dat geen sprake is van uitbreidingsplannen van het bedrijf die ten tijde van de vaststelling van het PIP ten onrechte niet zijn betrokken in de afweging. Volgens provinciale staten is het perceel waar nu het mestbassin aanwezig is weliswaar noodzakelijk voor de herinrichting van de N241, maar kunnen in de onteigeningsprocedure afspraken worden gemaakt over de wijze waarop dit gecompenseerd wordt. Voor zover [appellanten sub 7] stellen schade te lijden ten gevolge van het PIP, hebben provinciale staten gewezen op de mogelijkheid een verzoek om vergoeding van planschade in te dienen. Gelet op het voorgaande hebben provinciale staten zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat met de belangen van [appellanten sub 7] voldoende rekening is gehouden. De Afdeling ziet in de genoemde uitspraak geen aanleiding om tot een andere conclusie te komen, omdat in die uitspraak de vraag voorlag of gevoelige bestemmingen binnen een magneetveldzone redelijkerwijs ter plaatse gehandhaafd konden worden en die situatie zich hier niet voordoet.

    Het betoog faalt.      

Trillinghinder

44.    [appellanten sub 7] vrezen voor onaanvaardbare trillinghinder ter plaatse van hun perceel door de aanleg van een werkweg. In dat kader voeren zij aan dat provinciale staten ten onrechte geen onderzoek hebben verricht naar de draagkracht van de fundering van hun bedrijfswoning. Daarom is volgens hen niet duidelijk of de bedrijfswoning de druk kan verwerken die wordt uitgeoefend tijdens de herinrichting van de N241.

44.1.    De Afdeling overweegt dat trillinghinder als gevolg van de aanlegwerkzaamheden een uitvoeringsaspect betreft. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure niet aan de orde komen. Deze beroepsgrond moet daarom buiten beschouwing blijven.

Conclusie

45.    Het beroep van [appellanten sub 7] is ongegrond.

46.     Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 8] en anderen

Inleiding

47.    [appellant sub 8] en anderen zijn eigenaar van het perceel aan de [locatie 6] in [woonplaats]. Aan het perceel is gedeeltelijk de bestemming "Verkeer - 1" toegekend ten behoeve van de verbreding van de weg. Hierdoor kunnen de huidige opstallen op het perceel niet behouden worden.

Schadeloosstelling

48.    [appellant sub 8] en anderen vrezen dat zij met de doorvoering van het PIP in tijdnood komen te zitten. In dat verband wijzen zij erop dat zij een gelijkwaardige vervangende locatie moeten vinden. De snelheid hiervan hangt mede af van de beschikbaarheid van het schadeloosstellingsbedrag. Volgens [appellant sub 8] en anderen zijn de uitgebrachte biedingen op hun gronden te laag om een gelijkwaardige vervangende locatie te kunnen kopen.

48.1.    De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant sub 8] en anderen zo dat zij vrezen dat in een te lage schadeloosstelling zal worden voorzien als gevolg waarvan zij niet tijdig een gelijkwaardige vervangende locatie kunnen vinden. Vaststaat dat [appellant sub 8] en anderen tegen het PIP als zodanig geen inhoudelijke beroepsgronden hebben aangevoerd. De bepaling van de hoogte van de schadeloosstelling en de daadwerkelijke uitbetaling daarvan staan in deze procedure niet ter beoordeling. Hiervoor bestaan andere procedures met eigen rechtsbeschermingsmogelijkheden. Wel dienen de belangen van [appellant sub 8] en anderen in de afweging te worden betrokken. Ter zitting hebben provinciale staten toegelicht dat overleg wordt gevoerd met [appellant sub 8] en anderen over een vervangende locatie. Dat dit overleg vooralsnog niet tot overeenstemming heeft geleid, betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat provinciale staten aan de belangen van [appellant sub 8] en anderen in zoverre onvoldoende gewicht hebben toegekend. In de omstandigheid dat voor de vaststelling van het plan nog geen overeenstemming is bereikt over de minnelijke aankoop van hun gronden, hebben provinciale staten in redelijkheid geen aanleiding hoeven zien om het plan niet vast te stellen.

    Het betoog faalt.

Conclusie

49.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 8] en anderen ongegrond.

50.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellanten sub 9]  

Inleiding

51.    [appellanten sub 9] wonen aan de [locatie 7] in [woonplaats] en zijn eigenaar van dit perceel.

Gebruikte tekeningen

52.    [appellanten sub 9] betogen dat de tekeningen die provinciale staten hebben gebruikt voor de reconstructie en verwerving voor de herinrichting afwijken van de werkelijke situatie op hun perceel. In dat verband wijzen zij op de ligging van de opstallen en de verbindingen tussen de sloten. Volgens hen lijken de hoogte van de weg en de hoogte van hun perceel, en het daarbij behorende hoogteverschil, niet correct te zijn meegenomen in de gebruikte tekeningen die nu voorliggen. Met name het talud naar het erf lijkt in de tekeningen die provinciale staten nu gebruiken onnodig breed.

52.1.    Provinciale staten hebben toegelicht dat het referentie-ontwerp als basis heeft gediend voor het ontwerpplan. Voor het opstellen van het referentie-ontwerp is gebruikgemaakt van de gegevens uit het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN). Hieruit zijn de hoogtegegevens overgenomen en is het bestaande maaiveld op ongeveer -1,5 m NAP berekend. Vervolgens zijn delen van het perceel ingemeten om de gegevens te verifiëren. Hieruit is gebleken dat de hoogte van het maaiveld nagenoeg overeen kwam met het AHN. Bij de inmeting zijn ook aspecten van de terreininrichting meegenomen. Deze elementen zijn en worden volgens provinciale staten toegepast bij de nadere uitwerking van het ontwerp van de herinrichting. [appellanten sub 9] hebben het vorenstaande niet gemotiveerd bestreden. De Afdeling ziet in wat zij naar voren brengen geen concrete aanknopingspunten die aanleiding geven om aan de juistheid van de toelichting van provinciale staten te twijfelen. Gelet op het vorenstaande bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten zich bij de vaststelling van het PIP niet op de gegevens uit het AHN hebben mogen baseren.

    Het betoog faalt.

Inrit

53.    [appellanten sub 9] kunnen zich niet verenigen met de situering van de inrit. Volgens hen kunnen auto’s met een paardentrailer en grote voertuigen de inrit door de situering daarvan niet op een verantwoorde wijze gebruiken.

53.1.    Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat de inrit op een verantwoorde wijze kan worden gebruikt. Zij hebben toegelicht dat de wegas conform de zienswijze verder van de bestaande gevel van [appellanten sub 9] is gelegd. Volgens provinciale staten bleek na overleg met HHNK de eerder voorziene inrichting op basis van de nieuwe inrichtingseisen van HHNK niet noodzakelijk, omdat de watergang op het perceel uitsluitend als afwateringssloot fungeert. Hierdoor is het benodigde ruimtebeslag verkleind ten opzichte van het ontwerpplan. Door goede inmeting en technische aanpassing van het ontwerp kan de mestopslag behouden blijven. Daarnaast kan aankoop en sloop van het pand worden voorkomen. Per abuis is deze aanpassing in de nota van zienswijzen niet verwerkt, maar het PIP is op dit punt ten opzichte van het ontwerpplan gewijzigd vastgesteld. Provinciale staten hebben desgevraagd ter zitting bevestigd dat de huidige situering van de inrit met de vaststelling van het PIP planologisch niet is gewijzigd. Verder hebben provinciale staten ter zitting toegelicht dat over de feitelijke uitvoering overleg wordt gevoerd met [appellanten sub 9]. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten het PIP niet hebben mogen vaststellen zoals zij dat hebben gedaan.

    Het betoog faalt.

Conclusie

54.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellanten sub 9] ongegrond.

55.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellante sub 10] en anderen

Inleiding

56.    [appellante sub 10] en anderen zijn eigenaren van de percelen aan de [locatie 8] en [locatie 9] in [woonplaats] en hebben drie uitwegen op de N241. Op het perceel zijn twee woningen, bedrijfsgebouwen en percelen landbouwgrond aanwezig. Zij kunnen zich niet met het PIP verenigen, omdat de verkeersveiligheid ter plaatse volgens hen onvoldoende is gewaarborgd met de gekozen herinrichting van de N241.

Alternatieven

57.    [appellante sub 10] en anderen betogen dat provinciale staten de door hen genoemde alternatieven niet dan wel onvoldoende in de afweging hebben betrokken. Volgens hen is herinrichting uit het oogpunt van verkeersveiligheid weliswaar noodzakelijk, maar leidt de gemaakte keuze in het PIP niet tot een verbetering van de verkeersveiligheid ter plaatse. In de eerste plaats stellen zij voor om ter hoogte van de A.C. de Graafweg een parallelweg te realiseren, zodat het autoverkeer gescheiden wordt van het fiets- en landbouwverkeer. In het bijzonder moet vanaf de Schapenweg tot aan de inrit van hun percelen een parallelweg van 5 m worden aangelegd voor het inkomende en het uitgaande verkeer, aldus [appellante sub 10] en anderen. Volgens hen moet deze parallelweg bovendien een verbreed fietspad zijn waarop het landbouw- en bestemmingsverkeer te gast is. In de tweede plaats stellen [appellante sub 10] en anderen voor om een aantal aanpassingen ter hoogte van hun percelen uit te voeren. Er moet een opstelstrook worden gerealiseerd voor afslaand verkeer vanaf Opmeer richting het Verlaat. Ook moet in dezelfde richting een uitvoegstrook worden aangelegd, zodat het fietspad ter plaatse veilig kan worden gekruist. Daarnaast moet een brede inrit worden gerealiseerd voor het bouwverkeer. In de derde plaats stellen zij voor om ter hoogte van hun percelen een fietsstraat aan te leggen waarop het landbouw- en autoverkeer beperkt is toegestaan. Tot slot voeren [appellante sub 10] en anderen aan dat voor de herinrichting van het oostelijke gedeelte van de N241 ten onrechte niet dezelfde uitgangspunten worden gehanteerd als bij het noordelijke gedeelte van de N241 tussen Schagen en Verlaat. Volgens hen stellen provinciale staten ten onrechte dat de voorgestelde alternatieven te duur zijn. Ter nadere onderbouwing hebben zij de notitie "Second opinion provinciaal inpassingsplan N241; A.C. de Graafweg, Heerhugowaard" van 6 december 2019 (hierna: de second opinion) overgelegd. Daarin zijn de verkeerskundige inrichting van de N24, specifiek het deel tussen Schapenweg en de Dijkweg, en de verkeersveiligheid van de aangedragen alternatieven beoordeeld.

57.1.    Provinciale staten hebben toegelicht dat de genoemde alternatieven in de afweging zijn betrokken, maar dat die minder geschikt zijn dan de gekozen herinrichting. Over het eerste alternatief stellen provinciale staten dat de aanleg van een parallelweg zo veel ruimte in beslag neemt dat dit uit financieel oogpunt niet haalbaar en wenselijk is. Wat betreft het tweede alternatief stellen zij dat de voorgestelde aanpassingen van de weg niet noodzakelijk zijn, omdat de hoeveelheid links afslaand verkeer beperkt is en de provincie als beleid heeft dat geen rechtsafstrook wordt aangelegd op kruispunten zonder verkeerslichten. Volgens provinciale staten zullen zo nodig aanvullende verkeersbesluiten worden genomen. Ten aanzien van het derde alternatief is toegelicht dat de aanleg van een fietsstraat niet nodig is, omdat de aansluiting van de Schapenweg op de A.C. de Graafweg wordt gesloten voor doorgaand verkeer en deze na de herinrichting alleen nog toegankelijk is als langzaamverkeersroute en voor bestemmingsverkeer. Volgens provinciale staten is tussen Schagen en Verlaat - het noordelijk deel van de N241 - wel een parallelweg aangelegd, maar is dat deel niet vergelijkbaar met de situatie op het oostelijke gedeelte, omdat het eerste weggedeelte met name wordt gebruikt door landbouwverkeer. Provinciale staten stellen verder dat uit de second opinion niet volgt dat de gekozen herinrichting verkeersonveilig is. Volgens hen vermindert op het gehele tracé van de N241 het aantal in- en uitritten met 16. Voor zover uit de second opinion volgt dat het aangedragen alternatief om een parallelweg te realiseren verkeersveiliger is, stellen provinciale staten dat de herinrichting die is voorzien in het PIP niet alleen vanuit verkeerskundig oogpunt is beoordeeld, maar dat het benodigde ruimtebeslag en de financiële belangen tevens in de afweging zijn betrokken. Gelet op deze toelichting door provinciale staten ziet de Afdeling in het door [appellante sub 10] en anderen aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid voor de in het PIP voorziene herinrichting hebben kunnen kiezen.

    Het betoog faalt.  

Uitvoerbaarheid

58.    [appellante sub 10] en anderen betwisten de uitvoerbaarheid van het PIP. Zij voeren aan dat er een evidente privaatrechtelijke belemmering bestaat, omdat de benodigde gronden voor de herinrichting van de N241 - waaronder hun gronden - niet in eigendom zijn van de provincie en nog geen overeenstemming is bereikt over de aankoop van deze gronden. Ook een eventuele verplaatsing van de leidingen is niet uitvoerbaar vanwege eigendomsverhoudingen, aldus [appellante sub 10] en anderen. Zij voeren voorts aan dat de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het PIP onzeker is.     

58.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in onder meer haar uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957, staat een privaatrechtelijke belemmering eerst aan de uitvoerbaarheid van een plan in de weg wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit. Provinciale staten hebben toegelicht dat de betrokken partijen in onderhandeling zijn over de aankoop van de gronden. Verder stellen zij terecht dat tot onteigening van de gronden kan worden overgegaan als de onderhandelingen niet tot het gewenste resultaat leiden. Er bestaat dus geen grond voor het oordeel dat het PIP evident niet uitvoerbaar is wegens een privaatrechtelijke belemmering.

    Het betoog faalt.

58.2.    Wat betreft de financiële uitvoerbaarheid overweegt de Afdeling onder verwijzing naar overweging 16.1 dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat provinciale staten op voorhand in redelijkheid hadden moeten inzien dat het PIP niet financieel uitvoerbaar is. De Afdeling begrijpt het betoog voor het overige zo dat er geen maatschappelijk draagvlak is voor de herinrichting en overweegt onder verwijzing naar haar uitspraak van 19 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3061, dat de enkele omstandigheid dat voor het plan geen maatschappelijk draagvlak bestaat, wat hier ook van zij, niet betekent dat het plan niet overeenstemt met een goede ruimtelijke ordening.

    De betogen falen.

Conclusie

59.    Het beroep van [appellante sub 10] en anderen is ongegrond.

60.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Het beroep van [appellant sub 11]

Inleiding

61.    [appellant sub 11] woont aan de [locatie 10] in Spanbroek en exploiteert een bedrijf voor de teelt van aardbeien. Aan het perceel is gedeeltelijk de bestemming "Verkeer - 1" toegekend ten behoeve van de herinrichting van de N241.

Bomenrij en watergang

62.    [appellant sub 11] kan zich niet verenigen met de bestemming "Verkeer - 1" die gedeeltelijk aan zijn perceel is toegekend. Hiertoe voert hij aan dat bezien vanaf zijn perceel, ten onrechte wordt voorzien in een bomenrij met daarachter een watergang. Om de bomen te onderhouden wordt ook voorzien in een verbindingsdam. [appellant sub 11] vreest als gevolg hiervan inbraak, diefstal en vandalisme op zijn aardbeienvelden, omdat er via die verbindingsdam toegang zou zijn tot zijn perceel. Volgens [appellant sub 11] is er ten onrechte niet voor gekozen om, bezien vanaf zijn perceel, eerst te voorzien in een watergang met daarachter een bomenrij. Verder heeft [appellant sub 11] ter zitting gesteld dat de huidige bomenrij behouden kan blijven en dat provinciale staten een deel van zijn gronden niet nodig hebben voor verbreding van de weg. [appellant sub 11] betoogt dat zijn perceel wordt ontsloten op een druk verkeersknooppunt van de N241 en dat dit verkeersknooppunt een aantal jaren geleden is vernieuwd, zodat het aan de richtlijnen van de CROW en de ERBI voldoet.

62.1.    Provinciale staten stellen zich op het standpunt dat [appellant sub 11] geen procesbelang heeft, omdat het gebied zal worden ingericht zoals [appellant sub 11] heeft voorgesteld.

62.2.    Op de verbeelding is ter hoogte van het perceel van [appellant sub 11] de bestemming "Verkeer - 1" toegekend.

    Artikel 5, lid 5.1, van de planregels luidt:

"De voor 'Verkeer - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. wegen en straten met dien verstande dat:

1. de weg uit niet meer dan twee rijstroken bestaat, waarbij opstelstroken en busstroken niet worden meegeteld;

2. het midden van de weg gelegen dient te zijn ter plaatse van de figuur 'as van de weg';

b. kunstwerken en straatmeubilair;

c. fiets- en voetpaden;

d. bermen, bermbeplanting, taluds en sloten;

e. groenvoorzieningen;

f. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;

g. nutsvoorzieningen;

h. geluidsbeperkende voorzieningen ten behoeve van geluidgevoelige objecten;"

    Ingevolge artikel 1, onder 1.26, van de planregels wordt onder kunstwerk verstaan: "een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voor civieltechnische en/of infrastructurele doeleinden, zoals een brug, een dam […]."

62.3.    De Afdeling stelt vast dat binnen de bestemming "Verkeer - 1" de gronden ter hoogte van het perceel van [appellant sub 11] zodanig ingericht kunnen worden dat, bezien vanaf zijn perceel, wordt voorzien in een bomenrij met daarachter een watergang. Het plan laat echter ook een watergang met daarachter een bomenrij toe. Gelet hierop overweegt de Afdeling dat de door provinciale staten genoemde omstandigheid geen aanleiding geeft voor het oordeel dat [appellant sub 11] niet langer belang heeft bij een uitspraak op zijn beroep tegen het plan. Het PIP leent zich voor herhaalde toepassing en de gekozen inrichting is niet in het plan vastgelegd, zodat het PIP ook een andere invulling van de gronden mogelijk maakt dan [appellant sub 11] wenst.

62.4.    De Afdeling stelt voorop dat het tot de beleidsruimte van provinciale staten behoort om de mate van gedetailleerdheid van een plan te bepalen.

    Provinciale staten hebben toegelicht dat het ten tijde van de vaststelling van het PIP niet duidelijk was of de door [appellant sub 11] gewenste invulling van het plan uitvoerbaar was, aangezien ter plaatse een hoofdwatertransportleiding ligt als gevolg waarvan boven of binnen 10 m afstand hiervan het aanplanten van bomen niet onverkort mogelijk is. Inmiddels heeft beheerder van de leiding PWN op 14 mei 2019 ermee ingestemd om de bomenrij op de door [appellant sub 11] gewenste locatie te planten en heeft HHNK op 16 mei 2019 toestemming verleend om de watergang (de Achterwijzend) te verleggen, aldus provinciale staten. Ter zitting hebben provinciale staten verder toegelicht dat hun voorkeur ernaar uitgaat om de gronden ter hoogte van het perceel van [appellant sub 11] zo in te richten als [appellant sub 11] wenst, omdat dat gelet op de onderhoudskosten goedkoper is. Verder hebben provinciale staten ter zitting bevestigd dat daarmee de noodzaak van een verbindingsdam is komen te vervallen. Ter zitting is komen vast te staan dat in zoverre feitelijke overeenstemming bestaat tussen [appellant sub 11] en provinciale staten over de wijze van invulling van de bestemming "Verkeer - 1" ter hoogte van het perceel van [appellant sub 11]. Verder heeft [appellant sub 11] ter zitting bevestigd dat hiermee de bezwaren die hij had over inbraak, diefstal en vandalisme op zijn aardbeienvelden, zijn komen te vervallen.

    Voor zover [appellant sub 11] ter zitting heeft aangevoerd dat de huidige bomenrij kan blijven staan omdat het verkeersknooppunt ter hoogte van zijn perceel voldoet aan de richtlijnen van de CROW en de ERBI, overweegt de Afdeling als volgt. Provinciale staten hebben ter zitting toegelicht dat een deel van de gronden van [appellant sub 11] niet nodig is voor de verbreding van het verkeersknooppunt zelf, maar voor het verleggen van het fietspad. [appellant sub 11] heeft dit niet gemotiveerd bestreden. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat provinciale staten niet in redelijkheid het PIP hebben kunnen vaststellen zoals zij hebben gedaan.

    Het betoog faalt.

Conclusie

63.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [appellant sub 11] ongegrond.

64.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant sub 6A] en [appellant sub 6B] niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de overige beroepen ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. C.J. Borman, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. B.P.M. van Ravels, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Sparreboom

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020

195-877-909.