Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:950

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
201905369/1/R3
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 7 oktober 2016 heeft het college van burgemeester en wethouders van Emmen een aanvraag van Treanelka om omgevingsvergunning voor het bouwen van een winkelpand aan De Haar 105A te Emmen buiten behandeling gesteld. Treanelka heeft het voornemen om op het perceel een nieuw winkelpand te bouwen ter vervanging van een leegstaand gebouw. Daartoe heeft zij tweemaal een aanvraag om omgevingsvergunning bij het college ingediend. Bij besluit van 15 maart 2017 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Volgens hem heeft Treanelka onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het project in overeenstemming is met de bepalingen van de Bouwverordening, aangezien niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Verder is het bouwplan volgens hem in strijd met redelijke eisen van welstand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2020/8337
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905369/1/R3.

Datum uitspraak: 1 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

Treanelka B.V., gevestigd te Hoogeveen,

appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 6 juni 2019 in zaak nr. 18/2077 in het geding tussen:

Treanelka

en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen.

Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2016 heeft het college een aanvraag van Treanelka om omgevingsvergunning voor het bouwen van een winkelpand aan De Haar 105A te Emmen (hierna: het perceel) buiten behandeling gesteld.

Bij besluit van 15 maart 2017 heeft het college, beslissend op een nieuwe aanvraag, geweigerd aan Treanelka omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van winkelpand op het perceel.

Bij besluit van 7 juni 2018 heeft het college de door Treanelka tegen de besluiten van 7 oktober 2016 en 15 maart 2017 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 juni 2019 heeft de rechtbank het door Treanelka daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft Treanelka hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Treanelka en het college hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2020, waar Treanelka, vertegenwoordigd door mr. I. van der Meer, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door J. de Vries, bijgestaan door mr. E.E. Grit, advocaat te Groningen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Treanelka heeft het voornemen om op het perceel een nieuw winkelpand te bouwen ter vervanging van een leegstaand gebouw (hierna: het project). Daartoe heeft zij tweemaal een aanvraag om omgevingsvergunning bij het college ingediend. Op 15 juni 2016 heeft Treanelka de eerste aanvraag ingediend. Het college heeft deze aanvraag bij besluit van 7 oktober 2016 buiten behandeling gesteld, omdat de aanvraag volgens hem onvolledig is en Treanelka geen gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid om gevraagde aanvullende gegevens in te dienen. Op 13 december 2016 heeft Treanelka de tweede aanvraag ingediend. Deze zag op een omgevingsvergunning voor de activiteiten bouwen en afwijken van het bestemmingsplan. Bij besluit van 15 maart 2017 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning geweigerd. Volgens hem heeft Treanelka onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het project in overeenstemming is met de bepalingen van de Bouwverordening, aangezien niet wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Verder is het bouwplan volgens hem in strijd met redelijke eisen van welstand. Tot slot is het project volgens het college in strijd met het bestemmingsplan "Emmen, Emmerhout" en is het niet bereid om mee te werken aan een afwijking van dat bestemmingsplan.

    Treanelka kan zich met de beide besluiten niet verenigen.

Goede procesorde

2.    Het college heeft nadere stukken ingediend die de Afdeling per fax op 13 februari 2020 heeft ontvangen. Treanelka heeft ter zitting betoogd dat deze stukken van het college buiten beschouwing moeten worden gelaten, omdat deze korter dan tien dagen voor de zitting zijn ingediend.

2.1.    Artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken kunnen indienen. Nu vaststaat dat het college korter dan tien dagen voor zitting nadere stukken heeft ingediend, dient beoordeeld te worden of het in strijd met de goede procesorde is om deze stukken niettemin te betrekken bij de beoordeling van het hoger beroep. Dat is het geval, wanneer de nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

    De nadere stukken bestaan uit vier uitdraaien van screenshots van het zaaksysteem dat binnen de gemeente wordt gebruikt voor onder meer het behandelen van aanvragen, en verder uit een begeleidende brief bij het besluit van 15 maart 2017. Het college heeft deze stukken ingediend in reactie op de nadere schriftelijke uiteenzetting met nadere stukken die Treanelka op 8 februari 2020 nog heeft ingezonden. De stukken houden verband met het geschil over de vraag of het college de beslistermijn tijdig heeft verlengd en dienen ter verdere onderbouwing van het standpunt dat het college daarover al eerder in de procedure heeft ingenomen. De bedoelde begeleidende brief maakte al deel uit van de processtukken. De vier uitdraaien van screenshots zijn van geringe omvang en zijn ter zitting in het bijzijn van partijen nader bekeken. Daarbij heeft Treanelka op de stukken kunnen reageren. Onder deze omstandigheden verzet de goede procesorde zich er niet tegen dat de Afdeling de bedoelde stukken betrekt bij de beoordeling van het hoger beroep.

Buiten behandeling stellen aanvraag 15 juni 2016

3.    Treanelka betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college niet bevoegd was om de aanvraag van 15 juni 2016 bij besluit van 7 oktober 2016 buiten behandeling te stellen. Zij stelt zich op het standpunt dat ten tijde van dat besluit al een omgevingsvergunning van rechtswege was ontstaan, omdat het college niet tijdig op de aanvraag had beslist. Zij betwist dat het college de beslistermijn bij brief van 18 juli 2016 op juiste wijze had verlengd. Zij voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat deze brief in strijd met artikel 59a van de Gemeentewet niet is ondertekend. Dat was volgens haar wel vereist, nu het niet gaat om een geautomatiseerd aangemaakte brief, maar om een specifieke, door een ambtenaar opgestelde brief. Dat geen sprake is van geautomatiseerde brieven blijkt volgens haar ook uit het feit dat de naam van de contactpersoon in de brief bij het besluit van 7 oktober 2016 anders (en verkeerd) is gespeld dan in onder meer de brief van 18 juli 2016. Bovendien is de brief van 18 juli 2016 niet aan Treanelka als aanvrager van de omgevingsvergunning gericht. Verder heeft het college volgens Treanelka niet aannemelijk gemaakt dat deze brief daadwerkelijk is verzonden. Zij voert aan dat de enkele vermelding van (een datum van) verzending niet waarborgt dat de brief daadwerkelijk feitelijk is verzonden. Verder voert zij aan dat de brief op de door het college overgelegde uitdraaien van screenshots van het zaaksysteem "Medewerkersportaal" als "concept" staat vermeld, zonder ondertekening en in een Word-bestand in plaats van in een PDF-bestand. Dat de beslissing tot verlenging van de beslistermijn is gepubliceerd, laat volgens haar onverlet dat de beslistermijn zonder juiste bekendmaking aan Treanelka niet is verlengd.

3.1.    Bij het nemen van het besluit om de aanvraag van Treanelka van 15 juni 2016 buiten behandeling te stellen, is het college ervan uitgegaan dat het de beslistermijn bij brief van 18 juli 2016 met zes weken had verlengd. Het heeft Treanelka bij brief van 5 september 2016 geïnformeerd dat het de ingediende aanvraag onvolledig achtte en heeft haar in de gelegenheid gesteld om de aanvraag binnen vier weken met verschillende nader aangeduide gegevens aan te vullen. Het college heeft de aanvraag na ommekomst van de gestelde termijn, waarbinnen Treanelka haar aanvraag niet had aangevuld, bij besluit van 7 oktober 2016 buiten behandeling gesteld.

3.2.    Ingevolge artikel 3.9, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) beslist het bevoegd gezag op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Ingevolge het tweede lid kan het bevoegd gezag de in het eerste lid bedoelde termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Het maakt zijn besluit daartoe bekend binnen de eerstbedoelde termijn.

    Ingevolge artikel 3:40 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)  treedt een besluit niet in werking voordat het is bekendgemaakt.

    Ingevolge artikel 3:41, eerste lid, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.

    Ingevolge artikel 4:20b, eerste lid, van de Awb is, indien niet tijdig op de aanvraag tot het geven van een beschikking is beslist, de gevraagde beschikking van rechtswege gegeven.

    Artikel 59a van de Gemeentewet bepaalt, kort weergegeven, dat stukken die van het college uitgaan worden ondertekend.

3.3.    Uit de bovenstaande artikelen volgt dat verlenging van de beslistermijn op de aanvraag van Treanelka diende te geschieden bij besluit. Dat besluit is uitsluitend in werking getreden als het is bekendgemaakt, in dit geval door toezending of uitreiking aan Treanelka. Het geschil spitst zich toe op de vraag of dit met de brief van 18 juli 2016 op juiste wijze is gebeurd.

3.4.    De brief van 18 juli 2016 waarmee het college heeft beoogd de beslistermijn te verlengen, is gericht aan J.O. Kroesen. In de brief is vermeld dat deze betrekking heeft op zijn aanvraag om omgevingsvergunning, ontvangen op 15 juni 2016, voor het bouwen van een winkelpand aan De Haar 105A te Emmen. Verder is vermeld dat het college heeft besloten om de beslistermijn voor deze aanvraag met zes weken te verlengen. De brief is afkomstig van  een senior juridisch medewerker Vergunningen, namens het college. Tot slot is vermeld dat de brief elektronisch is aangemaakt en daarom geen handtekening bevat.

3.5.    Voor zover de brief van 18 juli 2016 door het ontbreken van een ondertekening niet in overeenstemming is met artikel 59a van de Gemeentewet, leidt dat op zichzelf nog niet tot het oordeel dat  de in artikel 3.9, eerste lid, van de Wabo bedoelde beslistermijn van acht weken geacht moet worden ongebruikt te zijn verstreken en dat de gevraagde omgevingsvergunning als gevolg daarvan van rechtswege is verleend. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 31 oktober 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BY1703) betekent de enkele omstandigheid dat een ondertekening ontbreekt, in een geval waarin het gaat om een geautomatiseerd aangemaakte brief, niet dat aan die brief het besluitkarakter moet worden ontzegd. De Afdeling ziet geen grond om er in dit geval aan te twijfelen dat de brief overeenkomstig de vermelding daarin elektronisch is aangemaakt. Anders dan Treanelka betoogt, is hierbij niet doorslaggevend of de tekst van brief al dan niet volledig geautomatiseerd is gegenereerd, dan wel door een medewerker voor het specifieke geval is opgesteld. De door het college overgelegde uitdraaien maken naar het oordeel van de Afdeling aannemelijk dat het besluit door de medewerker in mandaat is genomen en op schrift is gesteld en dat deze medewerker via een geautomatiseerd systeem intern de opdracht heeft gegeven om dit besluit klaar te maken voor verzending. Dat de spelling van de naam van de geadresseerde in het besluit van 7 oktober 206 afwijkt van die in het hier bedoelde besluit van 18 juli 2016, duidt naar het oordeel van de Afdeling niet op het tegendeel.

3.6.    In de brief van 18 juli 2016 is de aanvraag zodanig gespecificeerd, dat geen ruimte bestaat voor twijfel op welke aanvraag het bedoelde besluit tot verlenging van de beslistermijn betrekking heeft. Verder is niet in geschil dat de brief is gericht aan de contactpersoon zoals opgegeven bij de aanvraag om omgevingsvergunning en is geadresseerd overeenkomstig het daarbij opgegeven correspondentieadres. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht in het enkele ontbreken van de naam van Treanelka als aanvrager in de brief geen grond gevonden voor het oordeel dat het besluit als gevolg van een gebrekkige bekendmaking niet in werking is getreden.

3.7.    Vaststaat dat het in de brief van 18 juli 2016 vervatte besluit tot verlenging van de beslistermijn niet aangetekend is verzonden. Zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van 10 mei 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BQ4617, heeft overwogen, hanteren de hoogste bestuursrechters als uitgangspunt dat, in het geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres.

    De rechtbank heeft terecht overwogen dat met de registratie van uitgaande brieven in het Medewerkersportaal sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Op door het college overgelegde uitdraaien van screenshots is te zien dat onder "Besluit verlengen termijn omgevingsvergunning regulier", waarbij de zaaksgegevens overeenkomen met de in geding zijnde aanvraag, een verzenddatum van 18 juli 2016 is vermeld. Daarmee heeft het college aannemelijk gemaakt dat het de brief van 18 juli 2016 op diezelfde dag naar het juiste adres heeft verzonden. De door Treanelka aangevoerde omstandigheden dat achter "status" de vermelding "concept" is opgenomen en dat de brief niet in de vorm van een PDF-bestand, maar in de vorm van een Word-document in het systeem is opgeslagen, leiden niet tot een ander oordeel over de betekenis van deze vermelding. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, blijkt uit de publicatie van het besluit tot verlenging van de beslistermijn in een huis-aan-huisblad en het Gemeenteblad dat het besluit zich feitelijk niet langer in de conceptfase bevond.

3.8.    Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat het in de brief van 18 juli 2016 vervatte besluit tot verlenging van de beslistermijn, door bekendmaking daarvan aan Treanelka via haar contactpersoon, in werking is getreden. Treanelka heeft zich dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat de gevraagde omgevingsvergunning acht weken na indiening van haar aanvraag van rechtswege was verleend en het college daarna niet meer bevoegd was om op de aanvraag te beslissen. Het betoog faalt.

Weigering omgevingsvergunning

4.    Treanelka betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het besluit van 15 maart 2017 tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning geen rechtskracht heeft verkregen, nu ook dit besluit niet is ondertekend. Als gevolg daarvan had het college volgens Treanelka in bezwaar tot de conclusie moeten komen dat alsnog een vergunning van rechtswege was verleend.

4.1.    Zowel het besluit tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning als de begeleidende brief waarbij dit besluit aan Treanelka is bekendgemaakt, bevatten de vermelding dat de brief elektronisch is aangemaakt en daarom geen handtekening bevat. Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5 is overwogen, heeft de rechtbank terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het ontbreken van een ondertekening niettemin het besluitkarakter aantast. Treanelka betoogt dan ook tevergeefs dat het ontbreken van een ondertekening ertoe leidt dat de gevraagde omgevingsvergunning alsnog van rechtswege is verleend.

    Het betoog faalt.

5.    Treanelka betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het college de gevraagde omgevingsvergunning had moeten verlenen. Wat betreft de door het college aangenomen strijd met redelijke eisen van welstand voert Treanelka aan dat zij voorafgaand aan het weigeringsbesluit een reactie op het negatieve advies van de welstandscommissie heeft ingezonden, waaruit het college had moeten concluderen dat het dit advies niet kon overnemen. Verder betwist zij dat het beoogde gebruik van het gebouw meer parkeerruimte vergt dan al aanwezig is. Wat betreft de weigering om afwijking van het bestemmingsplan toe te staan, voert Treanelka aan dat de geldende bestemming ter plaatse al een winkel toestaat. Voor de gedeeltelijke ligging buiten het bouwvlak en de voorziene hoogte van het gebouw had toepassing kunnen worden gegeven aan een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid. Daarmee is de planologische aanvaardbaarheid van het bouwplan in beginsel gegeven en vergde de weigering om de gevraagde vergunning te verlenen een zwaardere motivering dan het college aan het weigeringsbesluit ten grondslag heeft gelegd, aldus Treanelka. Hier komt bij dat het college ten onrechte de in bezwaar ingebrachte wijzigingen van het bouwplan niet bij zijn beoordeling heeft betrokken. Volgens Treanelka gaat het om ondergeschikte wijzigingen. Met deze wijzigingen is zij tegemoet gekomen aan de wensen van het college, aldus Treanelka.

5.1.    Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of het college bij het nemen van een besluit op het bezwaar van Treanelka had moeten uitgaan van het oorspronkelijke bouwplan waarvoor op 13 december 2016 een aanvraag is ingediend of van het in bezwaar bij brief van 17 april 2018 gewijzigde bouwplan.

5.1.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer de uitspraak van 9 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:34), is het college gerechtigd en in bepaalde gevallen zelfs verplicht om de indiener van een bouwaanvraag in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag zodanig te wijzigen of aan te vullen, dat geconstateerde beletselen voor het verlenen van de vergunning worden weggenomen. Daarbij zal het moeten gaan om wijzigingen van ondergeschikte aard, waarvoor volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling geen nieuwe bouwaanvraag is vereist. De vraag of zich een wijziging van ondergeschikte aard voordoet, dient per concreet geval te worden beantwoord. Indien de wijziging van de oorspronkelijke aanvraag zodanig ingrijpend is dat redelijkerwijs niet meer van hetzelfde bouwplan kan worden gesproken, moet daarvoor een nieuwe aanvraag worden ingediend.

5.1.2.    Ten opzichte van het oorspronkelijke bouwplan voorziet het gewijzigde bouwplan in een wijziging van materialen en een wijziging van gevels, onder meer door de toevoeging van verschillende ramen. Verder ziet het gewijzigde bouwplan, anders dan het oorspronkelijke bouwplan, mede op een inpandige indeling van het gebouw.

    Naar het oordeel van de Afdeling is met name de toevoeging van enkele grote ramen in verschillende gevels van het gebouw van zodanige aard, dat deze van wezenlijke invloed is op de ruimtelijke uitstraling van het pand. De rechtbank heeft daarom terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat de wijzigingen van het bouwplan van ondergeschikte aard zijn. Daarbij is niet van belang dat, zoals Treanelka aanvoert, zij met deze wijzigingen heeft beoogd tegemoet te komen aan de wensen van het college. Het college heeft het gewijzigde bouwplan dan ook terecht niet betrokken bij het nemen van het besluit op bezwaar. De rechtbank is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

5.2.    Het college heeft aan de weigering om de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen onder meer het negatieve welstandsadvies van 21 juli 2016 van het bureau Libau (hierna: de welstandscommissie) ten grondslag gelegd. De welstandscommissie heeft in het advies vermeld dat op grond van de welstandsnota ter plaatse de "welstandscriteria hoog" van toepassing zijn. Zij heeft het - oorspronkelijke - bouwplan beoordeeld aan de hand van de criteria structuur, hoofdvorm, architectuurstijl en gevelcompositie, en materiaal, kleurgebruik en detaillering. Wat betreft architectuurstijl en gevelcompositie heeft de welstandscommissie in aanmerking genomen dat iedere gevel passend dient te zijn in het straatbeeld en een eigen identiteit dient uit te stralen. Daarbij dient de entree herkenbaar te zijn vormgegeven. Bij nieuwbouw dienen massa, stijlkenmerken, materiaal, detaillering en kleurgebruik van de bebouwing in de omgeving het uitgangspunt te zijn. Tevens dienen de zijgevels zich te oriënteren op de openbare ruimte en dient dit in de architectuur tot uiting te komen. Volgens het advies voldoet het bouwplan hieraan niet. Wat betreft materiaal, kleurgebruik en detaillering is uitgangspunt het kleur- en materiaalgebruik uit de omgeving, waarbij vergelijkbare materialen zijn toegestaan. Het gebruik van goedkoop uitziende materialen is niet toegestaan. Volgens het advies voldoet het bouwplan ook hieraan niet.

    Treanelka heeft bij brief van 13 december 2016 een reactie op dit welstandsadvies ingezonden. Hierin heeft zij een toelichting op het bouwplan gegeven en een eigen beoordeling aan de hand van die toepasselijke criteria tegenover de beoordeling door de welstandscommissie gesteld. Treanelka komt tot de conclusie dat het bouwplan wel aan deze criteria voldoet.

    De welstandscommissie heeft desgevraagd gereageerd op deze brief. Zij heeft daarin geen grond gevonden om een andersluidend advies uit te brengen. Het college heeft het negatieve advies overgenomen.

5.2.1.    Hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij hem berust, mag het op dat advies afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Deze verplichting is neergelegd in artikel 3:9 van de Awb voor de wettelijk adviseur en volgt uit artikel 3:2 van de Awb voor andere adviseurs. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders indien de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd dan wel concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten  van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht. Ook laatstgenoemde omstandigheid kan aanleiding geven voor het oordeel dat het besluit van het college in strijd is met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo of niet berust op een deugdelijke motivering. Dit neemt echter niet weg dat een welstandsnota criteria kan bevatten die zich naar hun aard beter lenen voor beoordeling door een deskundige dan voor beoordeling door een aanvrager of derde-belanghebbende.

5.2.2.    Vaststaat dat Treanelka in reactie op het negatieve welstandsadvies geen advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd. Zij heeft verder niet betwist dat de welstandscommissie de juiste criteria uit de welstandsnota heeft toegepast. Door bij brief van 13 december 2016 een toelichting op het bouwplan te geven en een eigen beoordeling van de toepasselijke criteria tegenover die van de welstandscommissie te stellen, heeft Treanelka evenmin concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren gebracht. De rechtbank heeft daarom terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college het negatieve welstandsadvies niet aan het besluit tot weigering van de gevraagde omgevingsvergunning ten grondslag mocht leggen.

5.3.    Het voorgaande betekent dat het college de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo mocht weigeren.

5.4.    De Afdeling komt niet meer toe aan een bespreking van de vraag of het college de omgevingsvergunning ook op andere gronden mocht weigeren. Voor zover de betogen van Treanelka daarover zouden slagen, zou dat er niet toe kunnen leiden dat het college voorbij had moeten gaan aan de strijd met artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wabo en de omgevingsvergunning toch had moeten verlenen.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.N. Witsen, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020

727.