Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:947

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
201809457/1/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 oktober 2018 heeft de raad van de gemeente Westerwolde het bestemmingsplan "Buitengebied Tweekarspelenweg 3 Blijham" vastgesteld. Op dit perceel is een melkveehouderij gevestigd die haar bedrijfsactiviteiten wil uitbreiden van 350 stuks melk- en kalfkoeien en 200 stuks jongvee naar 760 stuks melk- en kalfkoeien en 490 stuks jongvee. Om deze uitbreiding mogelijk te maken moet de bestaande ligboxenstal worden verlengd voor de huisvesting van de melk- en kalfkoeien. Ook moet een nieuwe jongveestal worden gebouwd en moet de ruwvoeropslagcapaciteit worden uitgebreid en verplaatst naar de achterzijde van het vernieuwde erf. Met het voorliggende plan wordt voornoemde uitbreiding mogelijk gemaakt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0074
JOM 2020/186
JGROND 2020/129 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Jurisprudentie Grondzaken 2020/129 met annotatie van Loo, F.M.A. van der
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201809457/1/R3.

Datum uitspraak: 1 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, Afdeling Bellingwedde, (thans: IVN, Vereniging voor Natuur- en Milieueducatie, Afdeling Westerwolde-Oldambt) gevestigd te Bellingwedde (thans: Westerwolde),

appellant,

en

de raad van de gemeente Westerwolde,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 3 oktober 2018 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied Tweekarspelenweg 3 Blijham" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft IVN beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

IVN en [belanghebbende] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 9 maart 2020, waar IVN, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en de raad, vertegenwoordigd door A. Kuiper en R. Kampijon, zijn verschenen. Verder is ter zitting [belanghebbende], als partij gehoord.

Buiten bezwaren van partijen zijn ter zitting nog stukken overgelegd.

Overwegingen

Toetsingskader

1.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Het plan

2.    Het plan heeft betrekking op het perceel Tweekarspelenweg 3, ten noordoosten van de kern Blijham. Op dit perceel is een melkveehouderij gevestigd die haar bedrijfsactiviteiten wil uitbreiden van 350 stuks melk- en kalfkoeien en 200 stuks jongvee naar 760 stuks melk- en kalfkoeien en 490 stuks jongvee. Om deze uitbreiding mogelijk te maken moet de bestaande ligboxenstal worden verlengd voor de huisvesting van de melk- en kalfkoeien. Ook moet een nieuwe jongveestal worden gebouwd en moet de ruwvoeropslagcapaciteit worden uitgebreid en verplaatst naar de achterzijde van het vernieuwde erf. Met het voorliggende plan wordt voornoemde uitbreiding mogelijk gemaakt.

Wettelijke bepalingen

3.    De wettelijke bepalingen en relevante planregels die ten grondslag liggen aan de hierna volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

Bestuurlijke lus

4.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

Inhoudelijk

Advies hoorcommissie

5.    IVN wijst erop dat de voorzitter van de hoor- en adviescommissie als bedoeld in de Verordening hoorcommissie 2010 een stemverklaring heeft afgelegd die is opgenomen als bijlage bij het advies. Deze stemverklaring bevat een politiek standpunt. IVN betoogt dat de hoor- en adviescommissie slechts juridische aspecten in haar advies mag betrekken. Gelet hierop is het advies volgens IVN niet zorgvuldig tot stand gekomen.

5.1.    De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het advies van de hoor- en adviescommissie niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Hiertoe wordt overwogen dat de bezwaarschriftprocedure volgens de Awb een volledige heroverweging is, waarbij de beleidsmatige aspecten van het besluit juist moeten worden betrokken.

    Het betoog faalt.

Groninger Verdienmodel

6.    IVN is het er niet mee eens dat een agrarisch bouwperceel in het voorliggende bestemmingsplan iets anders is dan een agrarisch bouwperceel in het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1998" van de voormalige gemeente Bellingwedde en andere bestemmingsplannen van de gemeente Westerwolde. IVN betoogt dat is gekozen voor een gewijzigde plansystematiek met het doel om het agrarisch bouwperceel binnen 2 ha te houden, zodat de provinciale regelgeving over het zogenoemde Groninger Verdienmodel kan worden ontweken. Ten onrechte heeft de raad zijn keuze om in het plan af te wijken van de systematiek van het vorige bestemmingsplan niet gemotiveerd. Dit is volgens IVN in strijd met artikel 3:46 van de Awb. IVN betoogt dat het college van burgemeester en wethouders de raad onvoldoende heeft geïnformeerd over de reden waarom is gekozen voor een gewijzigde plansystematiek, dat de raad onvoldoende is ingegaan op het bezwaar van IVN hierover in de zienswijze en dat geen belangenafweging ten grondslag ligt aan de keuze om af te wijken van de systematiek van het vorige bestemminsplan.

6.1.    De raad stelt dat bepaalde provinciale regels, waaronder het Groninger Verdienmodel, niet van toepassing zijn, omdat het bouwperceel minder dan 2 ha omvat. Hij stelt dat er geen reden is om de wijze van bestemmen onrechtmatig te achten.

6.2.    Op de verbeelding is aan het perceel Tweekarspelenweg 3 de bestemming "Agrarisch - Bedrijf" toegekend. Aan een gedeelte van deze gronden is de aanduiding "bouwvlak" toegekend.

6.3.    Op de verbeelding van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1998" was aan het perceel Tweekarspelenweg 3 de bestemming "Agrarisch gebied met een open landschap" toegekend. Aan een gedeelte van deze gronden was de aanduiding "agrarisch bouwperceel" toegekend.

6.4.    In de "Omgevingsvisie provincie Groningen 2016-2020", vastgesteld door provinciale staten op 1 juni 2016, staat: "Schaalvergroting en modernisering van de landbouw, hoe belangrijk ook voor de plattelandseconomie, kan op gespannen voet staan met onze landschaps- en natuurdoelen en andere maatschappelijke wensen. Om die reden is overleg en maatwerk van belang. Wij hebben hiervoor twee werkwijzen: de Bouwblok op maatmethode en het Groninger Verdienmodel die we hierbij toepassen.[…] Voor het vergroten van bestaande bouwblokken tot een omvang groter dan 1 ha, of het toekennen van nieuwe bouwblokken, geldt dat de Bouwblok op maatmethode (BOM) moet worden toegepast. Hierbij geldt in beginsel een bovengrens van maximaal 2 ha. Agrarische bouwpercelen met een omvang van 2 ha achten wij alleen toelaatbaar indien deze ten dienste staan aan bedrijven die voldoen aan het Groninger Verdienmodel (GVM), dat ontwikkeld is om te bepalen of een melkrundveehouderijbedrijf en de bedrijfsvoering daadwerkelijk wezenlijk bijdraagt aan verduurzaming van de sector. […] De BOM-methodiek houdt in dat betrokken partijen (de gemeente, de ondernemer en eventueel diens adviseur, alsmede één of meer onafhankelijke deskundigen) de planvorming voor de uitbreiding gezamenlijk oppakken en daarbij in elk geval rekening houden met een aantal ruimtelijke randvoorwaarden. Deze voorwaarden zijn opgenomen in de Omgevingsverordening. Het GVM stimuleert de landbouwsector om inspanningen te verrichten die de landbouw in Groningen sterker, het landschap mooier en schoner maken met aandacht voor de bescherming van de biodiversiteit. Dit gebeurt in dialoog met onder meer de sector en de omgeving. Door extra inspanningen te verrichten ten behoeve van de verduurzaming van het landbouwbedrijf en bedrijfsvoering, kan een agrarische ondernemer ruimte voor bedrijfsuitbreiding ‘verdienen’, in die zin dat het bedrijf een agrarisch bouwperceel groter dan 2 ha kan worden toegekend tot maximaal 4 ha. Als er geen overeenstemming wordt bereikt dat deze inspanningen geleverd zullen worden, is uitbreiding boven de 2 ha niet mogelijk."

6.5.    De raad stelt dat het in bestemmingsplannen van de gemeente Westerwolde gebruikelijk is om het gehele agrarische erf aan te duiden als agrarisch bouwperceel en te bepalen dat maximaal 70% van het erf mag worden bebouwd. In het voorliggende plan is van deze systematiek afgeweken en is het gedeelte van het agrarische erf waar bedrijfsbebouwing mag worden gerealiseerd aangeduid als agrarisch bouwperceel. Het gedeelte van het agrarische erf waar geen bedrijfsbebouwing wordt gerealiseerd valt buiten het agrarisch bouwperceel. Het bouwvlak is in dit plan dus hetzelfde als het agrarisch bouwperceel, zo staat in artikel 1, lid 1.11, van de planregels. De raad heeft ter zitting toegelicht dat deze wijze van bestemmen niet is gekozen om de provinciale regels over het Groninger Verdienmodel te ontwijken, maar omdat dit in de gemeente vaker wordt toegepast in een situatie waarin een bestemmingsplan op maat wordt gemaakt.

    De Afdeling overweegt dat de betekenis van het agrarisch bouwperceel in dit bestemmingsplan niet strijdig is met de definitiebepaling in de Omgevingsverordening Groningen 2016 (hierna: Omgevingsverordening). In de Omgevingsverordening is een agrarisch bouwperceel een op de verbeelding van het bestemmingsplan aangeduid aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels van een bestemmingsplan zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan. Omdat op grond van het bestemmingsplan alle bedrijfsbebouwing moet worden opgericht binnen het agrarisch bouwperceel, staat de Omgevingsverordening naar het oordeel van de Afdeling niet in de weg aan de door de raad gekozen plansystematiek. Voor zover IVN zich op het standpunt stelt dat het bestemmingsplan erfafscheidingen ten onrechte toestaat buiten het agrarische bouwperceel, overweegt de Afdeling dat een erfafscheiding niet een onderdeel is van de "zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf" als bedoeld in art. 2.25 van de Omgevingsverordening. Erfafscheidingen worden immers, gelet op de functie ervan, vaak ver van de bebouwing - namelijk rond de gronden daaromheen - opgericht. Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat de raad zijn keuze voor de plansystematiek voldoende heeft gemotiveerd. In zoverre is het bestreden besluit daarom niet genomen in strijd met artikel 3:46 van de Awb. Het is in zoverre ook niet anderszins onrechtmatig.

    Het betoog faalt. 

Strijd met beleid

7.    IVN betoogt dat het plan is vastgesteld in strijd met de regel in het voorheen geldende bestemmingsplan dat rekening gehouden moet worden met het in stand houden en het tot stand brengen van de natuurlijke waarden van het buitengebied. Zij betoogt dat hiermee artikel 4:84 van de Awb wordt geschonden, omdat de regel in het voorheen geldende bestemmingsplan volgens haar een beleidsregel is.

7.1.    De Afdeling overweegt dat in artikel 3, eerste lid, onder 2, van de planregels van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1998" staat dat moet worden gestreefd naar het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarden. In het tweede lid, onder 2, staat dat ten aanzien van de plaats en de afmetingen van bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen rekening dient te worden gehouden met het in stand houden en het tot stand brengen van de natuurlijke waarden van het buitengebied. De Afdeling overweegt dat deze planregels een beschrijving in hoofdlijnen bevatten, op grond van artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van het (voorheen geldende) Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, van de wijze waarop met het plan het doel of de doeleinden van de bestemming worden nagestreefd. Bij het nu aan de orde zijnde plan hoeft deze beschrijving in hoofdlijnen niet als beleidsregel in acht te worden genomen.   

    Het betoog faalt.

Strijd met de Wet natuurbescherming

Inleiding

8.    IVN kan zich niet met het plan verenigen, omdat het voorziet in een ruimtelijke ontwikkeling die een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden meebrengt. Zij betoogt dat ten behoeve van het plan ten onrechte geen deugdelijke passende beoordeling is gemaakt op grond van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb).

8.1.    De raad wijst erop dat op 17 november 2017 door het college van gedeputeerde staten op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming een vergunning is verleend voor een wijziging van het stalsysteem en een uitbreiding van de aantallen melkrundvee ten opzichte van de op 14 april 2016 door het college van gedeputeerde staten verleende vergunning op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998, met als uitkomst dat er geen significante effecten zullen zijn op Natura 2000-gebieden.

8.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1185, maakt artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb een uitzondering op de verplichting om voor een bestemmingsplan een passende beoordeling op te stellen, maar alleen als het plan een herhaling of voortzetting is van een project ten aanzien waarvan reeds eerder een passende beoordeling is gemaakt (een zogenoemde "één-op-één-inpassing") voor zover de passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren omtrent de significante gevolgen van het plan.

8.3.    De Afdeling stelt vast dat het college van gedeputeerde staten op 14 april 2016 een vergunning heeft verleend op grond van artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 voor het in werking hebben en uitbreiden/wijzigen van een melkrundveebedrijf aan de Tweekarspelenweg 3. Deze vergunning is verleend met gebruikmaking van het Programma Aanpak Stikstof (PAS). Op 17 november 2017 is opnieuw een natuurvergunning verleend en is de natuurvergunning van 14 april 2016 ingetrokken. Geconcludeerd is dat de natuurvergunning van 17 november 2017 geen significante effecten zal hebben op Natura 2000-gebieden, omdat de emissie en depositie van ammoniak afneemt ten opzichte van de op 14 april 2016 verleende vergunning en er dus geen ontwikkelingsruimte nodig is.

    De Afdeling overweegt dat natuurvergunningen die met gebruikmaking van het PAS zijn verleend geen grondslag kunnen bieden voor de toepassing van artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb, ook als het plan alleen een herhaling of voortzetting is van het project dat op 14 april 2016 met gebruikmaking van het PAS is vergund. Uit de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, volgt immers dat de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS, niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie daaraan stelt. Gelet hierop had een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs nieuwe gegevens of inzichten kunnen opleveren over de significante effecten van de ontwikkelingsmogelijkheden waarvoor met gebruikmaking van het PAS een natuurvergunning is verleend. De raad heeft daarom niet met toepassing van artikel 2.8, tweede lid, van de Wnb kunnen afzien van het maken van een passende beoordeling voor het plan. Nu voor het plan geen passende beoordeling is gemaakt, betoogt IVN terecht dat de raad niet de zekerheid heeft verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Gelet op het voorgaande is het plan vastgesteld in strijd met artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb.

    Het betoog slaagt.

Bestuurlijke lus

8.4.    Gelet op hetgeen hiervoor in 8.3 is overwogen ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 2.8, eerste lid, van de Wnb.

    De raad heeft na het verschijnen van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1603, waarin is geoordeeld dat de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS, niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie daaraan stelt, nog geen voorbereidingen getroffen voor het nemen van een nieuw besluit. Gelet hierop en met het oog op een spoedige beslechting van het geschil zal de Afdeling de raad opdragen om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

    De raad dient daartoe met inachtneming van overweging 8.3 alsnog een passende beoordeling te maken voor het plan. Hierbij dient in de passende beoordeling uit te worden gegaan van de maximale planologische mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt. In de passende beoordeling moet, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3417, rekening worden gehouden met het beweiden van vee, omdat het weiden van vee onlosmakelijk samenhangt met de oprichting, exploitatie of uitbreiding van de stallen waarin het melkvee wordt gehouden. Ook dient onderzocht te worden of de passende beoordeling ook betrekking moet hebben op de gevolgen van het bemesten van agrarische gronden voor Natura 2000-gebieden. Zie overweging 8.3 van de uitspraak van de Afdeling van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212.

    De raad dient de Afdeling en partijen de uitkomst mede te delen en het gewijzigde besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen. Afdeling 3.4 van de Awb hoeft bij de voorbereiding van het gewijzigde besluit niet opnieuw te worden toegepast.

Voorlopige voorziening

9.    De Afdeling ziet aanleiding de hierna te vermelden voorlopige voorziening te treffen.

Proceskosten en griffierecht

10.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht van IVN.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    draagt de raad van de gemeente Westerwolde op:

a. om binnen 26 weken na de verzending van deze tussenuitspraak het onder 8.4 genoemde gebrek te herstellen met inachtneming van hetgeen omtrent het betreffende gebrek in deze uitspraak is overwogen;

b. de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en een eventueel gewijzigd besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

II.    treft de voorlopige voorziening dat het bestemmingsplan "Buitengebied Tweekarspelenweg 3 Blijham" wordt geschorst totdat de Afdeling een einduitspraak heeft gedaan in deze zaak.

Aldus vastgesteld door mr. R. Uylenburg, voorzitter, en mr. B.J. Schueler en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Priem, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020

646.

 

Bijlage

 

Planregels

    Artikel 1, lid 1.6, van de planregels luidt: "In deze regels wordt verstaan onder agrarisch bouwperceel: een op de verbeelding van het bestemmingsplan aangeduid aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels van een bestemmingsplan of van een beheersverordening zelfstandige bij elkaar horende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan."

    Lid 1.11, luidt: "In deze regels wordt verstaan onder bouwvlak: een agrarisch bouwperceel."

    Lid 1.18, luidt: "In deze regels wordt verstaan onder voorheen geldende bestemmingsplan: het Bestemmingsplan Buitengebied-1998, dat de gemeenteraad op 9 juli 1998 vaststelde en dat bij besluit van 23 februari 1999 (merendeels) goedkeuring van Gedeputeerde Staten verkreeg en dat na de uitspraak van de Raad van State van 12 februari 2001 volledig onherroepelijk werd."

    Artikel 3, lid 3.1, luidt: "De voor ‘Agrarisch - Bedrijf’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bedrijfsbebouwing ten behoeve van de uitoefening van één agrarisch bedrijf;

b. voorzieningen, geen bouwwerken zijnde, voor de opslag van mest en kuilvoer; met de daarbij behorende:

c. erfbeplanting;

d. verhardingen;

e. water;

f. nutsvoorzieningen:

g. tuinen, erven en terreinen;

h. terrein- en erfafscheidingen."

    Lid 3.2, aanhef en onder a, luidt: "Ten aanzien van de onder 3.1, onder a en b, bedoelde bedrijfsbebouwing en voorzieningen geldt dat deze uitsluitend worden gerealiseerd op de gronden die op de verbeelding zijn voorzien van de aanduiding "bouwvlak".

Planregels vorige bestemmingsplan

Artikel 1, van de planregels van het bestemmingsplan "Buitengebied 1998" luidt: "In deze voorschriften wordt verstaan onder:

[…];

6. bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke hetzij direct of indirect met de grond verbonden is hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

7. gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

8. bebouwing: een of meer gebouwen/en of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

9. bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop krachtens het plan een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

10. bouwperceelgrens: een grens van een bouwperceel;

11. bouwvlak: een op de kaart aangegeven, door een bouwgrens omsloten vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten;

12. bouwgrens: een op de kaart aangegeven lijn die niet door gebouwen mag worden overschreden, behoudens krachtens deze voorschriften toegelaten afwijkingen;

[…]."

    Artikel 3 van de planregels van het vorige bestemmingsplan "Buitengebied 1998" luidt: "De aan de gronden toegekende doeleinden zullen, uitgaande van de in de toelichting omschreven huidige situatie, met het plan worden nagestreefd op de wijze, zoals hierna in hoofdlijnen is beschreven. Deze algemene beschrijving in hoofdlijnen staat naast hetgeen specifiek in de beschrijving in hoofdlijnen bij de bestemmingen is opgenomen. De specifieke beschrijvingen in hoofdlijnen bevatten aanvullende bepalingen op de algemene beschrijving in hoofdlijnen."

    Het eerste lid, onder 2, luidt: "Gestreefd wordt naar het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke waarden. Behalve met dit plan zal dit ook worden nagestreefd via de regelgeving van de Natuurbeschermingswet, de Relatienota en de Landinrichtingswet."

    In het tweede lid, onder 2, staat: "ten aanzien van de plaats en de afmetingen van bouwwerken, werken en andere gebruiksvormen dient rekening te worden gehouden met het instandhouden c.q. het tot stand brengen van de natuurlijke waarden van het buitengebied."

    Artikel 4C, luidt: "1. Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen:

a. er zullen uitsluitend gebouwen ten behoeve van agrarische bedrijven worden gebouwd;

b. de gebouwen zullen uitsluitend worden gebouwd op de gronden die op de kaart zijn voorzien van de aanduiding "agrarisch bouwperceel";

c. per gebied, dat op de kaart is voorzien van de aanduiding "agrarisch bouwperceel", mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van één agrarisch bedrijf worden gebouwd;

[…];

i. het bebouwingspercentage dat van een gebied dat op de kaart is voorzien van de aanduiding "agrarisch bouwperceel" zal ten hoogste 70% bedragen;

[…].

2. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

a. silo’s zullen uitsluitend worden gebouwd binnen het gebied dat op de kaart is voorzien van de aanduiding "agrarisch bouwperceel";

b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, binnen een gebied dat op de kaart is voorzien van de aanduiding "agrarisch bouwperceel" zal ten hoogste 10,00 m bedragen;

c. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten een gebied dat op de kaart is voorzien van de aanduiding "agrarisch bouwperceel", zal ten hoogste 5,00 m bedragen;"

Omgevingsverordening

Artikel 2.25, van de Omgevingsverordening luidt: "In deze titel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

agrarisch bedrijf: bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen, houtteelt, of het houden van dieren;

agrarisch bouwperceel: een op de verbeelding van het bestemmingsplan aangeduid aaneengesloten stuk grond waarop volgens de regels van een bestemmingsplan zelfstandige bij elkaar behorende bebouwing ten behoeve van een agrarisch bedrijf is toegestaan;

bebouwing: één of meer gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde;

bedrijfsbebouwing: één of meerdere gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan aan de uitoefening van een bedrijf;

[…]"

    Artikel 2.26.1, eerste lid, luidt: "Een bestemmingsplan stelt regels op grond waarvan agrarische bedrijfsbebouwing en voorzieningen voor de mestopslag, bedrijfsbebouwing en opslag van veevoer worden geconcentreerd binnen een agrarisch bouwperceel dat op de verbeelding van het bestemmingsplan is aangewezen."

    Artikel 2.26.3 luidt: "1. Een bestemmingsplan voorziet niet in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot een omvang groter dan 2 hectaren.

2. Een bestemmingsplan voorziet alleen in uitbreiding van een agrarisch bouwperceel tot een oppervlakte tussen de 1 en 2 hectare, als de maatwerkmethode is toegepast onder begeleiding van een onafhankelijke of een bij de gemeente werkzame deskundige op het gebied van stedenbouw en landschapsarchitectuur.

3. Aan de omvang, situering en vormgeving van het agrarische bouwperceel, bedoeld in het tweede lid, moet een erfinrichtingsplan ten grondslag liggen, waarbij in ieder geval rekening is gehouden met achtereenvolgens:

a. de historisch gegroeide landschapsstructuur;

b. de afstand tot andere ruimtelijke elementen:

c. een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen;

d. het uitgangspunt dat voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen, met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen op het bouwperceel worden gesloopt;

e. het woon- en leefklimaat van direct omwonenden;

f. het aspect natuurlijke lichtuitstraling."

    Artikel 2.26.4 luidt: "1. In afwijking van artikel 2.26.3, eerste lid, kan een bestemmingsplan voorzien in een agrarisch bouwperceel met een omvang tussen de 2 en 4 hectare, als:

a. Gedeputeerde Staten op grond van artikel 3.1, aanhef en onder b, van het Besluit omgevingsrecht een omgevingsvergunning hebben verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor uitbreiding van een agrarisch bedrijf die een bouwperceel met een omvang groter dan 2 hectare vergt, of

b. aangetoond wordt dat vóór 20 maart 2013 als gevolg van toepassing van de maatwerkmethode met de provincie overeenstemming is bereikt over het erfinrichtingsplan, mits een periode van minder dan twee jaar is verstreken tussen de datum waarop met de provincie overeenstemming over de bedrijfsontwikkeling is bereikt en de datum van de aanvraag om planwijziging of een omgevingsvergunning.

2. Aan de omvang, situering, en vormgeving van het agrarische bouwperceel, bedoeld in het eerste lid, moet een erfinrichtingsplan ten grondslag liggen, waarbij in ieder geval rekening is gehouden met achtereenvolgens:

a. de historisch gegroeide landschapsstructuur;

b. de afstand tot andere ruimtelijke elementen;

c. een evenwichtige ordening en in de omgeving passende maatvoering en vormgeving van de bedrijfsgebouwen;

d. het uitgangspunt dat voor de bedrijfsvoering niet meer in gebruik zijnde opstallen, met uitzondering van monumentale of karakteristieke gebouwen op het bouwperceel worden gesloopt;

e. het woon- en leefklimaat van direct omwonenden;

f. het aspect nachtelijke lichtuitstraling."

Wet natuurbescherming

Artikel 2.7 van de Wet natuurbescherming(ten tijde van belang) luidt, voor zover relevant:

"1. Een bestuursorgaan stelt een plan dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, en dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, uitsluitend vast indien is voldaan aan artikel 2.8, met uitzondering van het negende lid.

[…]"

    Artikel 2.8 van de Wnb luidt, voor zover relevant:

"1. Voor een plan als bedoeld in artikel 2.7, eerste lid, of een project als bedoeld in artikel 2.7, derde lid, onderdeel a, maakt het bestuursorgaan, onderscheidenlijk de aanvrager van de vergunning, een passende beoordeling van de gevolgen voor het Natura 2000-gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen voor dat gebied.

2. In afwijking van het eerste lid hoeft geen passende beoordeling te worden gemaakt, ingeval het plan of het project een herhaling of voortzetting is van een ander plan, onderscheidenlijk project, of deel uitmaakt van een ander plan, voor zover voor dat andere plan of project een passende beoordeling is gemaakt en een nieuwe passende beoordeling redelijkerwijs geen nieuwe gegevens en inzichten kan opleveren over de significante gevolgen van dat plan of project.

3. Het bestuursorgaan stelt het plan uitsluitend vast, en gedeputeerde staten verlenen voor het project, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend een vergunning, indien uit de passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

[…]"

Besluit ruimtelijke ordening 1985

Artikel 12, eerste lid, aanhef en onder a, van het Besluit ruimtelijke ordening 1985 luidt: "Een bestemmingsplan alsmede een ontwerp daarvoor worden vervat in een omschrijving van de in het plan vervatte bestemmingen, waarbij per bestemming het doel of de doeleinden worden aangegeven, die met het oog op een goede ruimtelijke ordening aan de in het plan begrepen gronden worden toegekend, alsmede in voorkomend geval, een beschrijving in hoofdlijnen van de wijze waarop met het plan dat doel of die doeleinden worden nagestreefd."