Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:928

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
201904675/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 2 mei 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren, nadat de gemeenteraad van De Fryske Marren op 25 april 2018 een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven, een omgevingsvergunning aan [appellant] verleend voor activiteiten in de paardenhouderij van [appellant] op het perceel [locatie] te Rottum. [appellant] exploiteert een paardenhouderij op het perceel. Oorspronkelijk ging het om een productiegerichte paardenhouderij. Op 28 april 2016 heeft [appellant] een omgevingsvergunning gevraagd voor het afwijken van het bestemmingsplan, omdat hij ter plaatse ook gebruiksgerichte activiteiten wil verrichten. Verder heeft hij vergunning gevraagd voor de legalisatie van vier lichtmasten en een aanbouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904675/1/A1.

Datum uitspraak: 1 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant A], wonend te Rottum, en [appellante B], gevestigd te Rottum, gemeente De Fryske Marren (hierna gezamenlijk en in enkelvoud: [appellant]),

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 8 mei 2019 in zaak nr. 18/1857 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van De Fryske Marren.

Procesverloop

Bij besluit van 2 mei 2018 heeft het college, nadat de gemeenteraad van De Fryske Marren op 25 april 2018 een verklaring van geen bedenkingen heeft afgegeven, een omgevingsvergunning aan [appellant] verleend voor activiteiten in de paardenhouderij van [appellant] op het perceel [locatie] te Rottum (hierna: het perceel).

Bij uitspraak van 8 mei 2019 heeft de rechtbank het door [belanghebbende] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 2 mei 2018 vernietigd en het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

Bij besluit van 16 december 2019 heeft het college opnieuw een omgevingsvergunning aan [appellant] verleend.

[belanghebbende] heeft daartegen gronden ingediend.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[belanghebbende] en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 31 januari 2020, waar [appellant], vertegenwoordigd door [appellant A] en [gemachtigde], bijgestaan door mr. M. Bauman, advocaat te Leeuwarden, en het college, vertegenwoordigd door drs. A.J. Bremer, zijn verschenen. Verder is [belanghebbende], bijgestaan door mr. S.T. Bosch, rechtsbijstandverlener te Leeuwarden, ter zitting gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellant] exploiteert een paardenhouderij op het perceel. Oorspronkelijk ging het om een productiegerichte paardenhouderij. Op 28 april 2016 heeft [appellant] een omgevingsvergunning gevraagd voor het afwijken van het bestemmingsplan, omdat hij ter plaatse ook gebruiksgerichte activiteiten wil verrichten. Verder heeft hij vergunning gevraagd voor de legalisatie van vier lichtmasten en een aanbouw.

    De ruimtelijke onderbouwing van DLV Advies van 15 juni 2016 waarmee de vergunningaanvraag is aangevuld, maakt onderdeel uit van de vergunningaanvraag. Daarin is vermeld dat [appellant] een africhtingshal voor Friese paarden in gebruik heeft, maar dat een krimp wordt voorzien in de markt voor het fokken en trainen van Friese paarden. In verband hiermee wil [appellant] de basis onder het bedrijf verbreden, waarbij hij zich ook wil richten op pensionstalling en manegeactiviteiten. Daarbij is vermeld dat het merendeel van de activiteiten productiegericht zal blijven, bestaande uit het africhten, trainen en verkopen van (Friese) paarden, maar dat [appellant] daarnaast ook pensionstalling (5%), paardrijlessen (15%) en overige gebruiksgerichte activiteiten, zoals cursussen en clinics (5%), op het perceel wil verrichten. In het bestemmingsplan is een agrarische bestemming aan het perceel toegekend, waardoor gebruiksgerichte activiteiten niet zijn toegestaan. Daarom is hiervoor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan gevraagd, zo blijkt uit de ruimtelijke onderbouwing. Daarbij zijn de gevolgen van de gevraagde activiteiten voor de aspecten milieu, ecologie, verkeer en parkeren, archeologie en cultuurhistorie en water in kaart gebracht.

2.    Bij besluit van 2 mei 2018 heeft het college de gevraagde omgevingsvergunning verleend. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het verrichten van gebruiksgerichte activiteiten in de paardenhouderij in strijd is met het bestemmingsplan. Bij het verlenen van een vergunning voor dit gebruik heeft het college toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 3°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo). Dit betreft een zogenoemde vergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan.

3.    [belanghebbende] woont naast het perceel. Zij heeft bezwaar tegen het verrichten van gebruiksgerichte activiteiten in de paardenhouderij. [belanghebbende] stelt dat zij hiervan hinder ondervindt. Daarbij gaat het om licht- en geluidhinder en om overlast van verkeers- en parkeerbewegingen. Ook vreest zij voor een belemmering van de bedrijfsvoering op haar eigen perceel. Daarom heeft zij beroep ingesteld tegen de verlening van de omgevingsvergunning.

De aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de gemeenteraad bij het verlenen van een verklaring van geen bedenkingen voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan is uitgegaan van een onjuist uitgangspunt, omdat daarbij niet is onderkend dat de aanvraag ook betrekking heeft op een uitbreiding van de inrichting met 11 paardenboxen. Volgens de rechtbank beschikt [appellant] over een vergunning voor 67 paardenboxen en ziet de aanvraag in totaal op 78 paardenboxen. Daarom is geen verklaring van geen bedenkingen afgegeven als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) en was het college niet bevoegd om de omgevingsvergunning te verlenen, zo heeft de rechtbank geoordeeld.

    Verder heeft de rechtbank geoordeeld dat het college de aanvraag ten onrechte niet heeft getoetst aan het bestemmingsplan "Buitengebied Noord - 2017", dat na het indienen van de aanvraag in werking is getreden. Volgens de rechtbank staat niet vast dat de aangevraagde gebruiksgerichte activiteiten passen binnen dat bestemmingsplan. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het college de ruimtelijke gevolgen van de aangevraagde wijziging van het gebruik niet inzichtelijk heeft gemaakt.

    Ook op het punt van de lichtmasten acht de rechtbank het besluit tot vergunningverlening niet deugdelijk gemotiveerd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat niet duidelijk is voor welk soort lichtmasten vergunning is verleend, omdat de bij de omgevingsvergunning gevoegde brochure 'Blad Kompas verlichtingsmasten' uitgaat van een andere lichtsterkte dan in de ruimtelijke onderbouwing is vermeld.

    De rechtbank heeft het besluit tot het verlenen van de gevraagde omgevingsvergunning vernietigd en heeft het college opgedragen om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.

5.    [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

Het besluit van 16 december 2019

6.    Voordat uitspraak is gedaan op het hoger beroep van [appellant], heeft het college bij besluit van 16 december 2019 opnieuw een omgevingsvergunning aan [appellant] verleend. Dit besluit wordt, gelet op artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), gelezen in samenhang met artikel 6:19, eerste lid, van die wet, van rechtswege geacht onderwerp te zijn van dit geding. Dit betekent dat voor [belanghebbende] van rechtswege een beroep tegen dit besluit is ontstaan.

    Voor [appellant] is geen sprake van een beroep van rechtswege tegen dit nieuwe besluit, nu hij daarbij onvoldoende belang heeft. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat [appellant] desgevraagd heeft vermeld dat hij zich volledig kan verenigen met het nieuwe besluit.

7.    Het college heeft zich in het besluit van 16 december 2019 op het standpunt gesteld dat de gebruiksgerichte activiteiten waarvoor [appellant] vergunning heeft gevraagd, passen in het bestemmingsplan. Volgens het college is hiervoor dus toch geen omgevingsvergunning voor afwijken nodig. Wel heeft het college opnieuw omgevingsvergunning verleend voor de legalisatie van de vier lichtmasten en de aanbouw.

Relevante regelgeving en het bestemmingsplan

8.    De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.

9.    Op 28 juni 2017 heeft de gemeenteraad van De Fryske Marren het bestemmingsplan "Buitengebied Noord - 2017" vastgesteld (hierna: het bestemmingsplan). Dit plan is in werking getreden na het indienen van de aanvraag en vormde zowel bij de eerste als bij de tweede verlening van de omgevingsvergunning het toetsingskader. Tussen partijen is dit niet langer in geschil.

    In het bestemmingsplan is aan het perceel de bestemming "Bedrijf - Paardenhouderij" en de aanduiding "specifieke vorm van bedrijf - productiegerichte paardenhouderij" toegekend.

10.    Artikel 8.1 van de planregels luidt:

"De voor 'Bedrijf - Paardenhouderij' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. gebruiksgerichte paardenhouderijen;

b. voorzieningen behorende bij een gebruiksgerichte paardenhouderij, zoals een stapmolen, longeercirkel en buitenrijbaan;

c. productiegerichte paardenhouderij, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - productiegerichte paardenhouderij' […]."

11.    Artikel 1 van de planregels luidt:

"Begrippen

 […]

1.49 gebruiksgerichte paardenhouderij:

een paardenhouderij die op een bedrijfsmatige schaal wordt uitgeoefend, niet zijnde een productiegerichte paardenhouderij, en waar het houden en berijden van paarden primair gericht is op de recreatieve/sportieve beleving en waar het geven van instructie in ondergeschikte mate plaatsvindt;

[…]

1.81 manegebedrijf:

gebruiksgerichte paardenhouderij die is gericht op het bieden van paardrijdmogelijkheden (inclusief instructie) aan derden, al dan niet in combinatie met stallingsruimte voor paarden van derden en al dan niet met een horecavoorziening die is gericht op het verstrekken van dranken en etenswaren aan bezoekers van het manegebedrijf;

[…]

1.102 productiegerichte paardenhouderij:

grondgebonden paardenhouderij die is gericht op het fokken van paarden en het bieden van leefruimte aan opgroeiende paarden, eventueel in combinatie met (en daaraan ondergeschikte) trainingsfaciliteiten ten behoeve van de eigen gefokte paarden; […]."

Opbouw van het vervolg van deze uitspraak

12.    [appellant] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank. [belanghebbende] heeft gronden aangevoerd tegen het besluit van 16 december 2019.

    Bij beide betogen speelt de vraag of de door [appellant] aangevraagde gebruiksgerichte activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan.

Het college is er in het eerste besluit tot vergunningverlening van uitgegaan dat dit inderdaad het geval is. De rechtbank heeft dit besluit vernietigd. Volgens [appellant] heeft de rechtbank daarbij niet onderkend dat het gevraagde gebruik op het moment van de vergunningverlening al was toegestaan.

    In het besluit van 16 december 2019 heeft het college het standpunt ingenomen dat de door [appellant] aangevraagde gebruiksgerichte activiteiten in overeenstemming zijn met het bestemmingsplan. [belanghebbende] kan zich hiermee niet verenigen. Zij acht deze activiteiten strijdig met het bestemmingsplan.

13.    Omdat het bij beide betogen gaat om de beoordeling van dezelfde vergunningaanvraag en om de uitleg van hetzelfde bestemmingsplan, zullen deze betogen hieronder eerst gezamenlijk worden beoordeeld.

    Daarbij betrekt de Afdeling het standpunt dat het college in het besluit van 16 december 2019 en in de schriftelijke uiteenzetting van 20 januari 2020 heeft ingenomen en dat het college ter zitting nader heeft toegelicht. Dit betreft het meest recente standpunt van het college over de uitleg van de vergunningaanvraag en van het bestemmingsplan.

    Verder is van belang dat [appellant] op 13 september 2019 een aanvullende ruimtelijke onderbouwing bij het college heeft ingediend. Dit stuk bevat een nadere toelichting op de aanvraag. Het gaat dus niet om een wijziging daarvan. De ruimtelijke onderbouwing van 13 september 2019 zal daarom ook worden betrokken bij de onderstaande beoordeling.

14.    De conclusie over de vraag of de aangevraagde activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan zal vervolgens onder afzonderlijke kopjes worden uitgewerkt bij de beoordeling van het hoger beroep van [appellant] en bij de beoordeling van de gronden die [belanghebbende] heeft aangevoerd tegen het besluit van 16 december 2019.

Zijn de aangevraagde activiteiten in strijd met het bestemmingsplan?

15.    [appellant] voert in het hogerberoepschrift aan dat het bestemmingsplan zowel een productiegerichte als een gebruiksgerichte paardenhouderij op zijn perceel mogelijk maakt. De activiteiten waarvoor op 28 april 2016 vergunning is gevraagd, zijn daarmee bij recht toegestaan, aldus [appellant]. Hij stelt daarbij dat de aanvraag voorziet in het 'geven van instructie in ondergeschikte mate', omdat de omzet die met het geven van paardrijlessen wordt behaald slechts 15% van de totale bedrijfsomzet betreft. Hiermee wordt volgens hem voldaan aan de definitie van een gebruiksgerichte paardenhouderij als bedoeld in artikel 1.49 van de planregels.

    Omdat het aangevraagde gebruik op het moment van de vergunningverlening planologisch was toegestaan, heeft de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte geoordeeld dat het college de ruimtelijke gevolgen van dit gebruik bij de vergunningverlening inzichtelijk had moeten maken. De gemeenteraad heeft dit gebruik immers al ruimtelijk aanvaardbaar geacht bij de vaststelling van het bestemmingsplan en heeft dit gebruik bij recht toegestaan. Daarom had het college geen ruimte meer om hierover een ander standpunt in te nemen en hoefde het college dus ook geen onderzoek meer te doen naar de ruimtelijke gevolgen van het aangevraagde gebruik, zo voert [appellant] aan.

16.    [belanghebbende] betoogt dat het door [appellant] aangevraagde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan. Zij voert aan dat de activiteiten op het perceel overwegend gebruiksgericht van aard zijn en dat het bedrijf zich naar de buitenwereld uitdrukkelijk manifesteert als een manegebedrijf als bedoeld in artikel 1.81 van de planregels.

    Verder betoogt zij dat niet wordt voldaan aan het criterium dat 'het geven van instructie in ondergeschikte mate plaatsvindt' als bedoeld in artikel 1.49 van de planregels. Een uitleg van het bestemmingsplan die erop neerkomt dat paardrijlessen op het perceel mogen worden gegeven in een omvang van 15% van het totaal aan bedrijfsactiviteiten, acht zij niet redelijk. Als paardrijlessen in een dergelijke omvang plaatsvinden, is volgens [belanghebbende] geen sprake van nevenactiviteiten die ondergeschikt zijn aan de hoofdbestemming. Zij acht het bovendien bezwaarlijk als de mate waarin paardrijlessen mogen worden gegeven, afhankelijk is gesteld van de omvang van de hoofdactiviteit, omdat hierdoor niet bij voorbaat kan worden vastgesteld in welke omvang het geven van de rijlessen is toegestaan.

17.    De Afdeling stelt voorop dat in deze procedure alleen de verleende omgevingsvergunningen in relatie tot de vergunningaanvraag ter beoordeling staan. Daarbij moet de vraag worden beantwoord of de aangevraagde activiteiten in strijd zijn met het bestemmingsplan.

    Voor zover [belanghebbende] aanvoert dat op het perceel feitelijk ook andere, niet in de aanvraag vermelde, activiteiten zullen worden verricht, betreft dit een kwestie van handhaving die in deze procedure niet aan de orde kan komen. Dit geldt ook voor de verwachting van [belanghebbende] dat [appellant] in de toekomst meer rijlessen zal gaan geven dan in de aanvraag is aangegeven.

18.    Zoals in overweging 9 is vermeld, heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan vastgesteld op 28 juni 2017.

    [belanghebbende] heeft destijds beroep ingesteld tegen het vaststellingsbesluit, omdat zij zich niet kon verenigen met de begripsomschrijving van een gebruiksgerichte paardenhouderij als bedoeld in artikel 1.49 van de planregels. De Afdeling heeft het dit beroep van [belanghebbende] bij uitspraak van 6 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:723, ongegrond verklaard.

18.1.    In de uitspraak van 6 maart 2019 heeft de Afdeling de bestemmingsregeling voor het perceel aldus uitgelegd dat ter plaatse zowel een productiegerichte als een gebruiksgerichte paardenhouderij is toegestaan. Dit betekent dat beide bedrijfsvormen daar mogen worden uitgeoefend, waarbij elke verhouding tussen deze bedrijfsvormen is toegestaan. Het bestemmingsplan staat er dus niet aan in de weg dat op het perceel alleen een productiegerichte paardenhouderij of alleen een gebruiksgerichte paardenhouderij als bedoeld in de planregels wordt uitgeoefend. Voor zover [belanghebbende] betoogt dat de aangevraagde activiteiten overwegend gebruiksgericht van aard zijn, geeft dat als zodanig dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is vereist.

18.2.    In de uitspraak van 6 maart 2019 heeft de Afdeling geoordeeld dat de gemeenteraad het geven van instructie (hierna: het geven van paardrijlessen) in ondergeschikte mate aanvaardbaar heeft kunnen achten bij een gebruiksgerichte paardenhouderij. Als gevolg van deze uitspraak is de begripsbepaling van een gebruiksgerichte paardenhouderij, in artikel 1.49 van de planregels, onherroepelijk geworden.

    Het college stelt zich op het standpunt dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat in een gebruiksgerichte paardenhouderij stallingsruimte mag worden geboden voor paarden van derden, waarbij deze paarden ook mogen worden bereden. De Afdeling acht deze uitleg van de genoemde bepaling niet onjuist.

    Uit de aanvraag blijkt dat [appellant] onder meer pensionstalling op het perceel wil aanbieden. In zoverre gaat het, gezien het voorgaande, om gebruik dat binnen de begripsbepaling van een gebruiksgerichte paardenhouderij valt en dat ter plaatse is toegestaan zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is vereist. Daarbij is, zoals uit overweging 18.1 blijkt, niet van belang in welke omvang die activiteit zal plaatsvinden ten opzichte van de productiegerichte activiteiten.

18.3.    Verder blijkt uit de aanvraag dat [appellant] voornemens is om cursussen en clinics te geven. Uit de bij de aanvraag gevoegde omschrijving van het bedrijf blijkt dat het bij deze vormen van educatie onder meer gaat om het bieden van stageplaatsen, het verzorgen van cursussen en/of rondleidingen in samenwerking met of in opdracht van het Koninklijk Friesch Paarden Stamboek en om trainingen voor fokkerij-/studieclubs uit het binnen- en buitenland. Ter zitting heeft [appellant] toegelicht dat deze activiteiten met name verband houden met de productiegerichte activiteiten op het bedrijf, waarbij de activiteiten gedeeltelijk op het eigen perceel plaatsvinden, maar waarbij ook trainingen in het buitenland worden gegeven. Voor het overige gaat het volgens [appellant] om cursussen en clinics die samenhangen met gebruiksgerichte activiteiten, anders dan het geven van rijlessen.

    Gelet hierop gaat het naar het oordeel van de Afdeling in zoverre om gebruik dat binnen de begripsbepalingen van een productiegerichte of een gebruiksgerichte paardenhouderij valt en dat ter plaatse is toegestaan zonder dat daarvoor een omgevingsvergunning voor afwijken is vereist.

18.4.    De vraag die partijen met name verdeeld houdt, is of de door [appellant] ingediende aanvraag voldoet aan artikel 1.49 van de planregels, voor zover daarin is bepaald dat het geven van paardrijlessen in ondergeschikte mate mag plaatsvinden.

    Blijkens de overwegingen van het besluit van 16 december 2019 en de nadere toelichting die het college ter zitting heeft gegeven, heeft het college bij de uitleg van deze bepaling het uitgangspunt gehanteerd dat sprake is van ondergeschiktheid als het aandeel van de paardrijlessen niet meer bedraagt dan 15%.

    Wat [belanghebbende] heeft aangevoerd, geeft geen grond voor het oordeel dat het college daarmee een onjuiste maatstaf heeft aangehouden. Dat bij een dergelijke benadering in absolute zin niet vaststaat hoeveel rijlessen ter plaatse mogelijk zijn, omdat het gaat om een percentage dat is gerelateerd aan de overige activiteiten, is inherent aan een planregeling waarbij een activiteit in ondergeschikte mate aan de hoofdactiviteiten mag plaatsvinden. [belanghebbende] wijst er terecht op dat de precieze verhouding tussen de verschillende soorten activiteiten niet bij voorbaat inzichtelijk is voor derden als bij het bepalen van de verhouding ook omzetgegevens worden betrokken. Dit neemt echter niet weg dat het bevoegd gezag bij het toezicht op de naleving wel over de hiervoor benodigde gegevens kan beschikken en dat het bevoegd gezag hierover in een eventuele handhavingsprocedure een gemotiveerd standpunt zal moeten innemen.

18.5.    Het college stelt zich op het standpunt dat het aandeel rijlessen, in een omvang zoals die in de aanvraag is beschreven, niet meer dan 15% van het totaal aan bedrijfsactiviteiten bedraagt. Daarbij heeft het college onder meer gekeken naar de bedrijfsomzet. Daarnaast heeft college gekeken naar het aantal fte dat op het totale personeelsbestand voor rijlessen wordt ingezet en naar de gemiddelde stalbezetting.

    De Afdeling acht dit op zichzelf niet onredelijk. Zoals [belanghebbende] echter terecht naar voren heeft gebracht, kan bij het beoordelen van de ondergeschiktheid van deze activiteit daarnaast ook betekenis toekomen aan de ruimtelijke uitstraling van de verschillende activiteiten die op het perceel worden verricht. Hierover overweegt de Afdeling dat [belanghebbende] ter zitting heeft verklaard dat zij met name hinder ondervindt van de verkeersbewegingen van en naar de inrichting. Op grond van het verhandelde ter zitting acht de Afdeling echter aannemelijk dat een groot gedeelte van die verkeersbewegingen samenhangt met de in de aanvraag vermelde productiegerichte activiteiten, waarbij bezoekers het bedrijf aandoen voor onder meer het trainen of het bezichtigen van paarden, en het merendeel van de overige verkeersbewegingen is gerelateerd aan gebruiksgerichte activiteiten die niet zijn gericht op het geven van paardrijlessen.

    Verder heeft [appellant] ter zitting toegelicht dat zij geen rijlessen wil aanbieden op woensdag, zaterdag en zondag en dat het aandeel van de rijlessen niet meer bedraagt dan 12,5% van het totale aantal bedrijfsuren.

    Gelet op al deze omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, heeft het college zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de aanvraag voorziet in het geven van paardrijlessen in ondergeschikte mate.

19.    Uit het voorgaande volgt dat het aangevraagde gebruik vanaf de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bij recht op het perceel is toegestaan. De Afdeling komt daarom tot de conclusie dat voor dit gebruik geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is vereist. De gevolgen van deze conclusie zullen hieronder nader worden uitgewerkt.

Het hoger beroep van [appellant]

20.    Zoals in overweging 19 is geconcludeerd, is voor het aangevraagde gebruik geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan vereist. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Zij heeft aan de vernietiging van het besluit van 2 mei 2018 dan ook ten onrechte de overweging ten grondslag gelegd dat het college de ruimtelijke gevolgen van het aangevraagde gebruik inzichtelijk had moeten maken. Zoals [appellant] terecht heeft aangevoerd, bestond daartoe geen aanleiding, omdat dit gebruik in het bestemmingsplan bij recht is toegestaan. Gelet hierop slaagt dit betoog van [appellant].

Verklaring van geen bedenkingen van 25 april 2018

21.    [appellant] betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de gemeenteraad bij het verlenen van een verklaring van geen bedenkingen voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan is uitgegaan van een onjuist uitgangspunt. Volgens [appellant] heeft de gemeenteraad geen onjuiste gegevens aan zijn besluit ten grondslag gelegd. [appellant] voert daarbij aan dat de aanvraag niet voorziet in een uitbreiding van de inrichting met 11 paardenboxen.

21.1.    Zoals hiervoor is geconcludeerd, is voor het aangevraagde gebruik geen omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan vereist. Dit betekent dat een verklaring van geen bedenkingen als bedoeld in artikel 6.5, eerste lid, van het Bor evenmin noodzakelijk was. De rechtbank heeft de vernietiging van het besluit daarom ten onrechte mede gebaseerd op de overweging dat de verlening van de verklaring van geen bedenkingen door de gemeenteraad gebreken vertoont. Dit betoog van [appellant] slaagt alleen hierom al.

De lichtmasten

22.    [appellant] betoogt ten slotte dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het besluit op het punt van de lichtmasten niet deugdelijk is gemotiveerd. [appellant] voert hiertoe aan dat de vergunning is verleend conform de ruimtelijke onderbouwing van 15 juni 2016. De door de rechtbank genoemde brochure, waarin andere lichtmasten zijn vermeld, is daarom niet relevant. Verder stelt [appellant] dat de vergunde lichtmasten geen hinder veroorzaken bij de woning van [belanghebbende], gelet op de bebouwing die aanwezig is tussen die woning en de lichtmasten.

22.1.    In de ruimtelijke onderbouwing is vermeld dat vier lichtmasten op het perceel aanwezig zijn, waarvoor geen omgevingsvergunning is verleend en die niet zijn toegestaan op grond van het bestemmingsplan. Deze lichtmasten hebben een hoogte van 8 meter en een lichtsterkte van 150 lux. Volgens de ruimtelijke onderbouwing worden deze lichtmasten alleen tijdens de herfst- en wintermaanden gebruikt en vindt dit gebruik bovendien slechts plaats als er buiten wordt gereden. In dat geval worden de lichtmasten maximaal tot 22.00 uur gebruikt. Verder staan de lichtmasten ten opzichte van de omliggende woningen achter bestaande bebouwing, zo kan uit de ruimtelijke onderbouwing worden afgeleid.

    Gelet op het in de ruimtelijke onderbouwing omschreven gebruik van de lichtmasten en mede gezien de plaats van de lichtmasten, de lichtsterkte daarvan en het feit dat de lichtmasten zijn voorzien van lichtkappen, heeft het college zich in zijn besluit van 2 mei 2018 op het standpunt gesteld dat de lichtmasten geen onevenredige hinder voor de omgeving met zich brengen. Dit standpunt is gemotiveerd en is bovendien niet onredelijk. Daarbij heeft het college ter toelichting nog gewezen op een luxwaardendiagram dat is opgenomen in de brochure 'Blad Kompas verlichtingsmasten'. Deze brochure maakt echter geen onderdeel uit van de aanvraag. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Gelet hierop slaagt ook dit betoog van [appellant]. Daarbij wijst de Afdeling er overigens nog op dat [belanghebbende] heeft aangegeven dat zij geen hinder ondervindt van de lichtmasten.

Conclusie

23.    Uit het voorgaande volgt dat de betogen van [appellant] tegen de aangevallen uitspraak terecht zijn voorgedragen. Deze betogen leiden echter niet tot een vernietiging van die uitspraak. De rechtbank heeft het besluit van 2 mei 2018 immers terecht vernietigd, omdat het besluit voorziet in de verlening van een omgevingsvergunning voor het buitenplans afwijken van het bestemmingsplan, terwijl een dergelijke vergunning voor het aangevraagde gebruik niet was vereist. Het hoger beroep van [appellant] richt zich tegen de door de rechtbank uitgesproken vernietiging van het besluit en is daarom ongegrond. Gelet hierop moet de aangevallen uitspraak, met een verbetering van de gronden waarop deze rust, worden bevestigd.

24.    Uit het voorgaande volgt dat het college gehouden was om een nieuw besluit te nemen op de vergunningaanvraag.

Gronden van [belanghebbende] tegen het besluit van 16 december 2019

25.    Zoals eerder in deze uitspraak is overwogen, heeft het college, gevolg gevend aan de aangevallen uitspraak, opnieuw op de aanvraag beslist in het besluit van 16 december 2019. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het aangevraagde gebruik past in het bestemmingsplan, zodat daarvoor geen omgevingsvergunning voor afwijken is vereist.

    [belanghebbende] heeft hiertegen gronden aangevoerd, waarbij zij in de eerste plaats betoogt dat het aangevraagde gebruik in strijd is met het bestemmingsplan.

25.1.    Zoals in overweging 19 is geoordeeld, is het aangevraagde gebruik vanaf de inwerkingtreding van het bestemmingsplan bij recht op het perceel is toegestaan. Het college heeft zich in zijn besluit van 16 december 2019 dan ook terecht op het standpunt gesteld dat voor dit gebruik geen omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan vereist. Dit betekent dat het hiertegen gerichte betoog van [belanghebbende], dat in overweging 16 is weergegeven, niet slaagt.

De aanbouw

26.    [belanghebbende] betoogt verder dat het college in het besluit van 16 december 2019 ten onrechte een omgevingsvergunning heeft verleend voor het plaatsen van een aanbouw op het perceel. [belanghebbende] stelt dat de bebouwing op het perceel niet mag worden uitgebreid. Daarom betwijfelt zij of het college hiervoor vergunning had mogen verlenen. Verder kan zij zich niet verenigen met het gebruik van een deel van de aanbouw als quarantainebox.

26.1.    Bij het besluit van 16 december 2019 heeft het college omgevingsvergunning verleend voor de bouw van een aanbouw met een oppervlakte van 47,61 m2.

    De bouw van een dergelijk bouwwerk is in strijd met artikel 8.2.1, onder c, van de regels van het bestemmingsplan. Die bepaling, die is weergegeven in de bijlage bij deze uitspraak, staat in de weg aan het uitbreiden van de bestaande bebouwing op het perceel.

    Om de bouw van de aanbouw mogelijk te maken, heeft het college een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan verleend, waarbij het college toepassing heeft gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1°, van de Wabo, bezien in samenhang met artikel 8.4.2 van de planregels. Ook die bepaling is weergegeven in de bijlage bij deze uitspraak.

26.2.    De beslissing om al dan niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1º, van de Wabo een omgevingsvergunning te verlenen voor een project dat in strijd is met een bestemmingsplan, is een bevoegdheid van het college. Gelet op de aanhef van artikel 2.12, eerste lid, mag de activiteit niet in strijd zijn met een goede ruimtelijke ordening.

    Het college heeft beleidsruimte bij de beslissing of het gebruik maakt van zijn bevoegdheid om af te wijken van het bestemmingsplan. De bestuursrechter toetst of het college bij een afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen (vergelijk de uitspraak van 12 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4079).

26.3.    Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag voldoet aan de in artikel 8.4.2 van de planregels gestelde voorwaarden en dat het verlenen van een omgevingsvergunning voor de aanbouw niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij heeft het college overwogen dat de aanbouw tussen de percelen [locatie 1] en [locatie 2] ligt en dat deze nauwelijks zichtbaar is vanaf de openbare weg. Verder stelt het college zich op het standpunt dat met het gebruik van de in de aanbouw voorziene stalruimte als ziekenboeg, waarbij een paard dat wordt verdacht van een besmettelijke ziekte wordt geïsoleerd, geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, zoals is voorgeschreven in artikel 8.4.2 van de planregels. Daarbij heeft het college van belang geacht dat de desbetreffende stalruimte op een afstand van meer dan 50 meter van de dichtstbijzijnde woning van derden ligt.

    [belanghebbende] heeft dit standpunt van het college dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie niet, althans niet gemotiveerd, bestreden. Blijkens het verhandelde ter zitting vreest zij dat haar eigen paarden kunnen worden besmet door een paard dat in de quarantainestal wordt gestald. [appellant] heeft ter zitting evenwel toegelicht dat die vrees niet gegrond is, gezien de afstand tussen de quarantainestal en het deel van het perceel van [belanghebbende] waarop paarden staan, gezien de aanwezigheid van een erfafscheiding met een hoogte van 2 meter tussen de beide percelen en gelet op de wijze waarop de verspreiding van paardenziekten plaatsvindt. [belanghebbende] heeft deze toelichting niet bestreden. Gelet hierop ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat het college geen omgevingsvergunning had mogen verlenen voor de bouw van de aanbouw.

Conclusie

27.    Gelet op het voorgaande is het beroep van [belanghebbende] dat van rechtswege is ontstaan tegen het besluit van 16 december 2019 ongegrond.

Proceskosten

28.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    verklaart het beroep van [belanghebbende] tegen het besluit van 16 december 2019 ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.I. Breunese-van Goor, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020

208.

BIJLAGE

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2.1

1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […].

Artikel 2.10

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, wordt de omgevingsvergunning geweigerd indien:

[…]

c. de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan, de beheersverordening of het exploitatieplan, of de regels die zijn gesteld krachtens artikel 4.1, derde lid, of 4.3, derde lid, van de Wet ruimtelijke ordening, tenzij de activiteit niet in strijd is met een omgevingsvergunning die is verleend met toepassing van artikel 2.12;

[…].

2. In gevallen als bedoeld in het eerste lid, onder c, wordt de aanvraag mede aangemerkt als een aanvraag om een vergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, en wordt de vergunning op de grond, bedoeld in het eerste lid, onder c, slechts geweigerd indien vergunningverlening met toepassing van artikel 2.12 niet mogelijk is.

Artikel 2.12

1. Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en:

a. indien de activiteit in strijd is met het bestemmingsplan of de beheersverordening:

1°. met toepassing van de in het bestemmingsplan of de beheersverordening opgenomen regels inzake afwijking,

2°. in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen, of

3°. in overige gevallen, indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.

Besluit omgevingsrecht

Artikel 6.5

1. Voor zover een aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet, wordt de omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3°, van de wet wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, niet verleend dan nadat de gemeenteraad van de gemeente waar het project geheel of in hoofdzaak zal worden of wordt uitgevoerd, heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft, tenzij artikel 3.2, aanhef en onder b, van dit besluit of artikel 3.36 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing is.

2. De verklaring kan slechts worden geweigerd in het belang van een goede ruimtelijke ordening.

[…].

Bestemmingsplan "Buitengebied Noord - 2017"

8.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

[…]

c. de oppervlakte van de gebouwen (exclusief bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken bedraagt niet meer dan de bestaande oppervlakte;

[…].

Artikel 8.4.2 Uitbreiding bedrijfsgebouwen

Het college van burgemeester en wethouders kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 8.2.1, sub c, voor de uitbreiding van een bestaand, niet aan het beheer, onderhoud of productievermogen van het landelijk gebied gebonden bedrijf tot maximaal 50% van het bestaande bebouwde oppervlak (exclusief bedrijfswoning met bijbehorende bouwwerken), gerekend vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, mits:

a. er bij de verlening van de omgevingsvergunning overeenstemming is over de landschappelijke inpassing van de bedrijfsgebouwen en de uitvoering en instandhouding van de landschappelijke inpassing is gewaarborgd;

b. is aangetoond dat geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de lichtuitstoot, de verkeerssituatie, de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, de woonsituatie, de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en de ontwikkelingsmogelijkheden van nabijgelegen bedrijven.