Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:919

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
201904010/1/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 maart 2018 heeft de beleidsadviseur parkeren [appellante] laten weten dat zij niet in aanmerking komt voor een digitale bezoekersregeling voor parkeren in de Lichtstraat in Eindhoven. Bewoners van de gemeente Eindhoven kunnen in aanmerking komen voor een digitale bezoekersregeling, waarmee bezoekers op straat kunnen parkeren tegen een lager tarief (de bezoekerspas). Zij moeten dan zelf beschikken over een bewonersvergunning. [wederpartij] woont in Eindhoven op het adres [locatie]. Haar appartement ligt in een wooncomplex, genaamd De Ridder. Onder het wooncomplex is een parkeergarage. [wederpartij] heeft bij het college een bezoekerspas aangevraagd. Het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven heeft deze aanvraag afgewezen, omdat ingevolge artikel 5 van het Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren oktober 2018 geen vergunningen of ontheffingen worden uitgegeven in de Lichtstraat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904010/1/A3.
Datum uitspraak: 1 april 2020

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2019 in zaak nr. 18/2787 in het geding tussen:

[wederpartij], wonend te Eindhoven,

en

het college.

Procesverloop

Bij besluit van 9 maart 2018 heeft de beleidsadviseur parkeren [wederpartij] laten weten dat zij niet in aanmerking komt voor een digitale bezoekersregeling voor parkeren in de Lichtstraat in Eindhoven.

Bij besluit van 12 oktober 2018 heeft het college het door [wederpartij] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard, het bevoegdheidsgebrek hersteld en het besluit van 9 maart 2018 verder in stand gelaten.

Bij uitspraak van 16 april 2019 heeft de rechtbank het door [wederpartij] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 12 oktober 2018 vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit op het bezwaar te nemen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[wederpartij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

Bij besluit van 25 juni 2019 heeft het college een nieuw besluit op het bezwaar genomen. Het heeft het bezwaar gegrond verklaard en een bezoekerspas verleend aan [wederpartij].

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 november 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. T.I. van Term en M. Bosveld, en [wederpartij] zijn verschenen.

Overwegingen

1. De relevante regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van de uitspraak.

2. Bewoners van de gemeente Eindhoven kunnen in aanmerking komen voor een digitale bezoekersregeling, waarmee bezoekers op straat kunnen parkeren tegen een lager tarief (de bezoekerspas). Zij moeten dan zelf beschikken over een bewonersvergunning.

3. [ wederpartij] woont in Eindhoven op het adres [locatie]. Haar appartement ligt in een wooncomplex, genaamd De Ridder. Onder het wooncomplex is een parkeergarage. [wederpartij] heeft bij het college een bezoekerspas aangevraagd. Het college heeft deze aanvraag afgewezen, omdat ingevolge artikel 5 van het Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren oktober 2018 (hierna: het AUP) geen vergunningen of ontheffingen worden uitgegeven in de Lichtstraat. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college niet voldoende heeft gemotiveerd waarom bewoners van De Ridder niet in aanmerking komen voor een bezoekerspas, terwijl bewoners van de Ventoseflat aan de Mathildelaan, die op ongeveer 300 meter van De Ridder staat, daarvoor wel in aanmerking komen.

4. Het college betoogt dat het dat wel voldoende heeft gemotiveerd. Met het parkeerbeleid wordt het gewenste parkeergedrag gestuurd en wordt gestimuleerd dat zoveel mogelijk mensen met ander vervoer dan met de auto naar het centrum van de stad komen. Daarom wordt terughoudend omgegaan met het faciliteren van bezoekerspassen. Bewoners van de Ventoseflat beschikken, anders dan bewoners van De Ridder, niet over parkeergelegenheid op eigen terrein. Zowel bewoners als bezoekers kunnen daarom niet op eigen terrein parkeren. Bij de bouw van De Ridder, 80 jaar later dan de Ventoseflat, is wel parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd, namelijk de parkeergarage. Daarbij is rekening gehouden met een parkeernorm. Deze norm bestaat uit zowel een gebruikers- als een bezoekersaandeel. Bij het bepalen van het aantal parkeerplaatsen in deze parkeergarage is dus ook rekening gehouden met het bezoek van de bewoners, aldus het college.

5. [ wederpartij] heeft het volgende aangevoerd. De Ridder en de Ventoseflat liggen ongeveer 300 meter bij elkaar vandaan. De gebouwen liggen allebei in de betaald parkeren zone 113, genaamd Witte Dame, in het centrum. Het beleid van het college om terughoudend om te gaan met bezoekerspassen geldt voor beide locaties. Beide gebouwen zijn ook goed met alternatief vervoer te bereiken. Het is feitelijk niet mogelijk om haar bezoek in de parkeergarage te laten parkeren. De parkeergarage heeft 486 parkeerplaatsen, die allemaal zijn verkocht of verhuurd. Daarnaast zijn er twee serviceparkeerplaatsen voor bedrijven die onderhoud komen doen. De parkeergarage is alleen toegankelijk met een parkeerzender, waarmee je één keer in en één keer uit de parkeergarage kan. Daarnaast is een sleutel nodig om van de parkeergarage naar de opgang van een wooncomplex te komen. Als [wederpartij] haar bezoek in de parkeergarage laat parkeren, moet zij haar eigen auto op de openbare weg parkeren en daarvoor het normale uurtarief betalen.

6. De Afdeling oordeelt als volgt. Het college mag een onderscheid maken tussen bewoners van de Ventoseflat en bewoners van De Ridder als hun situatie niet gelijk is. In dit geval is de situatie van de bewoners niet gelijk. De Ventoseflat en De Ridder zijn in een andere periode gebouwd. In deze periode is het beleid over parkeren in de stad veranderd. Het uitgangspunt is parkeren op eigen terrein. Bij het vergunnen van nieuwe bouwprojecten eist het college dat er voldoende parkeergelegenheid is op eigen terrein en dat daarbij de parkeernorm in acht wordt genomen. De Ridder heeft, conform het beleid dat gold toen het werd gebouwd, parkeergelegenheid op eigen terrein, namelijk onder het gebouw. De Ventoseflat heeft geen parkeergelegenheid op eigen terrein. Er zijn daar weliswaar garageboxen, maar - zoals het college duidelijk heeft uitgelegd - zijn die vanwege het jaar waarin zij zijn gebouwd te klein om als parkeergelegenheid op eigen terrein mee te rekenen. Dat zij te klein zijn, volgt uit artikel 21, tweede lid, onder c, van het AUP. Alleen al omdat De Ridder wel over parkeergelegenheid op eigen terrein beschikt en de Ventoseflat niet, is er geen sprake van gelijke gevallen. Dat het, zoals [wederpartij] heeft aangevoerd, feitelijk niet mogelijk is om haar bezoek in de parkeergarage te laten parkeren, is een gevolg van gemaakte keuzes en maakt niet dat de situatie gelijk is aan die van de Ventoseflat. Het college heeft daarom voldoende gemotiveerd waarom bewoners van de Ventoseflat wel in aanmerking komen voor een bezoekerspas en bewoners van De Ridder niet. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

Het betoog slaagt.

7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van 12 oktober 2018 van het college alsnog ongegrond verklaren.

8. Bij besluit van 25 juni 2019 is aan [wederpartij] alsnog een bezoekerspas verleend. Nu dit besluit is genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank, is door de vernietiging van die uitspraak de grondslag aan dat besluit komen te ontvallen. Daarom zal de Afdeling dat besluit vernietigen. Dit betekent dat [wederpartij] geen recht meer heeft op een bezoekerspas.

9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 16 april 2019 in zaak nr. 18/2787;

III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep ongegrond;

IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven van 25 juni 2019, kenmerk BZ-19-0780-001.

Aldus vastgesteld door mr. A.W.M. Bijloos, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, griffier.

w.g. Bijloos

voorzitter

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020

280-851.

BIJLAGE

Aanwijsbesluit en uitwerkingsbesluit parkeren oktober 2018

Artikel 5

[…].

Betaald parkeren is ingevoerd in de straten:

Er worden geen vergunningen of ontheffingen uitgegeven in hiervoor genoemde straten, met uitzondering van hulpverlenersvergunningen.

Artikel 7

[…].

Lid 8. 113 Witte Dame

a. Betaald parken is ingevoerd in de straten:

b. Voor een parkeervergunning in gebied Witte Dame komen in aanmerking de bewoners en bedrijven van de straat:

• […];

• Mathildelaan (oneven 3 t/m 75).

c. Bewoners kunnen een digitale bezoekersregeling aanvragen.

Artikel 11. Bewonersvergunning

1. Een bewonersvergunning kan worden verleend aan de houder van een motorrijtuig die bewoner is van een zelfstandige woning (straat + huisnummer), gelegen in een vergunninggebied of betaald parkeren gebied.

[…].

7. Indien de zelfstandige woning beschikt over eigen parkeervoorziening wordt deze parkeervoorziening afgetrokken van het maximaal aantal te verkrijgen vergunningen. Onder een eigen parkeervoorziening wordt verstaan zoals beschreven in artikel 21.

[…].

Artikel 19

1. Bewoners die in aanmerking komen voor een bewonersvergunning in de gebieden waar sprake is van betaald parkeren, komen in aanmerking voor een digitale bezoekersregeling.

[…].

Artikel 21 Parkeerplaats op eigen terrein (POET)

1. Onder een parkeerplaats op eigen terrein (POET) wordt verstaan:

[…];

b. een parkeerplaats -huur of koop- op het terrein of in de garage van een complex waarvan de bouwvergunning, omgevingsvergunning, de huur- of koopovereenkomst, splitsingsakte of de erfpachtvoorwaarden is vastgelegd dat deze bedoeld is als parkeergelegenheid voor (onder andere) het adres van de aanvrager;

[…].

2. Een parkeerplaats wordt als parkeerplaats op eigen terrein beschouwd indien deze daarnaast voldoet aan de volgende voorwaarden:

a. Toegankelijkheid: de parkeerplaats dient te kunnen worden bereikt via een doorgang of toegang die minimaal 2,30 meter breed is;

b. Een oprit op eigen terrein met een minimale lengte van 5,5 meter en een minimale breedte van 2,5 meter;

c. Een parkeerplaats voor meerdere voertuigen op een terrein of in een garage dient per parkeervak ten minste 2,25 meter breed en minimaal 5,00 meter lang te zijn;

[…].