Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:899

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
201905087/1/A2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 28 mei 2019 heeft de rechtbank het college van burgemeester en wethouders van Deventer op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500,00 aan [appellant sub 2]. De rechtbank heeft daarnaast het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 26 september 2018 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, omdat daarin geen schadevergoeding aan [appellant sub 2] is toegekend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/183
BR 2020/52 met annotatie van S.E.A. Groeneveld, S.M. Schipper
JBP 2020/59 met annotatie van Baas, J.A.N., Groen, L.A.
AB 2020/308 met annotatie van L.M. Koenraad, C.N.J. Kortmann
Computerrecht 2020/184 met annotatie van L. van Sloten
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905087/1/A2.

Datum uitspraak: 1 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1. het college van burgemeester en wethouders van Deventer,

2. [appellant sub 2]

appellanten,

tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 mei 2019 in zaak nr. 18/2047 in het geding tussen:

[appellant sub 2]

en

het college.

Procesverloop

Bij uitspraak van 28 mei 2019 heeft de rechtbank het college op grond van artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500,00 aan [appellant sub 2]. De rechtbank heeft daarnaast het beroep van [appellant sub 2] tegen het besluit van 26 september 2018 gegrond verklaard en dit besluit vernietigd, omdat daarin geen schadevergoeding aan [appellant sub 2] is toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft het college hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 januari 2019, waar het college, vertegenwoordigd door mr. W.J.R. Krol en mr. L. Schieving, en [appellant sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Aan het eind van deze uitspraak (onder 41) zal de Afdeling aangeven wat deze uitspraak meer algemeen betekent en wat in deze zaak wordt beslist.

Toepasselijk recht

2.    Op 25 mei 2018 is Verordening 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (de Algemene Verordening Gegevensbescherming, hierna: AVG) van toepassing geworden. De AVG is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat (artikel 99, derde lid, van de AVG). De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) is op 25 mei 2018 ingetrokken. De AVG heeft onmiddellijke werking en bevat geen overgangsrecht voor de behandeling van een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 82 van de AVG. Het overgangsrecht in artikel 48, tiende lid, van de Uitvoeringswet AVG is in dit geval niet van toepassing.

3.    Voor wat betreft het verzoek om schadevergoeding is de AVG van toepassing. [appellant sub 2] heeft op 26 oktober 2018, dus na de inwerkingtreding van de AVG, de rechtbank verzocht het college te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding.

4.    Artikel 82 van de AVG luidt als volgt:

1.    Eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade.

2.    Elke verwerkingsverantwoordelijke die bij verwerking is betrokken, is aansprakelijk voor de schade die wordt veroorzaakt door verwerking die inbreuk maakt op deze verordening. Een verwerker is slechts aansprakelijk voor de schade die door verwerking is veroorzaakt wanneer bij de verwerking niet is voldaan aan de specifiek tot verwerkers gerichte verplichtingen van deze verordening of buiten dan wel in strijd met de rechtmatige instructies van de verwerkingsverantwoordelijke is gehandeld.

Voorgeschiedenis

5.    [appellant sub 2] heeft op 27 juli 2017 op basis van artikel 35 van de Wbp het college verzocht hem een begrijpelijk en volledig overzicht van zijn verwerkte persoonsgegevens te verstrekken, met daarin een omschrijving van het doel of de doeleinden van de verwerking, alsmede een lijst van alle ontvangers.

6.    Bij besluit van 24 augustus 2017 heeft het college een overzicht verstrekt van verwerkte persoonsgegevens in het postregistratiesysteem van de gemeente Deventer. Het college heeft verder verklaard geen persoonsgegevens op het forum van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) te hebben geplaatst en in zoverre geen persoonsgegevens te hebben verwerkt.

7.    In bezwaar heeft [appellant sub 2] aangevoerd dat het college niet volledig is tegemoetgekomen aan het inzageverzoek. Daartoe heeft hij gesteld dat op 20 augustus 2013 een ambtenaar van de gemeente een e-mail heeft gestuurd aan andere gemeenten met daarin persoonsgegevens van [appellant sub 2] naar aanleiding van door [appellant sub 2] ingediende Wob-verzoeken. Deze e-mail maakte geen onderdeel uit van het aan hem verstrekte overzicht van verwerkte persoonsgegevens.

8.    Het college heeft bij besluit van 19 januari 2018 het bezwaar ongegrond verklaard.

9.    De rechtbank heeft in een uitspraak van 18 juli 2018 vastgesteld dat in de e-mail van 20 augustus 2013 persoonsgegevens van [appellant sub 2] (naam en woonplaats) zijn vermeld. [appellant sub 2] heeft geen toestemming verleend voor de doorzending van zijn persoonsgegevens als bedoeld in artikel 8 onder a van de Wbp. Het college heeft niet onderbouwd dat de gegevensverwerking noodzakelijk was voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak. Volgens de rechtbank had het college de andere bestuursorganen kunnen informeren zonder de naam en woonplaats van [appellant sub 2] te vermelden. Het college heeft met de doorzending van de persoonsgegevens de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit geschonden, aldus de rechtbank.

De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 19 januari 2018 vernietigd en het college opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Hierbij dient het college de vraag te betrekken in hoeverre er aanleiding bestaat [appellant sub 2] een schadevergoeding toe te kennen.

10.    Bij besluit van 26 september 2018 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 24 augustus 2017 alsnog gegrond verklaard en dit besluit herroepen. Het college heeft het verzoek om schadevergoeding van [appellant sub 2] afgewezen.

Uitspraak van de rechtbank van 28 mei 2019

11.    De rechtbank heeft overwogen dat het besluit van 19 januari 2018 wegens onrechtmatigheid is vernietigd in de uitspraak van 18 juli 2018. Het college heeft geen hoger beroep ingesteld tegen die uitspraak, zodat dit oordeel in rechte vaststaat. Het geschil in beroep  is beperkt tot de vraag of [appellant sub 2] aanspraak kan maken op immateriële schadevergoeding, aldus de rechtbank.

12.    Naar het oordeel van de rechtbank laat toepassing van artikel 82 van de AVG onverlet dat voor de toekenning van schadevergoeding aansluiting mag en moet worden gezocht bij het Nederlands rechtsstelsel. Titel 8.4 van de Awb en de - op het civiele schadevergoedingsrecht gebaseerde - jurisprudentie van de hoogste Nederlandse bestuursrechters bieden voldoende grondslag voor de bestuursrechter om te beslissen op het verzoek om schadevergoeding van [appellant sub 2].

13.    Naar het oordeel van de rechtbank is [appellant sub 2] als gevolg van het onrechtmatige besluit in zijn persoon aangetast, omdat hij de controle over zijn persoonsgegevens heeft verloren. Volgens de rechtbank heeft [appellant sub 2] op grond van artikel 82 van de AVG in samenhang met artikel 6:106 van het BW recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding. Voor het vaststellen van de hoogte van die vergoeding acht de rechtbank van belang dat in het onrechtmatige besluit geen rechtvaardiging is gegeven voor de verwerking van de persoonsgegevens van [appellant sub 2]. De rechtbank wijst verder op de overwegingen 75, 85 en 146 van de considerans van de AVG.

14.    De rechtbank heeft het college veroordeeld tot het betalen van een vergoeding van € 500,00 aan [appellant sub 2] als immateriële schade.

Hoger beroep van het college

15.    Het college betoogt in hoger beroep dat de rechtbank heeft miskend dat er geen causaal verband is tussen het onrechtmatige besluit van 19 januari 2018 en de gestelde schade. Het door [appellant sub 2] gestelde verlies van controle over zijn persoonsgegevens is het gevolg van de verzending van de e-mail van 20 augustus 2013 en niet van het besluit van 19 januari 2018, waarin niet volledig is tegemoetgekomen aan het verzoek van [appellant sub 2] om een overzicht van zijn verwerkte persoonsgegevens te verstrekken. De verzending van de e-mail is een feitelijke handeling en moet worden onderscheiden van het ten onrechte geen melding maken van de verzending ervan. De bestuursrechter is, gelet op artikel 8:88 van de Awb, niet bevoegd te oordelen over schade als gevolg van feitelijk handelen. Het college wijst in dit verband op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 27 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4265, en een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 15 november 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:5430.

16.    Het college betoogt voorts, voor het geval de Afdeling de rechtbank wel bevoegd acht te oordelen over het verzoek om schadevergoeding, dat de rechtbank een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Het college wijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, waaruit volgt dat degene die zich beroept op aantasting van de persoon dit met concrete gegevens moet onderbouwen. In de e-mail van 20 augustus 2013 is alleen de naam van [appellant sub 2] en zijn woonplaats vermeld en zijn 44 ambtenaren geïnformeerd over de omstandigheid dat [appellant sub 2] twee Wob-verzoeken heeft ingediend bij de gemeente Deventer. Daarbij is niet vermeld waar deze verzoeken inhoudelijk op zien en is alleen beschreven hoe deze verzoeken verder intern zijn behandeld. [appellant sub 2] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de nadelige gevolgen daarvan zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen, aldus het college.

Incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2]

17.    [appellant sub 2] betoogt in hoger beroep dat de door de rechtbank toegekende schadevergoeding van € 500,00 onvoldoende recht doet aan de tekst en strekking van de AVG. Het college heeft zijn persoonsgegevens (naam en woonplaats) zonder toestemming of grondslag gedeeld in de e-mail van 20 augustus 2013. Daarmee heeft het college zijn persoonsgegevens ‘vogelvrij’ verklaard. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, is de schadevergoeding onder deze omstandigheden onvoldoende billijk. [appellant sub 2] acht een toekenning van € 7.500,00 redelijk, gelet op de ruime definitie van schade onder de AVG. Een schadevergoeding van € 500,00 is voor een bestuursorgaan onvoldoende afschrikwekkend om niet tot onrechtmatige gegevensverwerking over te gaan. Het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:37, waarnaar de Hoge Raad in het arrest van 19 juli 2019 verwijst, heeft voor deze zaak maar beperkte betekenis. In dit arrest geeft de Hoge Raad weliswaar uitleg aan artikel 6:106 BW, maar dit arrest bevat geen enkele verwijzing naar de AVG, aldus [appellant sub 2].

Oordeel Afdeling

Artikel 8:88 Awb

18.    Het college heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van 18 juli 2018. In die uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit van 19 januari 2018 onrechtmatig is en heeft dit besluit vernietigd. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college [appellant sub 2] onvolledig heeft geïnformeerd over verstrekking van zijn persoonsgegevens in de e-mail van 20 augustus 2013. Daarnaast heeft de rechtbank uitdrukkelijk en zonder voorbehoud geoordeeld dat de verstrekking van persoonsgegevens onrechtmatig was. Omdat de uitspraak van de rechtbank van 18 juli 2018 gezag van gewijsde heeft gekregen, kan die uitspraak in deze procedure niet meer ter discussie worden gesteld. Dit heeft tot gevolg dat moet worden uitgegaan van de onrechtmatigheid van het besluit van 19 januari 2018. Anders dan het college betoogt, betekent dit ook dat de rechtbank alleen al hierom bevoegd was om op grond van artikel 8:88, eerste lid en onder a, van de Awb te beslissen op het verzoek om schadevergoeding van [appellant sub 2].

19.    Daarbij komt dat, zoals de Afdeling in de uitspraken van vandaag met nummers ECLI:NL:RVS:2020:898, ECLI:NL:RVS:2020:900 en ECLI:NL:RVS:2020:901 heeft overwogen, de bestuursrechter op grond van artikel 8:88 van de Awb bevoegd is te oordelen over een verzoek om schadevergoeding op grond van artikel 82 van de AVG in de gevallen waarin de gestelde schade verband houdt met een besluit als bedoeld in artikel 34 van de Uitvoeringwet AVG.

Ambtshalve oordeel

20.    [appellant sub 2] heeft in zijn beroepschrift en de daarbij behorende aanvullende informatie de rechtbank verzocht het college te veroordelen in de schade als gevolg van onrechtmatig handelen. De rechtbank heeft op grond van artikel 8:88 van de Awb beoordeeld of [appellant sub 2] aanspraak maakt op een schadevergoeding. De rechtbank heeft evenwel niet onderkend dat met de invoering van titel 8.4 in de Awb op grond van artikel 8:4, eerste lid, aanhef en onder f, van de Awb de mogelijkheid is vervallen om beroep in te stellen tegen een besluit inzake vergoeding van schade wegens onrechtmatig bestuurshandelen. Hieruit volgt dat de rechtbank ten onrechte het besluit van 26 september 2018 heeft vernietigd, voor zover het college daarin [appellant sub 2] geen schadevergoeding heeft toegekend. De uitspraak van de rechtbank komt in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank had het bij haar ingestelde beroep moeten aanmerken als een aan haar gericht verzoek het college te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding.

Beoordeling toepassing artikel 6:106 BW door de rechtbank

21.    Hoewel in artikel 82, eerste lid, van de AVG is vastgelegd dat er volledige vergoeding van de daadwerkelijke immateriële schade ten gevolge van inbreuken op de AVG moet plaats vinden op een wijze die recht doet aan de doelstellingen van de verordening, is in de AVG niet bepaald op welke wijze de immateriële schade moet worden vastgesteld en berekend. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is het bij gebrek aan communautaire regelgeving een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat om de regels vast te stellen voor de uitoefening van het recht op schadevergoeding, mits het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel in acht worden genomen (zie het arrest Manfredi, punt 64).

Wel dient bij de uitoefening van het recht op schadevergoeding, zoals neergelegd in artikel 82 AVG, rekening te worden gehouden met overweging 146 van de considerans van de AVG. Daarin is, onder meer, vermeld dat de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker alle schade moeten vergoeden die iemand kan lijden ten gevolge van een verwerking die inbreuk maakt op deze verordening. Het begrip schade moet ruim worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, op een wijze die ten volle recht doet aan de doelstellingen van deze verordening. Ook is vermeld dat betrokkenen een volledige en daadwerkelijke vergoeding van door hen geleden schade dienen te ontvangen.

22.    Het Hof van Justitie heeft nog geen uitleg gegeven aan specifiek het schadebegrip of over de vergoedbare immateriële schade bij een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens, ook niet onder de (ingetrokken) Privacyrichtlijn (Richtlijn 95/46/EG). Volgens vaste rechtspraak van het Hof geldt wel dat te vergoeden schade reëel en zeker moet zijn (vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van 4 april 2017, C- 337/15 P, Europese Ombudsman tegen Staelen, ECLI:EU:C:2017:256, punt 91).

23.    Met inachtneming van bovengenoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie en artikel 146 van de considerans, is het nationale recht dus van belang bij de beantwoording van de vraag of de gestelde schade voor vergoeding in aanmerking komt.

24.    Voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade wordt, volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4952), aansluiting gezocht bij het civiele schadevergoedingsrecht.

25.    Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek luidt:

Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:

[…]

b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast;

[…]"

26.    Van de in artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, van het BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht. (Zie de arresten van de Hoge Raad van 15 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:376, r.o.4.2.2, van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793, r.o. 2.4.5. en van 19 juli 2019, ECLI:NL:HR:2019:1278, r.o. 2.13.2.)

27.    De Afdeling is van oordeel dat met het onder 26 geschetste kader kan worden voldaan aan de eisen van de AVG en aan de rechtspraak van het Hof van Justitie zoals weergegeven onder 21.

28.    [appellant sub 2] heeft niet gesteld dat hij als gevolg van het onrechtmatig handelen van het college geestelijk letsel heeft opgelopen, dat op objectieve gronden kan worden vastgesteld.

29.    De immateriële schade bestaat volgens [appellant sub 2] uit de rechtsinbreuk als zodanig, die moet worden beschouwd als een aantasting in de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. Hij stelt dat hij daarom aanspraak maakt op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding.

30.    Het college betwist dat de aard en ernst van de normschending zodanig zijn dat daardoor immateriële schade is ontstaan. [appellant sub 2] heeft dit ook niet met concrete gegevens onderbouwd, aldus het college.

Beoordeling

31.    Het verlies van controle over persoonsgegevens is een aantasting van een persoonlijkheidsrecht. Eenieder heeft recht op bescherming en correcte, rechtmatige verwerking van zijn persoonsgegevens (zie onder meer artikel 8, eerste lid, Handvest van de grondrechten van de Europese Unie).

32.    Zoals onder 18 is vermeld, volgt uit de uitspraak van de rechtbank van 18 juli 2018, die gezag van gewijsde heeft gekregen, dat de verstrekking van persoonsgegevens van [appellant sub 2] bij e-mail van 20 augustus 2013 als onrechtmatig moet worden aangemerkt.

33.    [appellant sub 2] kan niet worden gevolgd in zijn betoog dat het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2019 geen betekenis heeft voor de beoordeling van een verzoek om vergoeding van immateriële schade, omdat in dat arrest de vraag niet aan de orde is of immateriële schade op grond van de AVG voor vergoeding in aanmerking komt. Het algemene uitgangspunt dat schade moet worden onderbouwd, geldt ook hier. Er is geen grond voor het oordeel dat een inbreuk op de AVG zonder meer aantasting van de integriteit van een persoon impliceert en daarmee tot vergoedbare schade leidt. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, kan dit niet worden afgeleid uit overwegingen 85 en 146 van de AVG. Dat een inbreuk op persoonsgegevens kan resulteren in (im)materiële schade en dat een betrokkene volledige en daadwerkelijke vergoeding van de door hem geleden schade moet ontvangen, betekent niet dat een normschending per definitie tot schade leidt en dat schade niet reëel en zeker moet zijn geleden. Vergelijk HvJ EU 6 november 2012, C-199/11, ECLI:EU:C:2012:684, (Otis) en HvJ EU 4 april 2017, C-337/15, ECLI:EU:C:2017:256 (Europese Ombudsman).

34.    In dit geval doet zich niet een situatie voor waarbij de nadelige gevolgen van de normschending voor de hand liggen. Het noemen van een naam in reactie op de vraag van een andere gemeente in het kader van Wob-verzoeken, is niet vergelijkbaar met de situatie die heeft geleid tot de arresten van de Hoge Raad van 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213 (Baby Kelly) en van 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721 (Groninger Oudejaarsrellen). Het gaat niet om ernstig verwijtbaar gedrag met zo ernstige gevolgen, dat dit als een inbreuk op een fundamenteel recht moet worden gekwalificeerd.

35.    Voor zover [appellant sub 2] ter ondersteuning van zijn betoog stelt dat schadevergoeding onder de AVG een punitief karakter heeft, is van belang dat het in deze zaak gaat om de mogelijkheid om (im)materiële schade vergoed te krijgen als gevolg van een onjuiste, verwijtbare gedraging. Het doel van schadevergoeding is herstel van of het bieden van compensatie voor een onrechtmatige inbreuk op privacy. Het opleggen van een bestraffende sanctie als een boete die daarvan moet worden onderscheiden is hier niet aan de orde en heeft tot doel de overtreder van de geschonden norm leed toe te voegen. Anders dan [appellant sub 2] betoogt, staat in overweging 146 van de AVG niet dat schadevergoeding effectief en ‘voldoende afschrikwekkend’ moet zijn. In overweging 146 staat dat schade als gevolg van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens daadwerkelijk en volledig moet worden vergoed. Hieruit kan niet worden afgeleid dat er bij een inbreuk op de AVG een verplichting bestaat om een schadevergoeding toe te kennen die verder gaat dan volledige vergoeding van de daadwerkelijke geleden schade (vergelijk de uitspraak van het Hof van Justitie van 17 december 2015, ECLI:EU:C:2015:831).

36.    Het uitgangspunt is dus dat [appellant sub 2] de aantasting in zijn persoon aannemelijk moet maken en de door hem gestelde schade met concrete gegevens moet onderbouwen. Voorafgaande aan de zitting in hoger beroep heeft de Afdeling [appellant sub 2] gevraagd de door hem gestelde schade te specificeren en te onderbouwen.

37.    Het college betoogt terecht dat [appellant sub 2] geen concrete gegevens ter onderbouwing van de door hem gestelde schade heeft overgelegd. Hij heeft niet aannemelijk gemaakt dat de inbreuk heeft geleid tot de aantasting van de integriteit van zijn persoon en dat de gevolgen van de inbreuk hem rechtstreeks hebben getroffen. [appellant sub 2] heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom het noemen van zijn naam en woonplaats in de mededeling dat hij twee, niet-gespecificeerde, Wob-verzoeken heeft ingediend als reactie op een verzoek van een andere gemeente, als aantasting van de persoon kan worden gekwalificeerd. Ook heeft hij niet aannemelijk gemaakt welke nadelige gevolgen voor hem zijn voortgevloeid uit het noemen van zijn naam en woonplaats. De enkele stelling van [appellant sub 2] dat het noemen van zijn naam stigmatiserend werkt, is onvoldoende. Dat geldt ook voor zijn stelling dat heel bestuurlijk Nederland kennis heeft kunnen nemen van zijn persoonsgegevens. De gegevens zijn gedeeld met ambtenaren van gemeenten die uit hoofde van hun functie betrokken zijn bij de behandeling van Wob-verzoeken. Er zijn geen aanwijzingen dat de gegevens zijn misbruikt.

Conclusie

38.    Het hoger beroep van [appellant sub 2] is ongegrond. Het hoger beroep van het college is gegrond. De uitspraak van de rechtbank, waarin de rechtbank het college geeft veroordeeld tot het betalen van schadevergoeding, wordt vernietigd. De Afdeling zal de rechtbank alsnog onbevoegd verklaren kennis te nemen van het beroep tegen het besluit van 26 september 2018, voor zover daarbij is beslist op het door [appellant sub 2] gedane verzoek om schadevergoeding.

39.    Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het verzoek om schadevergoeding van [appellant sub 2] afwijzen.

40.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Wat behelst deze uitspraak in het kort?

41.    In deze uitspraak en meer uitgebreid in drie andere uitspraken van vandaag gaat de Afdeling in op de mogelijkheden om bij de bestuursrechter vergoeding van schade te vragen, als iemand stelt dat een bestuursorgaan in strijd met de toepasselijke privacywetgeving (sinds 25 mei 2018 de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) en de Uitvoeringswet AVG) persoonsgegevens heeft verwerkt. De jurisprudentie van de Afdeling bood voor de inwerkingtreding van de AVG en de Uitvoeringswet minder mogelijkheden, wat met zich bracht dat de burger dan was aangewezen op de weg naar de burgerlijke rechter. Die weg blijft openstaan, maar nu kan in een groter aantal gevallen ook de bestuursrechter worden benaderd voor verzoeken om schadevergoeding tot een bedrag van € 25.000,00, zoals uit die  drie andere uitspraken blijkt. In deze zaak is de bevoegdheid van de bestuursrechter om over het verzoek om schadevergoeding te beslissen met name toegelicht onder 18. Het gaat daarbij dus over een procedurele vraag van rechtsbescherming, namelijk wanneer in geval van onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens de weg naar de bestuursrechter kan worden ingeslagen.

Inhoudelijk beslist de Afdeling vervolgens dat om voor schadevergoeding in aanmerking te komen voldaan moet zijn aan de eisen die artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek stelt. Dat betekent voor deze gevallen dat sprake moet zijn van aantasting van de eer of goede naam van betrokkene dan wel van aantasting van de persoon op andere wijze. De Afdeling sluit daarbij aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad. In deze zaak beslist de Afdeling, anders dan de rechtbank, dat [appellant sub 2] geen aanspraak kan maken op een schadevergoeding. [appellant sub 2] heeft niet met concrete gegevens aannemelijk gemaakt dat hij als gevolg van de verwerking van persoonsgegevens, die in dit geval onrechtmatig moet worden geacht, in zijn persoons is aangetast dat de gevolgen van de inbreuk hem rechtstreeks hebben getroffen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep van [appellant sub 2] ongegrond;

II.    verklaart het hoger beroep van het college van burgemeester en wethouders van Deventer gegrond;

III.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 28 mei 2019 in zaak nr. 18/2047;

IV.    verklaart de rechtbank onbevoegd kennis te nemen van het beroep tegen het besluit van 26 september 2018, voor zover daarbij is beslist op het door [appellant sub 2] gedane verzoek om schadevergoeding;

V.    wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. J.E.M. Polak, voorzitter, en mr. E.A. Minderhoud en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.A.E. Planken, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020

299.

Bijlage

 

Artikel 146 van de considerans van de AVG:

De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker moeten alle schade vergoeden die iemand kan lijden ten gevolge van een verwerking die inbreuk maakt op deze verordening. De verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker moet van zijn aansprakelijkheid worden vrijgesteld indien hij bewijst dat hij niet verantwoordelijk is voor de schade. Het begrip „schade" moet ruim worden uitgelegd in het licht van de rechtspraak van het Hof van Justitie, op een wijze die ten volle recht doet aan de doelstellingen van deze verordening. Dit laat eventuele eisen tot schadeloosstelling wegens inbreuken op andere regels in het Unierecht of het lidstatelijke recht onverlet. Onder verwerking die inbreuk maakt op deze verordening, valt eveneens een verwerking die inbreuk maakt op gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen die werden vastgesteld overeenkomstig deze verordening, alsmede het lidstatelijke recht waarin in deze verordening vervatte regels worden gespecificeerd. De betrokkenen dienen volledige en daadwerkelijke vergoeding van door hen geleden schade te ontvangen. Wanneer verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers betrokken zijn bij dezelfde verwerking, dienen zij elk voor de volledige schade aansprakelijk te worden gehouden. Wanneer zij evenwel overeenkomstig het lidstatelijke recht zijn gevoegd in dezelfde gerechtelijke procedure, kan elke verwerkingsverantwoordelijke of verwerker overeenkomstig zijn aandeel in de verantwoordelijkheid voor de schade die door de verwerking werd veroorzaakt, een deel van de vergoeding dragen, mits de betrokkene die schade heeft geleden volledig en daadwerkelijk wordt vergoed. Iedere verwerkingsverantwoordelijke of verwerker die de volledige vergoeding heeft betaald kan vervolgens een regresvordering instellen tegen andere verwerkingsverantwoordelijken of verwerkers die bij dezelfde verwerking betrokken zijn.