Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:897

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
30-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
201909073/3/R3 en 201909074/3/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Bij brief van 24 maart 2020 hebben de Stichting Leefbaar Buitengebied en anderen verzocht om wraking van staatsraad mr. J. Hoekstra als voorzieningenrechter belast met de behandeling van de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening in de zaken nrs. 201909073/2 en 201909074/2. De Stichting en anderen hebben aan hun wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat als gevolg van de gang van zaken voorafgaand aan de zitting die op 24 maart 2020 plaats zou vinden, de voorzieningenrechter bij hen de vrees heeft gewekt dat hij partijdig is en dat daardoor geen sprake is van een eerlijk proces.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2020/171 met annotatie van L.M. Koenraad
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201909073/3/R3 en 201909074/3/R3.

Datum beslissing: 30 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op het verzoek van:

Stichting Leefbaar Buitengebied en anderen (hierna: de Stichting en anderen), gevestigd te Geerdijk, respectievelijk wonend te Azelo,

verzoekers,

om wraking (artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van staatsraad mr. J. Hoekstra als voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak, belast met de behandeling van de verzoeken om voorlopige voorziening in de zaken nrs. 201909073/2 en 201909074/2.

Procesverloop

Bij brief van 24 maart 2020 hebben de Stichting en anderen verzocht om wraking van staatsraad mr. J. Hoekstra als voorzieningenrechter belast met de behandeling van de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening in de zaken nrs. 201909073/2 en 201909074/2 (hierna: de voorzieningenrechter).

De voorzieningenrechter heeft niet in de wraking berust.

Overwegingen

1.    Voordat de wrakingskamer een inhoudelijke beoordeling geeft op het wrakingsverzoek merkt zij op dat zij in deze zaak - noodgedwongen en bij wijze van grote uitzondering - ervoor heeft gekozen het wrakingsverzoek niet op een zitting te behandelen, gelet op enerzijds de spoedeisendheid van een beslissing op een wrakingsverzoek en het mogelijke spoedeisende belang in een voorlopige voorzieningenprocedure en anderzijds de in Nederland ontstane uitzonderlijke situatie door het uitbreken van het coronavirus en de in verband daarmee door de Nederlandse regering getroffen maatregelen om verspreiding van dit virus te voorkomen (www.rijksoverheid.nl). Daarbij acht de wrakingskamer ook van belang dat indien van het wrakingsmiddel gebruik wordt gemaakt de verzoeker alle feiten of omstandigheden tegelijk moet voordragen (zie artikel 8:16, derde lid, van de Awb) en het verzoekschrift van de Stichting en anderen naar zijn inhoud ook reeds zonder nader onderzoek op een zitting duidelijk is, zoals blijkt uit hetgeen hierna wordt overwogen.

2.    Op verzoek van een partij kan ingevolge artikel 8:15 van de Awb elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.    De Stichting en anderen hebben aan hun wrakingsverzoek ten grondslag gelegd dat als gevolg van de gang van zaken voorafgaand aan de zitting die op 24 maart 2020 plaats zou vinden, de voorzieningenrechter bij hen de vrees heeft gewekt dat hij partijdig is en dat daardoor geen sprake is van een eerlijk proces.

    Zij voeren daartoe aan dat zij uitgingen van de mededeling op de website van de Raad van State dat in verband met de uitbraak van het coronavirus vanaf 17 maart 2020 zittingen niet door zouden gaan. Zij kregen evenwel op 20 maart 2020 bericht dat de op 24 maart 2020 geplande zitting wel door zou gaan en dat daarbij gebruik zou worden gemaakt van telefonisch horen. Volgens de Stichting en anderen kent de Awb niet de mogelijkheid om telefonisch te horen. Zij zijn bovendien heel kort voor de aanvang van die zitting daarvoor uitgenodigd. Er is niet inzichtelijk gemaakt waarom de behandeling van de verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening door zou moeten gaan. Zij worden in hun belangen geschaad, aangezien zij geen kaartmateriaal tijdens de zitting kunnen tonen. Uit het feit dat de zitting toch doorgaat, kan worden afgeleid dat de voorzieningenrechter de belangen van de raad van de gemeente Hof van Twente belangrijker vindt dan de belangen van de Stichting en anderen. Volgens hen bestaat er geen schijn van kans meer dat hun verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening worden toegewezen.

3.1.    De wrakingskamer gaat bij de behandeling van het wrakingsverzoek uit van de volgende feiten en omstandigheden.

    De Stichting en anderen zijn bij afzonderlijke brieven van 26 februari 2020 in de zaken met nrs. 201909073/2/R3 en 201909074/2/R3 uitgenodigd voor een zitting van de voorzieningenrechter op 24 maart 2020 om 12.00 uur.

    Op 15 maart 2020 is op de website van de Raad van State meegedeeld dat in verband met de uitbraak van het coronavirus er van dinsdag 17 maart 2020 tot en met in ieder geval maandag 6 april 2020 geen zittingen plaatsvinden van de Afdeling bestuursrechtspraak. Daarbij is uitdrukkelijk vermeld dat een uitzondering geldt voor zeer urgente zaken. Volgens de mededeling op de website kunnen voor urgente zaken tijdens deze periode wel zittingen worden gehouden. Het gaat dan om zaken waarin een beslissing van de rechter noodzakelijk is en uitstel dus niet mogelijk is. Op de website is in dit verband gewezen op onder meer de voorlopige voorzieningen met veel spoed. Ook is op de website vermeld dat het in deze urgente zaken kan zijn dat de Afdeling bestuursrechtspraak gebruikmaakt van telefonisch horen.

    In beide zaken is aan de Stichting en anderen op 20 maart 2020 via de e-mail een brief verzonden waarin is meegedeeld dat in verband met de uitbraak van het coronavirus en de naar aanleiding daarvan getroffen maatregelen de op 24 maart 2020 geplande zitting in fysieke vorm geen doorgang zal vinden. In plaats daarvan zullen partijen, respectievelijk hun vertegenwoordigers op dezelfde datum en hetzelfde tijdstip telefonisch worden gehoord door de voorzieningenrechter. In de brief is uitgebreid uiteengezet hoe het telefonisch horen in zijn werk gaat en is de agenda van het telefonisch horen opgenomen. Verder staat in de brief dat tot uiterlijk de aanvang van het telefonisch horen een pleitnota kan worden gemaild en dat, indien gewenst tot uiterlijk maandag 23 maart 14.00 uur beeld- en kaartmateriaal aan de griffier kan worden toegezonden. Ook is vermeld dat bij vragen met betrekking tot het telefonisch horen contact kan worden opgenomen met de griffier. Vervolgens is aan partijen in beide zaken door de voorzieningenrechter meegedeeld welke onderwerpen tijdens het telefonisch horen aan de orde zullen komen.

3.2.    De wrakingskamer is van oordeel dat de Stichting en anderen, anders dan zij aanvoeren, uit de berichtgeving op de website van de Raad van State op 15 maart 2020 niet hebben kunnen afleiden dat de zitting op 24 maart 2020 niet door zou gaan. Op de website stond immers dat urgente zaken zouden worden behandeld en dat daarbij van telefonisch horen gebruik zou kunnen worden gemaakt. Zij hebben vervolgens op 20 maart 2020 bericht ontvangen dat de zitting waarvoor zij bij brieven van 26 februari 2020 reeds waren uitgenodigd zou doorgaan. Er is reeds daarom geen sprake van een situatie dat zij pas zeer kort voor de zitting zijn uitgenodigd.

3.3    De beslissing van de voorzieningenrechter om de behandeling van de verzoeken ter zitting door te laten gaan en de beslissing om daarbij gebruik te maken van telefonisch horen, zijn procesbeslissingen. De vraag of een procesbeslissing al dan niet juist is, staat niet ter beoordeling in de wrakingsprocedure, nu een wrakingsverzoek niet is bedoeld als rechtsmiddel tegen de inhoud van een procesbeslissing. Zodanige beslissingen kunnen slechts leiden tot inwilliging van een wrakingsverzoek, indien deze op zich dan wel in onderlinge samenhang bezien een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat daaruit blijkt van partijdigheid of vooringenomenheid van de voorzieningenrechter die de betrokken beslissing of beslissingen heeft genomen. De omstandigheid dat de voorzieningenrechter heeft besloten dat de zitting zal doorgaan en dat daarbij gebruik zal worden gemaakt van telefonisch horen, terwijl de Awb de mogelijkheid van telefonisch horen niet kent, is onvoldoende voor dat oordeel. De voorzieningenrechter heeft daarbij in lijn gehandeld met de werkwijze van de Afdeling die is voortgevloeid uit de actuele zeer uitzonderlijke omstandigheden ten gevolge van de uitbraak van het coronavirus en de getroffen strenge maatregelen om verdere uitbreiding daarvan te voorkomen, zoals deze werkwijze door de Afdeling op haar website is bekend gemaakt. Uit het nemen van die beslissingen kan geen vooringenomenheid van de voorzieningenrechter worden afgeleid in die zin dat de voorzieningenrechter de belangen van de wederpartij(en) van de Stichting en anderen belangrijker vindt dan hun belangen en dat hun verzoeken om het treffen van een voorlopige voorziening geen kans van slagen zouden hebben. De wrakingskamer acht hierbij verder nog van belang dat de Stichting en anderen, hoewel zij daarvan geen gebruik hebben gemaakt, in beide zaken uitdrukkelijk in de gelegenheid zijn gesteld om voorafgaand aan de zitting beeld- en kaartmateriaal in te dienen. Ook zijn zij door de voorzieningenrechter voorafgaand aan de zitting voorgelicht over de onderwerpen die in ieder geval aan de orde zouden komen.

4.    Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat in hetgeen de Stichting en anderen hebben aangevoerd geen grond wordt gevonden voor het oordeel dat de voorzieningenrechter partijdig of vooringenomen is, dan wel dat een bij de Stichting en anderen bestaande vrees voor partijdigheid of vooringenomenheid van de voorzieningenrechter objectief gerechtvaardigd is. Het verzoek om wraking wordt dan ook afgewezen.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. A.W.M. Bijloos, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2020

473.