Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:896

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
01-04-2020
Datum publicatie
08-04-2020
Zaaknummer
202001054/1/A3 en 202001054/2/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft het CAK gereageerd op de brieven van [appellant] van 5 maart 2017, van 13 april 2017 en van 31 augustus 2018 over de door het CAK over hem verwerkte persoonsgegevens.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001054/1/A3 en 202001054/2/A3.

Datum uitspraak: 1 april 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant A] en [appellant B] (hierna tezamen in enkelvoud: [appellant]), wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 14 februari 2020 in zaak nr. 19/3772 in het geding tussen:

[appellant]

en

het Centraal Administratie Kantoor (hierna: CAK).

Procesverloop

Bij besluit van 16 oktober 2018 heeft het CAK gereageerd op de brieven van [appellant] van 5 maart 2017, van 13 april 2017 en van 31 augustus 2018 over de door het CAK over hem verwerkte persoonsgegevens.

Bij besluit van 30 november 2018 heeft het CAK het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, het besluit van 16 oktober 2018 herroepen en hem meer gegevens verstrekt.

Bij uitspraak van 14 februari 2020 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld en heeft hij verzocht om een schadevergoeding.

Bij deze brief heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

[appellant] heeft nadere stukken ingediend.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 maart 2020, waar [appellant], en het CAK, vertegenwoordigd door mr. J.M. Nijman, zijn verschenen.

Overwegingen

Onmiddellijk uitspraak in hoofdzaak

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

Inleiding

2.    [appellant] is in 2006 naar Frankrijk geëmigreerd en woonde daar tot maart 2014. In die periode had hij een Franse ziektekostenverzekering. Het CAK heeft op grond van artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet een zogenoemde ‘buitenlandbijdrage’ van [appellant] geheven, omdat de kosten van medische zorg in Frankrijk op grond van verdragen ten laste van Nederland worden gebracht. [appellant] is het daarmee niet eens. Hij heeft hierover diverse procedures gevoerd, hetgeen onder meer heeft geleid tot de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (hierna: de CRvB) van 11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2166, zijn uitspraak van 2 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3241, en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de CRvB van 2 oktober 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3231. In die uitspraken heeft [appellant] geen gelijk gekregen.

    Bij brief van 5 maart 2017 heeft [appellant] het CAK op grond van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp) verzocht om een volledig en begrijpelijk inzicht en overzicht van alle bestanden waarin de persoonsgegevens van [appellant] en zijn partner voorkomen. Bij brieven van 13 april 2017 en van 31 augustus 2018 heeft hij het CAK aan dit verzoek herinnerd.

Besluitvorming

3.    Het CAK heeft in zijn besluit van 16 oktober 2018 mededelingen gedaan over de adresgegevens van [appellant] en de definitieve jaarafrekening 2014. Bij het besluit op bezwaar van 30 november 2018 heeft het CAK, voor zover voor deze procedure van belang, dat besluit herroepen en aan [appellant] aanvullende gegevens verstrekt ten aanzien van de vaststelling van zijn inkomens waarop de voorlopige en definitieve jaarafrekeningen over de jaren 2007 tot en met 2014 zijn gebaseerd.

Aangevallen uitspraak

4.    De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft aan de hand van het dossier vastgesteld dat het CAK de door [appellant] in zijn bezwaarschrift gespecificeerde gegevens heeft verstrekt. Volgens de rechtbank wil [appellant] met zijn beroep de eerdere uitspraak van de CRvB van 2 oktober 2019 opnieuw ter discussie stellen. Het toen aangevallen besluit van het CAK is echter in rechte onherroepelijk en kan niet opnieuw ter beoordeling aan de bestuursrechter worden voorgelegd. Omdat het beroep ongegrond is, heeft de rechtbank het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Hoger beroep

5.    [appellant] heeft daartegen hoger beroep ingesteld. Hij betoogt dat artikel 69, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet in zijn geval, gedurende de periode dat hij in Frankrijk woonde, onjuist is toegepast. Het College voor zorgverzekeringen (hierna: het CVZ, thans: het CAK) heeft op 5 augustus 2011 zijn bezwaar tegen de voorlopige jaarafrekening over het zorgjaar 2008 gegrond verklaard en besloten dat [appellant] over dat jaar geen bijdrage verschuldigd was. Dat betekent dat hij ook over de overige jaren in de periode 2007-2014 niet verdragsgerechtigd was, zo voert hij aan. Hij heeft een claim ingediend ter vergoeding van de schade die hij stelt te hebben geleden. Hij hoopt deze spoedig uitgekeerd te krijgen, omdat hij leningen is aangegaan en deze op korte termijn terug dient te betalen. [appellant] heeft ter zitting toegelicht dat de aangevallen uitspraak voorts geen stand kan houden omdat de rechtbank ervan is uitgegaan dat hem alle gegevens zijn verstrekt die hij eerder heeft gespecificeerd. Hij stelt dat hij wel de definitieve, maar niet de voorlopige jaarafrekeningen over de jaren 2006 tot en met 2011 heeft ontvangen. Daarnaast wil hij aangetoond zien dat die voorlopige beschikkingen daadwerkelijk aan hem verzonden zijn.

5.1.    De voorzieningenrechter begrijpt [appellant] aldus dat hij de gerechtelijke dwaling, die naar hij stelt door de wijze waarop het CAK uitvoering heeft gegeven aan artikel 69 van de Zorgverzekeringswet heeft plaatsgevonden, ongedaan gemaakt wil krijgen. De Afdeling is onder meer bevoegd kennis te nemen van hoger beroepen tegen uitspraken van de rechtbank over besluiten over de verwerking van persoonsgegevens op grond van de Wbp en de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). De rechtmatigheid van besluiten op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet kan echter niet ter beoordeling aan de Afdeling worden voorgelegd. Tegen een besluit op grond van artikel 69 van de Zorgverzekeringswet staat na beroep bij de rechtbank immers, gelet op het bepaalde in artikel 9 van bijlage 2 bij de Awb, hoger beroep bij de CRvB open. De rechtbank is daarom terecht tot het oordeel gekomen dat de uitspraken van de CRvB over de buitenlandbijdrage niet in het kader van de beoordeling van een beslissing over de verwerking van persoonsgegevens opnieuw ter discussie kunnen worden gesteld. Dat betekent dat de Afdeling niet bevoegd is om een oordeel te geven over een verzoek tot vergoeding van schade die, naar [appellant] stelt, voortvloeit uit onrechtmatige besluiten van het CAK. De voorzieningenrechter kan [appellant] in zoverre dan ook niet tegemoetkomen in zijn ter zitting naar voren gebrachte wens te bereiken dat aan vijftien jaar procederen een einde komt.

5.2.    In dit hoger beroep gaat het om een beslissing van het CAK over de verwerking van persoonsgegevens van [appellant]. Voor wat betreft dat besluit is de Afdeling, gelet op artikel 8:105, eerste lid, van de Awb, wél bevoegd daarvan kennis te nemen. Hierover overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

    Het gaat er in deze procedure om of het CAK op juiste wijze op het verzoek van [appellant] heeft beslist. Beslissend daarbij is hetgeen [appellant] in zijn verzoek en in het bezwaar tegen de beslissing op dat verzoek heeft aangedragen. Met zijn stelling dat hij niet de voorlopige beschikkingen van de jaren 2006-2011 van het CAK heeft verkregen, wordt het oordeel van de rechtbank dat [appellant] de gegevens zijn verstrekt die hij in zijn bezwaarschrift heeft gespecificeerd, niet weerlegd. Na telefonisch contact met het CAK op 27 november 2018 kon het bezwaar van [appellant] dat de door hem gevraagde gegevens niet waren verstrekt, immers samengevat worden als: "Op wélke precieze gegevens van de Belastingdienst heeft het CAK (danwel Zorginstituut Nederland/CVZ) uw jaarafrekeningen gebaseerd?" Hierop heeft het CAK besloten de gedigitaliseerde gegevens ten aanzien van de vaststelling van zijn inkomens waarop de voorlopige jaarafrekeningen over de jaren 2007 tot en met 2014 zijn gebaseerd, te verstrekken. Bij het besluit op bezwaar zijn vervolgens schermprints gevoegd van bruto-inkomensgegevens en NiNbi- en Fibase-gegevens voor de jaren 2007 tot en met 2014, die het CAK heeft verkregen van de Belastingdienst. In het bezwaarschrift heeft [appellant] dus verzocht om de gegevens waarop de voorlopige jaarafrekeningen zijn gebaseerd, en niet om de voorlopige jaarafrekeningen zelf. Het CAK heeft dus terecht geen aanleiding gezien om voorlopige jaarafrekeningen bij het besluit op bezwaar aan [appellant] te verstrekken. Hetzelfde geldt voor de 31 door [appellant] bij brief van 10 oktober 2019 aan het CAK gestelde vragen, aangevuld met twee vragen bij brief van 2 januari 2020. Nog daargelaten dat het hier grotendeels geen verzoeken omtrent de verwerking van persoonsgegevens betreft, had zijn bezwaarschrift daarop evenmin betrekking. De rechtbank heeft dus terecht overwogen dat [appellant] de door hem gevraagde gegevens zijn verstrekt. Het betoog van [appellant] faalt dus.

    De voorzieningenrechter stelt op basis van de dossierstukken overigens vast dat het CAK bij brief van 28 augustus 2018 heeft beoogd de voorlopige jaarafrekeningen 2007, 2008, 2011, 2012, 2013 en 2014 aan [appellant] toe te sturen. Die brief is hier niet in geding. Niettemin gaat de voorzieningenrechter ervan uit dat het CAK zijn toezegging ter zitting gestand doet en [appellant] alle bij de brief gevoegde voorlopige jaarafrekeningen opnieuw toestuurt.

Conclusie hoger beroep

6.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

Verzoeken om schadevergoeding en om voorlopige voorziening

7.    Gezien het vorenstaande doet zich geen van de in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb opgenomen omstandigheden voor op grond waarvan een veroordeling tot vergoeding van geleden schade kan worden uitgesproken. De beslissing op bezwaar over de verstrekking van persoonsgegevens is juist en dus niet onrechtmatig. Het verzoek van [appellant] om schadevergoeding dient dan ook te worden afgewezen.

    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

Proceskosten

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek om schadevergoeding af;

III.    wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. L.E.E. Konings, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2020

612.