Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:865

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
201904254/1/A1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 14 mei 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse afvalsorteerstraatjes in de wijk Archipelbuurt in het stadsdeel Centrum - Nassauplein in Den Haag. Het afvalsorteerstraatje bestaat uit een aantal ondergrondse containers voor verschillende soorten afval, zoals glas, textiel, papier en het zogenoemde PMD-afval (Plastic, Metalen verpakkingen en Drinkpakken). Met het afvalsorteerstraatje wil het college de scheiding van afval stimuleren. Het ondergrondse afvalsorteerstraatje waar het in deze zaak om gaat, ligt aan de overkant van de woningen van [appellanten]. Zij vrezen voor een toename van de al bestaande geluidoverlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904254/1/A1.

Datum uitspraak: 25 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 14 mei 2019 heeft het college het plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van ondergrondse afvalsorteerstraatjes in de wijk Archipelbuurt in het stadsdeel Centrum - Nassauplein in Den Haag.

Tegen dit besluit hebben [appellanten] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift gegeven.

[appellanten] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 januari 2020, waar [appellant A], en het college, vertegenwoordigd door mr. B. Kaptein-van Beest en J.L. de Vries, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    Het college heeft een plaatsingsplan vastgesteld voor de plaatsing van een zogenoemd ondergronds afvalsorteerstraatje in de wijk Archipelbuurt (wijk 5) in het stadsdeel Centrum - Naussauplein in Den Haag. Het afvalsorteerstraatje bestaat uit een aantal ondergrondse containers voor verschillende soorten afval, zoals glas, textiel, papier en het zogenoemde PMD-afval (Plastic, Metalen verpakkingen en Drinkpakken). Met het afvalsorteerstraatje wil het college de scheiding van afval stimuleren. Het ondergrondse afvalsorteerstraatje waar het in deze zaak om gaat, ligt aan de overkant van de woningen van [appellanten]. Zij vrezen voor een toename van de al bestaande geluidoverlast.

Beoordelingskader

2.    Bij de keuze van een locatie voor ondergrondse afvalsorteerstraatjes dient het college een afweging te maken tussen alle betrokken belangen. Daarbij heeft het college beleidsruimte. Dit betekent dat de bestuursrechter aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt of het college in redelijkheid tot zijn keuze heeft kunnen komen.

Beoordeling hoger beroep

2.1.    [appellanten] betogen dat het college de locatie tegenover hun woningen in redelijkheid niet had kunnen aanwijzen voor de plaatsing van ondergrondse containers. Zij voeren daarover aan dat zij al veel geluidoverlast ervaren van het bestaande milieupark. Daarbij wijzen zij erop dat hun woningen op slechts 9 m van de containers liggen en monumentale panden zijn met enkel glas in de ramen, zodat het geluid van ingeworpen glas, open en dicht slaande kleppen en het legen van de containers vrijwel direct ongeremd hun woningen binnenkomt. De verwachting van het college dat er minder verkeersbewegingen zullen plaatsvinden, omdat de bergingscapaciteit wordt vergroot, stelt [appellanten]n niet gerust. Zij willen dat er concrete maatregelen worden genomen om de overlast te verminderen, bijvoorbeeld door containers te verplaatsen of door geluidwerende voorzieningen aan de woningen te treffen. Daarbij wijzen zij erop dat het op grond van artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag niet is toegestaan om geluidhinder te veroorzaken.

    [appellanten] voeren ook aan dat het milieupark overbelast is, omdat daar vijfentwintig keer per week containers moeten worden geleegd en soms wel zeven keer op één dag. Zij leiden uit de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO1182, af dat een milieupark overbelast is als er meer dan eenmaal per week moet worden geleegd.

2.2.    Het college heeft naar aanleiding van de ingediende zienswijzen in de Nota van antwoord toegelicht dat volgens het beleid een afvalsorteerstraatje in beginsel wordt geplaatst op die locatie waar al andere inzamelvoorzieningen aanwezig zijn. Het legen van de ondergrondse containers gebeurt normaal gesproken op werkdagen tussen 7.00 uur en 22.00 uur en dat duurt ongeveer 5 tot 10 minuten per leging. De ondergrondse containers zijn voorzien van geluiddempende voorzieningen. Volgens het college veroorzaakt het inwerpen van materialen nauwelijks geluidsoverlast. Verder merkt het college op dat de ondergrondse containers een grotere capaciteit hebben dan de eerdere bovengrondse containers en voorzien zijn van sensoren. Op basis van de vulgraad worden de containers geleegd. De route en het aantal verkeersbewegingen worden daarmee zo efficiënt mogelijk ingericht, aldus het college.

    In het verweerschrift en ter zitting heeft het college nader toegelicht dat er bewust voor is gekozen om de containers voor verschillende soorten afval bij elkaar te plaatsen, omdat mensen dan eerder bereid zijn om hun afval gescheiden aan te bieden. Ook heeft het college uitgelegd dat door het plaatsen van ondergrondse containers met geluiddempende voorzieningen en sensoren en met een grotere capaciteit dan de bovengrondse containers die al op deze plek stonden, de situatie beter wordt dan zij was. Daarbij heeft het college erop gewezen dat de nieuwe containers al een aantal maanden in gebruik zijn en dat is gebleken dat de nieuwe containers in totaal minder vaak hoefden te worden geleegd dan de oude containers.

2.3.    Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college overtuigend toegelicht dat als containers voor verschillende soorten afval bij elkaar worden geplaatst, mensen eerder bereid zullen zijn om hun afval gescheiden aan te bieden. Het is aannemelijk dat [appellanten]n overlast zullen hebben van het gebruik en het legen van de containers, maar het college heeft maatregelen genomen om die overlast te beperken. Ook heeft het college overtuigend toegelicht dat de situatie beter wordt dan zij was. Dit komt onder meer doordat de nieuwe containers zijn voorzien van geluiddempende voorzieningen. Dankzij de sensoren en de grotere capaciteit hoeven de containers in totaal ook minder vaak te worden geleegd. Het college had die verwachting al in het besluit uitgesproken en uit de gegevens die het college heeft laten zien, blijkt dat dit ook daadwerkelijk het geval is. Ook is nog van belang dat het legen van de containers doorgaans plaatsvindt op werkdagen en niet in de late avonduren of in de nacht en dat het legen van glascontainers, waar [appellanten] het meeste last van hebben, maar een beperkt aantal keer per week plaatsvindt.

    Daarom heeft het college er in redelijkheid voor kunnen kiezen om op deze plek een afvalsorteerstraatje te plaatsen. De Afdeling ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het college dat niet had mogen doen zonder op voorhand geluidwerende voorzieningen aan de woningen van [appellanten] te treffen.

    De verwijzing naar overweging 2.11.1 van de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2010 leidt niet tot een ander oordeel. Anders dan waarvan [appellanten] uitgaan, heeft de Afdeling in die uitspraak niet overwogen dat als een milieupark vaker dan één keer per week wordt geleegd, sprake is van een overbelaste situatie. In die uitspraak wordt onder 2.11.1 alleen het standpunt van het college van burgemeester en wethouders van Barendrecht weergegeven en niet het oordeel van de Afdeling.

     Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, griffier.

Het lid van de enkelvoudige kamer is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.   

w.g. Van Roessel

griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020

457-935.