Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:827

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
23-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
201904167/4/A3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
-
Inhoudsindicatie

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 mei 2019 in zaak nr. 17/4064. Het gaat in die zaak om een verzoek van derde-partij om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur van het registratiedossier dat is gebruikt bij het nemen van het besluit tot registratie van het geneesmiddel Amfexa.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2020/182 met annotatie van P.J. Stolk
JGR 2021/2 met annotatie van Lisman, J.A.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904167/4/A3.

Datum beslissing: 23 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 mei 2019 in zaak nr. 17/4064 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college ter beoordeling van geneesmiddelen.

Procesverloop

[appellante] heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 14 mei 2019 in zaak nr. 17/4064.

Het gaat in die zaak om een verzoek van derde-partij om openbaarmaking op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) van het registratiedossier dat is gebruikt bij het nemen van het besluit tot registratie van het geneesmiddel Amfexa.

Het college heeft de vertrouwelijke versie van een aantal processtukken, op inventarislijst B genummerd van 1 tot en met 68, overgelegd en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) medegedeeld dat uitsluitend de Afdeling kennis zal mogen nemen van deze stukken.

Overwegingen

1.    Het college heeft de Afdeling wegens het bestaan van gewichtige redenen verzocht te bepalen dat alleen de Afdeling van de vertrouwelijke versie van de processtukken kennis zal nemen. Deze stukken vallen niet onder het verzoek van derde-partij op grond van de Wob, zodat de Afdeling hierover een beslissing dient te nemen op grond van artikel 8:29 van de Awb. Het college heeft aangevoerd dat de weggelakte passages zijn onder te verdelen in drie categorieën, namelijk in de naam van de fabrikant van de werkzame stof, de namen van diverse geneesmiddelenautoriteiten die in deze procedure zijn betrokken en persoonsgegevens, zoals namen, (e-mail)adressen en telefoonnummers.

2.    Het gaat bij een verzoek om beperkte kennisneming niet om openbaarmaking van stukken, maar om de vraag of aan de procespartijen kennisneming van stukken mag worden onthouden. Gelet op artikel 8:29, derde lid, van de Awb beslist de Afdeling of de weigering dan wel beperking van de kennisneming van een stuk gerechtvaardigd is. Deze beslissing vergt een afweging van belangen. Enerzijds speelt hierbij het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor het hoger beroep relevante informatie en het belang dat de bestuursrechter beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Daartegenover staat dat de kennisneming door partijen van bepaalde gegevens het algemeen belang, het belang van één of meer partijen en/of het belang van derden onevenredig kan schaden.

3.    Bij brief van 28 januari 2020 heeft de Afdeling derde-partij in de gelegenheid gesteld om als partij aan de procedure deel te nemen. Daarbij is meegedeeld dat als hij binnen de daarvoor gestelde termijn van twee weken niet reageert, ervan wordt uitgegaan dat hij niet wil deelnemen als partij. Derde-partij heeft niet gereageerd. Dit betekent dat hij in deze procedure geen procespartij is en geen stukken ontvangt.

4.    De Afdeling heeft kennisgenomen van de vertrouwelijke processtukken waarop het verzoek ziet.

Namen van betrokken geneesmiddelenautoriteiten

5.    Openbaarmaking van de namen van betrokken geneesmiddelautoriteiten dient volgens het college achterwege te blijven in verband met de betrekkingen van Nederland met andere geneesmiddelenautoriteiten. In de (registratie)procedure van het geneesmiddel Amfexa zijn diverse geneesmiddelautoriteiten betrokken. Het is voor de volksgezondheid van belang dat geneesmiddelenautoriteiten onderling ongestoord informatie kunnen uitwisselen. Deze informatie-uitwisseling kan worden verstoord, als in Nederland informatie afkomstig van een andere geneesmiddelenautoriteit openbaar wordt gemaakt, terwijl dit in het betreffende land niet zou zijn gebeurd.

5.1.    In processtukken op inventarislijst B genummerd 10, 11, 16, 17, 19, 20, 23, 24, 24, 30, 32, 33, 35, 36, 37, 38, 42, 43, 43A, 44, 47, 48 en 52 worden namen van geneesmiddelenautoriteiten uit andere landen vermeld. Het belang van de betrekkingen van Nederland met andere geneesmiddelenautoriteiten verzet zich tegen kennisneming hiervan door [appellante]. De geneesmiddelenautoriteiten moeten vrijelijk en ongestoord van gedachten kunnen wisselen. Uit de vermelding van namen van de autoriteiten in de gevoerde e-mailcorrespondentie kan worden afgeleid welke autoriteit een bepaald standpunt inneemt in de discussie. Kennisneming van die informatie kan de betrekkingen met die autoriteiten schaden. Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang van de betrekkingen van Nederland met andere internationale organisaties zwaarder dan het belang van [appellante] om kennis te nemen van de in de stukken vermelde namen van geneesmiddelenautoriteiten. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de inhoud van de e-mailberichten wel aan haar is verstrekt. Gelet hierop valt niet in te zien dat [appellante] door het achterwege laten van de namen van de geneesmiddelenautoriteiten in voormelde stukken in haar belangen is geschaad.

    De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming in zoverre gerechtvaardigd.

Naam van fabrikant van de werkzame stof

6.    De naam van de fabrikant is volgens het college een vertrouwelijk bedrijfsgegeven dat inzicht geeft in onderlinge contacten en samenwerkingsverbanden tussen firma's. Kennisneming daarvan kan een concurrent, zonder daar moeite voor te moeten doen in de zin van tijd en/of kosten, inzicht geven waar hij terecht kan als hij dezelfde werkzame stof wenst aan te schaffen. Het college stelt zich verder op het standpunt dat de concurrent als hij over deze informatie beschikt, processen zou kunnen frustreren, bijvoorbeeld door een bepaalde toeleverancier onder druk te zetten om alleen nog aan hem te leveren. Of deze toeleverancier wellicht zelfs op te kopen en zo de ander af te snijden van grondstoftoevoer.

6.1.    In processtukken op inventarislijst B genummerd 9, 12, 22, 29, 34, 41B, 45 en 53 wordt de naam van de fabrikant van de werkzame stof vermeld. Dit gegeven is al bij [appellante] bekend en afwijzing van het verzoek om beperkte kennisneming van dit gegeven betekent slechts dat [appellante] als procespartij hiervan kennis kan nemen. Naar het oordeel van de Afdeling speelt het belang van de bescherming van vertrouwelijke bedrijfsgegevens onder deze omstandigheden geen rol.

    De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming in zoverre niet gerechtvaardigd.

Persoonsgegevens, zoals namen, (e-mail)adressen en telefoonnummers

7.    De in de processtukken vermelde persoonsgegevens heeft het college weggelakt wegens de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Dat belang van de betrokkenen weegt volgens het college zwaarder dan het belang van partijen om hiervan kennis te nemen.

7.1.    In alle op inventarislijst B vermelde vertrouwelijke processtukken, behalve 41B en 43A, zijn persoonsgegevens vermeld. Niet valt in te zien waarom het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de in de stukken vermelde personen werkzaam bij het college en personen werkzaam bij dan wel voor [appellante] zich tegen kennisneming daarvan door [appellante] verzet. Daarbij is van belang dat afwijzing van het verzoek om beperkte kennisneming ook in zoverre slechts betekent dat [appellante] als procespartij van deze stukken kennis kan nemen. Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer daarom minder zwaar dan het belang van [appellante] om kennis te nemen van de in de stukken vermelde persoonsgegevens van personen werkzaam bij het college en personen werkzaam bij dan wel voor [appellante].

    De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming in zoverre evenmin gerechtvaardigd.

7.2.    De Afdeling acht aannemelijk dat kennisneming van in de stukken vermelde derde-partij(en) zal leiden tot aantasting van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de betrokken personen. Naar het oordeel van de Afdeling weegt het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van in de stukken vermelde derde-partij(en) in dit geval zwaarder dan het belang van [appellante] om hiervan kennis te nemen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat niet valt in te zien dat [appellante] hierdoor in haar belangen is geschaad.

    De Afdeling acht daarom het verzoek tot beperkte kennisneming in zoverre gerechtvaardigd.

Conclusie

8.    De Afdeling bepaalt dat de vertrouwelijk overgelegde stukken worden teruggezonden aan het college.

9.    Indien het college geen gehoor geeft aan het in dictumonderdeel II. aangeduide verzoek om een versie van de vertrouwelijke stukken waarin alleen de namen van de betrokken geneesmiddelenautoriteiten en de persoonsgegevens van derde-partijen zijn weggelakt, toe te sturen, kan de Afdeling daaraan gevolgen verbinden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    wijst het verzoek af wat betreft de in de stukken vermelde naam van de fabrikant van de werkzame stof en persoonsgegevens, op die van derde-partijen na;

II.    verzoekt het college ter beoordeling van geneesmiddelen binnen 14 dagen na heden een versie van de vertrouwelijke stukken waarin alleen de betrokken geneesmiddelenautoriteiten alsmede de persoonsgegevens van derde-partijen zijn weggelakt aan de Afdeling en, voor zover nodig, aan [appellante] toe te sturen.

Aldus vastgesteld door mr. J.J. van Eck, lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer, in tegenwoordigheid van mr. B. Ley-Nell, griffier.

w.g. Van Eck    w.g. Ley-Nell

lid van de enkelvoudige geheimhoudingskamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2020