Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:826

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
13-03-2020
Datum publicatie
25-03-2020
Zaaknummer
201906711/3/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Verzet
Inhoudsindicatie

Bij uitspraak van 3 december 2019, in zaak nr. 201906711/2/R1, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het verzoek van SBKW om herziening van de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1783, afgewezen. Bij de uitspraak van 29 mei 2019 is het beroep van, onder andere, SBKW tegen het besluit van de raad van de gemeente Doetinchem van 21 september 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ziekenhuis - 2017" en het op diezelfde dag vastgestelde exploitatieplan "Slingeland ziekenhuis, locatie A18 2017" niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep tegen het besluit van de raad van 27 september 2018 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Ziekenhuis- 2017" ongegrond verklaard. De uitspraak van 3 december 2019 is aangehecht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201906711/3/R1.

Datum uitspraak: 13 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) van:

Stichting Behoud Kemnade en Waalse Water (hierna: SBKW), gevestigd te Etten, gemeente Oude IJsselstreek,

opposante,

tegen de uitspraak van de Afdeling van 3 december 2019 in zaak nr. 201906711/2/R1.

Procesverloop

Bij uitspraak van 3 december 2019, in zaak nr. 201906711/2/R1, heeft de Afdeling na vereenvoudigde behandeling het verzoek van SBKW om herziening van de uitspraak van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1783, afgewezen. Bij de uitspraak van 29 mei 2019 is het beroep van, onder andere, SBKW tegen het besluit van de raad van de gemeente Doetinchem van 21 september 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Ziekenhuis - 2017" en het op diezelfde dag vastgestelde exploitatieplan "Slingeland ziekenhuis, locatie A18 2017" niet-ontvankelijk verklaard en is het beroep tegen het besluit van de raad van 27 september 2018 tot gewijzigde vaststelling van het bestemmingsplan "Ziekenhuis- 2017" ongegrond verklaard. De uitspraak van 3 december 2019 is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft SBKW verzet gedaan.

SBKW heeft nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft het verzet ter zitting behandeld op 26 februari 2020, waar SBKW, vertegenwoordigd door [gemachtigde], is verschenen.

Overwegingen

1.    Het op deze zaak betrekking hebbend wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage maakt deel uit van deze uitspraak.

2.    Verzet als bedoeld in artikel 8:55 van de Awb betreft uitsluitend de vraag of de Afdeling ten onrechte tot vereenvoudigde behandeling is overgegaan wegens de kennelijke uitkomst van - in dit geval - het herzieningsverzoek. Dit betekent dat de beoordeling van de Afdeling in deze verzetprocedure beperkt is tot de vraag of terecht uitspraak is gedaan zonder SBKW op zitting te horen. Indien in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in geval van een normale behandeling ook nog hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat omtrent de uitkomst. Zo ja, dan dient de verzetrechter het verzet gegrond te verklaren opdat nader onderzoek kan plaatsvinden.

3.    In de uitspraak waarvan verzet, heeft de Afdeling het verzoek van SBKW om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019 afgewezen, omdat de door SBKW gestelde feiten en omstandigheden niet tot een andere uitspraak zouden kunnen leiden, nu niet is voldaan aan de in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb cumulatief gestelde eisen.

4.    SBKW stelt dat zij ten onrechte niet is gehoord over haar verzoek om herziening. Zij wijst in dat verband op een verzoek op grond van de Wet openbaarheid van bestuur van de Milieuvereniging "De Oude IJsselstreek" dat na de uitspraak van 29 mei 2019 heeft geleid tot het bekend maken van het gedeeltelijk onleesbaar gemaakte rapport "Slingeland Ziekenhuis realisatiestudie locaties". Uit dat rapport is SBKW gebleken dat de raad reeds veel eerder voornemens was te kiezen voor de locatie voor het ziekenhuis aan de A18 in plaats van voor het zogenoemde Wedeo-terrein nabij het treinstation van Doetinchem. SBKW heeft ter zitting het sterke vermoeden geuit dat de leiding van het Slingelandziekenhuis al voor de realisatie van de nieuwbouw niet van plan was het ziekenhuis met een revalidatieafdeling uit te rusten. Gelet hierop heeft de raad bij de vaststelling van het bestemmingsplan door te kiezen voor de locatie aan de A18 onzorgvuldig gehandeld, aldus SBKW. Het doorslaggevende argument van de raad om niet te kiezen voor de locatie het Wedeo-terrein nabij het treinstation van Doetinchem, was juist een gebrek aan ruimte voor de vestiging aldaar van het ziekenhuis. Uit de realisatiestudie blijkt niet dat is aangetoond dat er bij het treinstation onvoldoende ruimte zou zijn. SBKW betoogt dat wanneer dit stuk tijdens de behandeling van haar beroep bekend zou zijn geweest, de Afdeling tot een andere uitspraak zou zijn gekomen. Gelet op artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening is SBKW van opvatting dat met de vestiging van het Slingelandziekenhuis op het Wedeo-terrein binnen bestaand stedelijk gebied in een actuele behoefte kan worden voorzien.

    In de uitspraak van 3 december 2019 is door de Afdeling voorts ten onrechte niet ingegaan op het betoog dat richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PbEG L 206; ook wel: de Habitatrichtlijn) de gemeente verplicht het herstel van ecologie mogelijk te maken en uit te voeren, zo stelt SBKW. Volgens haar klemt dit te meer omdat het plangebied in de omgeving van de ecologische verbindingszone Oude IJssel en aanliggende landerijen, aansluitend aan het Waalse Water en De Kemnade, ligt. De Afdeling heeft volgens SBKW de "sustainable development goals" (sdg's) ten onrechte niet meegewogen bij haar oordeel, terwijl de noodzaak daartoe volgt uit het arrest van de Hoge Raad van 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006.

5.    In de uitspraak waarvan verzet, is onder 6 overwogen dat ook wanneer bij de Afdeling bekend zou zijn geweest dat wordt afgezien van het vestigen van een revalidatieafdeling, dit niet tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden. Wat betreft de realisatiestudie overweegt de Afdeling dat dit een globale verkenning is en de studie niet claimt uitputtend te zijn. De studie behandelt twee mogelijke locaties voor het Slingeland ziekenhuis, te weten de locatie aan de A18 en de zogenoemde Wedeo-locatie nabij het treinstation van Doetinchem, en noemt de voor- en nadelen van elk van deze locaties. Een conclusie voor of tegen een bepaalde locatie bevat (het leesbare deel van) de realisatiestudie niet. Het betreft dus een voorbereidende studie in het kader van de besluitvorming rond de vaststelling van het bestemmingsplan. Kennisname door de Afdeling van de realisatiestudie kan niet tot de conclusie leiden dat de raad niet in redelijkheid heeft kunnen kiezen voor de in het bestemmingsplan voorziene locatie aan de A18 voor het ziekenhuis. Daarbij is van belang dat niet is gebleken dat de raad die keuze heeft gebaseerd op de verwachting dat een revalidatieafdeling in de toekomst deel zou uitmaken van het ziekenhuis. De realisatiestudie vormt derhalve geen feit of omstandigheid in de zin van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.

    Wat betreft de door SBKW gestelde onjuiste weergave van haar herzieningsgronden in de uitspraak waarvan verzet, en de door SBKW genoemde sdg's, overweegt de Afdeling dat zij is ingegaan op deze gronden en dat de door SBKW genoemde sdg's geen feiten of omstandigheden vormen in de zin van artikel 8:119, eerste lid, van de Awb.

    Het betoog faalt.

6.    Nu hetgeen SBKW in haar verzetschrift, nadere stukken en ter zitting heeft aangevoerd geen feiten of omstandigheden in de zin van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb betreft, bestaat geen grond voor twijfel aan de juistheid van de uitkomst van de uitspraak van 3 december 2019 en leidt het gestelde in verzet niet tot de conclusie dat SBKW voorafgaand aan die uitspraak door de Afdeling had moeten worden gehoord.

7.    Het verzet is ongegrond.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het verzet ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E. Helder, voorzitter, en mr. B.P.M. van Ravels en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, griffier.

w.g. Helder    w.g. Sparreboom

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 13 maart 2020

195-209.

 

BIJLAGE

 

ALGEMENE WET BESTUURSRECHT

Hoofdstuk 8 Bijzondere bepalingen over de wijze van procederen bij de bestuursrechter

Afdeling 8.2.4 Vereenvoudigde behandeling

Artikel 8:54

1. Totdat partijen zijn uitgenodigd om op een zitting van de bestuursrechter te verschijnen, kan de bestuursrechter het onderzoek sluiten, indien voortzetting van het onderzoek niet nodig is, omdat:

a. de bestuursrechter kennelijk onbevoegd is,

b. het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is,

c. het beroep kennelijk ongegrond is, of

d. het beroep kennelijk gegrond is.

2. In de uitspraak na toepassing van het eerste lid worden partijen gewezen op artikel 8:55, eerste lid.

Artikel 8:55

1. Tegen de uitspraak, bedoeld in artikel 8:54, tweede lid, kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan verzet doen bij de bestuursrechter.

[…]

4. Alvorens uitspraak te doen op het verzet, stelt de bestuursrechter de indiener van het verzetschrift die daarom heeft gevraagd, in de gelegenheid op een zitting te worden gehoord, tenzij hij van oordeel is dat het verzet gegrond is. In andere gevallen kan de bestuursrechter de indiener in de gelegenheid stellen op een zitting te worden gehoord.

Titel 8.6 Herziening

Artikel 8:119

1. De bestuursrechter kan op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,

b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

2. Hoofdstuk 6, titel 8.1, met uitzondering van afdeling 8.1.1 en artikel 8:13, titel 8.2, met uitzondering van artikel 8:41, tweede lid, titel 8.3 en titel 8.5, met uitzondering van artikel 8:109, zijn voor zover nodig van overeenkomstige toepassing.

[…]