Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:823

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
202001027/1/V3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBGEL:2020:917, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 21 november 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202001027/1/V3.

Datum uitspraak: 25 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 7 februari 2020 in zaak nr. NL19.28295 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 21 november 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen.

Bij uitspraak van 7 februari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.

Overwegingen

1.    De staatssecretaris heeft de aanvraag van de vreemdeling niet in behandeling genomen, omdat volgens de staatssecretaris België op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de behandeling van de aanvraag. Het hoger beroep gaat over de vraag of de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris bij die lidstaat ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, door zich te beroepen op de uitspraak van de Raad voor de Vreemdelingenbetwistingen (hierna: de RvV) van 3 juli 2019 over de weigering van een verzoek om internationale bescherming in België.

2.    De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet zorgvuldig heeft onderzocht of de vreemdeling met de uitspraak van de RvV aannemelijk heeft gemaakt dat de Belgische autoriteiten hun verdragsverplichtingen niet zullen nakomen. Daarmee heeft zij volgens hem niet onderkend dat de vreemdeling de uitspraak van de RvV niet heeft overgelegd en hij de weigering van het verzoek om internationale bescherming heeft betrokken bij het nemen van het besluit.

3.    Vast staat dat de vreemdeling de uitspraak van de RvV niet heeft overgelegd. Ook heeft hij niet op andere wijze aannemelijk gemaakt dat de staatssecretaris bij België ten onrechte is uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daarom heeft de staatssecretaris zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling de mogelijkheid heeft tegen een weigering van een verzoek om internationale bescherming in België een rechtsmiddel in te stellen zoals vermeldt in het besluit. De rechtbank heeft de staatssecretaris dus ten onrechte verplicht nader onderzoek te doen naar de uitspraak van de RvV. De grief slaagt.

4.    Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het hoger beroep gegrond;

II.    vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 7 februari 2020 in zaak nr. NL19.28295;

III.    verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. H.J.M. Baldinger, leden, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.

w.g. Verheij    w.g. Van Laar

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020

279.