Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:821

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
25-03-2020
Datum publicatie
01-04-2020
Zaaknummer
202000443/1/R4 202000443/2/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 augustus 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden [appellant] onder oplegging van dwangsommen gelast om, onder meer, de door [appellant] zonder daartoe strekkende omgevingsvergunning gebouwde dakkapellen op en overkapping aan een schuur op het perceel aan de [locatie] te Kedichem te verwijderen en verwijderd te houden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Ruimtelijke ordening 2020/8328
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000443/1/R4 en 202000443/2/R4.

Datum uitspraak: 25 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb)) en, met toepassing van artikel 8:86 van die wet, op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te Kedichem, gemeente Leerdam, handelend onder de naam [bedrijf],

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 11 december 2019 in zaak nr. 19/746 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Vijfheerenlanden.

Procesverloop

Bij besluit van 1 augustus 2018 heeft het college [appellant] onder oplegging van dwangsommen gelast om, onder meer, de door [appellant] zonder daartoe strekkende omgevingsvergunning gebouwde dakkapellen op en overkapping aan een schuur op het perceel aan de [locatie] te Kedichem te verwijderen en verwijderd te houden.

Bij besluit van 23 januari 2019 heeft het college, voor zover hier van belang, het besluit van 1 augustus 2018 in stand gelaten voor zover het ziet op de dakkapellen en de overkapping.

Bij uitspraak van 11 december 2019 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. Tevens heeft [appellant] de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 13 februari 2020, waar [appellant], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door A. Proetai en A.M.J. de Braul, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    In dit geval kan nader onderzoek redelijkerwijs niet bijdragen aan de beoordeling van de zaak en bestaat ook overigens geen beletsel om met toepassing van artikel 8:86, eerste lid, van de Awb onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak.

2.    De relevante bepalingen uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor) zijn opgenomen in de bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

2.1.    [appellant] is de eigenaar van het perceel [locatie] te Kedichem. De Lingedijk is een boven het maaiveld gelegen dijk aan de Linge, van waar zicht is op het beduidend lager gelegen perceel. Op het perceel staan onder meer een boerderijwoning, die een rijksmonument is in de zin van artikel 1.1 van de Erfgoedwet, en een schuur op afstand daarvan. [appellant] heeft twee dakkapellen op en een overkapping aan deze schuur laten bouwen. Vast staat dat met de dakkapellen en overkapping de totale inhoud van de boerderijwoning en schuur meer bedraagt dan is toegestaan ingevolge artikel 4, onder 4.2.3, van de planregels van het ter plaatse geldende bestemmingsplan "[locatie], Kedichem".

Het college heeft [appellant] onder oplegging van een dwangsom van € 5.000,00 ineens gelast de dakkapellen en de overkapping te verwijderen en verwijderd te houden.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de dakkapellen niet ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel 4, van bijlage II van het Bor omgevingsvergunningsvrij zijn, onder meer omdat deze niet zijn voorzien van een plat dak. De bouw van een overkapping is volgens de rechtbank niet omgevingsvergunningsvrij omdat deze activiteit bij een rijksmonument plaatsvindt. Nu de vereiste omgevingsvergunning niet is verleend, is artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo overtreden. Het college heeft volgens de rechtbank in redelijkheid kunnen overgaan tot handhavend optreden.

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat voor de overkapping een omgevingsvergunning was vereist. Hij wijst erop dat de schuur geen monumentale status heeft en dat de bouw van de overkapping daaraan vanwege de afstand tot de woonboerderij niet kan worden beschouwd als een activiteit bij dat monument. De overkapping aan de schuur is daarom omgevingsvergunningsvrij ingevolge artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor, aldus [appellant].

3.1.    Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo is het bouwen van een bouwwerk in strijd met het bestemmingsplan in beginsel niet toegestaan zonder omgevingsvergunning. In artikel 2 van bijlage II van het Bor worden uitzonderingen op de vergunningsplicht geregeld.

De schuur, waaraan de overkapping is gebouwd, voldoet aan de omschrijving van een bijbehorend bouwwerk van artikel 1 van bijlage II van het Bor, nu de schuur een gebouw is en de schuur functioneel is verbonden met de boerderijwoning, die als hoofdgebouw van het perceel moet worden aangemerkt, en zich op hetzelfde perceel bevindt.

De schuur staat in het achtererfgebied van de boerderijwoning. De overkapping is daarom een uitbreiding van een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor.

Indien de overkapping aan de overige in dat artikelonderdeel genoemde vereisten voldoet, zou de bouw daarvan dus in beginsel zonder omgevingsvergunning zijn toegestaan.

Ingevolge artikel 4a, eerste lid, van bijlage II van het Bor is voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan echter wel een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo vereist, indien de activiteit in, aan, op of bij onder meer een rijksmonument plaatsvindt. In de nota van toelichting bij de wijziging van het Bor van 17 juni 2011, waarbij artikel 4a, eerste lid, van bijlage II van het Bor is ingevoerd, staat dat de mogelijkheid om vergunningvrij een bijbehorend bouwwerk te bouwen, als bedoeld in artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor, niet openstaat bij monumenten (nota van toelichting, blz. 10; Stb. 2011, 339). In de nota van toelichting bij de wijziging van het Bor van 24 september 2014 wordt ervan uitgegaan dat onder bouwen van bijbehorende bouwwerken bij een monument mede wordt verstaan het bouwen op het perceel bij het betrokken monument (nota van toelichting, blz. 44; Stb. 2014, 333). Nu de schuur in hetzelfde bouwvlak als de boerderijwoning staat, wordt geoordeeld dat de schuur en dus ook de overkapping aan de schuur is gebouwd bij een rijksmonument als bedoeld in artikel 4a, eerste lid, van bijlage II van het Bor. Daargelaten of de overkapping voldoet aan de in artikel 2, aanhef en onderdeel 3, van bijlage II van het Bor nader genoemde vereisten, heeft de rechtbank dus terecht geconcludeerd dat een omgevingsvergunning was vereist voor de bouw van de overkapping.

4.    Voor zover [appellant] in het hogerberoepschrift naar voren heeft gebracht dat het onduidelijk is of, indien hij de dakkapellen op de schuur voorziet van een plat dak, het college opnieuw zal handhaven, overweegt de Afdeling dat dit zich niet richt tegen het bij de rechtbank bestreden besluit en daarmee evenmin tot de aangevallen uitspraak. Het aangevoerde leidt dan ook niet tot het oordeel dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

6.    Gelet hierop bestaat aanleiding het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af te wijzen.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    bevestigt de aangevallen uitspraak;

II.    wijst het verzoek af.

Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, griffier.

De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2020

163-860.

 

Bijlage

 

Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)

Artikel 2.1, eerste lid

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk,

[…]

c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan […].

Besluit omgevingsrecht (Bor), Bijlage II

Artikel 1:

In deze bijlage wordt verstaan onder:

achtererfgebied: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

[…]

bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

[..]

hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

[…]

Artikel 2

Een omgevingsvergunning voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a of c, van de wet is niet vereist, indien deze activiteiten betrekking hebben op: […]

3. een op de grond staand bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan in achtererfgebied, mits wordt voldaan aan de volgende eisen: […]

Artikel 4a, eerste lid,

Onverminderd artikel 5, zijn de artikelen 2 en 3 slechts van toepassing op een activiteit die plaatsvindt in, aan, op of bij een rijksmonument als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet […] voor zover het een activiteit betreft als bedoeld in:

[…]

a. artikel 2, onderdelen 1 en 2, of

b. artikel 2, onderdelen 4 tot en met 21, of artikel 3, onderdelen 4 tot en met 8:

1°. in, aan of op een onderdeel van het monument dat uit het oogpunt van monumentenzorg geen waarde heeft, of

2°. bij een monument.