Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:815

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
201807190/1/R2 en 201808771/1/R2
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 27 juni 2018 heeft het college van burgemeester en wethouders van Middelburg het uitwerkingsplan "Mortiere fase 9b" vastgesteld. De twee uitwerkingsplannen voorzien in de bouw van 43 woningen in fase 9b en de bouw van 31 woningen in de aangrenzend gelegen fase 9c van de nieuwbouwwijk Mortiere te Middelburg. [appellant] woont naast het plangebied van fase 9b. Hij stelt dat de reeds aanwezige wateroverlast door eerdere woningbouw in de omgeving en de daarmee gepaard gaande ophoging van het maaiveld met de realisering van de uitwerkingsplannen zal toenemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201807190/1/R2 en 201808771/1/R2.

Datum uitspraak: 18 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant], wonend te Middelburg,

en

het college van burgemeester en wethouders van Middelburg,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 27 juni 2018 heeft het college het uitwerkingsplan "Mortiere fase 9b" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 31 juli 2018 heeft het college het uitwerkingsplan "Mortiere fase 9c" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Bij besluit van 4 september 2018 heeft het college het uitwerkingsplan "Mortiere fase 9c" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: STAB) heeft desverzocht een deskundigenverslag uitgebracht.

[appellant], het college en Consortium Mortiere C.V. (hierna: consortium) hebben hun zienswijze daarop naar voren gebracht.

Het college en het consortium hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaken gevoegd ter zitting behandeld op 6 februari 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. J. Boogaard, advocaat te Middelburg, en het college, vertegenwoordigd door B.M. Kole en T.M.J. de Koster, bijgestaan door mr. A. Schreijenberg, advocaat te Middelburg, zijn verschenen.

Voorts is ter zitting het consortium, vertegenwoordigd door [gemachtigde], bijgestaan door mr. V.J. Rakovitch en mr. R.G. Gebel, beiden advocaat te ’s-Hertogenbosch, als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    De twee uitwerkingsplannen voorzien in de bouw van 43 woningen in fase 9b en de bouw van 31 woningen in de aangrenzend gelegen fase 9c van de nieuwbouwwijk Mortiere te Middelburg.

    [appellant] woont naast het plangebied van fase 9b. Hij stelt dat de reeds aanwezige wateroverlast door eerdere woningbouw in de omgeving en de daarmee gepaard gaande ophoging van het maaiveld met de realisering van de uitwerkingsplannen zal toenemen.

Het besluit van 4 september 2018

2.    Bij besluit van 4 september 2018 heeft het college, naar aanleiding van het beroep van [appellant], het uitwerkingsplan "Mortiere fase 9c" opnieuw en gewijzigd vastgesteld. Daarbij is de zienswijze van [appellant] tegen het ontwerp van dit uitwerkingsplan alsnog in de afweging betrokken.

2.1.    Artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: "Het bezwaar of beroep heeft van rechtswege mede betrekking op een besluit tot intrekking, wijziging of vervanging van het bestreden besluit, tenzij partijen daarbij onvoldoende belang hebben".

2.2.    De Afdeling merkt het besluit van 4 september 2018 aan als besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, nu dat betrekking heeft op hetzelfde uitwerkingsplan als waarop het besluit van 31 juli 2018 ziet en waartegen het beroep van [appellant] aanhangig is. Gelet op artikel 6:19, eerste lid, van de Awb, dient het beroep van [appellant] te worden geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 4 september 2018.

2.3.    De Afdeling zal eerst de beroepen van [appellant] tegen de besluiten van 4 september 2018 en 27 juni 2018 behandelen.

Goede procesorde

3.    Ook na afloop van de beroepstermijn en indien die termijn is gegeven, na afloop van de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Awb, kunnen, gelet op artikel 8:58 van de Awb, nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken, ter onderbouwing van een eerdere beroepsgrond worden ingediend, tenzij dat in strijd is met een goede procesorde. Dat is het geval, indien de nadere argumenten, nadere gegevens of nadere stukken verwijtbaar zodanig laat worden ingediend, dat de andere partijen worden belemmerd om daarop adequaat te reageren of indien de goede voortgang van de procedure daardoor anderszins wordt belemmerd.

3.1.    De Afdeling overweegt dat [appellant] eerst ter zitting in de slotopmerkingen heeft gesteld dat de opstellers van het deskundigenverslag van de STAB volgens hem niet deskundig zijn op het gebied van waterhuishouding. Niet valt in te zien waarom [appellant] dit argument niet eerder heeft kunnen aanvoeren. De betrokkenen hebben niet de mogelijkheid gehad om hierop adequaat te reageren. De Afdeling ziet hierin aanleiding om de gestelde ondeskundigheid, wat daar ook van zij, wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

Toetsingskader

4.    Wanneer in een bestemmingsplan een uitwerkingsplicht is opgenomen, dient het college van burgemeester en wethouders in beginsel een uitwerkingsplan vast te stellen. In het kader van een beroep tegen een uitwerkingsplan kan ter beoordeling staan of dit plan is voorbereid en genomen in strijd met het recht, daaronder begrepen of de uitgewerkte bestemming strookt met de uitwerkingsregels in het bestemmingsplan en, voor zover die regels daartoe de ruimte laten, met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij geldt de planologische aanvaardbaarheid van de uit te werken bestemming als een gegeven.

Omvang van het geding

5.    Ter zitting is gebleken dat het geschil zich beperkt tot de vraag of door de realisatie van de uitwerkingsplannen op het perceel van [appellant] wateroverlast zal ontstaan. Om deze overlast uit te sluiten heeft het college onderzoek laten verrichten naar de hydrologische gevolgen van de uitwerkingsplannen en is naar aanleiding daarvan in artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder i, van de bouwregels de voorwaarde opgenomen dat op de percelen met de bestemming "Wonen" alleen mag worden gebouwd indien dit geen negatieve hydrologische gevolgen heeft.

6.    [appellant] stelt dat de realisatie van de twee uitwerkingsplannen zal leiden tot wateroverlast op zijn perceel aan de [locatie]. Volgens hem kan niet worden voldaan aan de in artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder i, van de planregels neergelegde voorwaarde. Hij stelt dat uit de reactie van het bureau Arcadis van 15 september 2015 (hierna: de reactie van Arcadis van 15 september 2015) op het rapport "Wateroverlast [locatie] Middelburg" van bureau Grontmij van 28 augustus 2015 (hierna: het rapport van Grontmij van 28 augustus 2015) blijkt dat bureau Arcadis verschillende maatregelen noodzakelijk acht ter voorkoming van wateroverlast in verband met de realisering van de woonwijk Mortiere, waaronder een sloot rondom het perceel van [appellant]. Volgens [appellant] kunnen deze noodzakelijk geachte maatregelen niet meer worden uitgevoerd, omdat de sloot volgens het memo "Oplossingsmogelijkheden [appellant] Middelburg Definitief" van het bureau Arcadis van 23 juli 2019 (hierna: het memo van Arcadis van 23 juli 2019) zal worden gedempt. [appellant] stelt verder dat de nieuwe maatregelen in het memo van Arcadis van 23 juli 2019 niet zijn verzekerd in de uitwerkingsplannen, onvoldoende concreet zijn en niet afdoende zijn om wateroverlast op zijn perceel aan de [locatie] te voorkomen.

6.1.    Volgens het college volgt uit de rapporten "Watertoets uitwerkingsplan Mortiere fase 9b" en "Watertoets uitwerkingsplan Mortiere fase 9c definitief" van Royal HaskoningDHV van 10 januari 2018 respectievelijk 30 april 2018 dat wateroverlast ten gevolge van de realisatie van de uitwerkingsplannen niet wordt verwacht. Daarnaast blijkt volgens het college uit het memo van Arcadis van 23 juli 2019 dat maatregelen kunnen worden getroffen om wateroverlast op het perceel van [appellant] te voorkomen. Volgens het college kan dus worden voldaan aan de voorwaarde in artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder i, van de planregels.

6.2.    Uit het deskundigenverslag van 5 september 2019 blijkt dat de realisatie van het uitwerkingsplan "Mortiere fase 9c" geen directe gevolgen zal hebben voor de waterhuishouding op het perceel van [appellant]. Uit het deskundigenverslag volgt verder dat voor wat betreft de realisatie van het uitwerkingsplan "Mortiere fase 9b" de door het college met de in het memo van Arcadis van 23 juli 2019 beoogde maatregelen voldoende zijn om in normale weersomstandigheden het hemelwater dat op het perceel van [appellant] komt af te voeren. In geval van extreme weersomstandigheden kan het hemelwater niet via het hemelwaterriool worden afgevoerd. Volgens het deskundigenverslag hebben de beoogde watergangen rond het perceel van [appellant] voldoende capaciteit om hemelwater in deze omstandigheden te bergen. Uit het deskundigenverslag volgt verder dat het verschil in maaiveldhoogte in de toekomstige situatie kan leiden tot het afstromen van water vanuit de plangebieden naar het perceel van [appellant], maar dat dit water evenwel kan worden afgevangen door een cunetdrainage of worden opgevangen in de watergangen rond het perceel. Indien deze maatregelen niet voldoende zijn, dan dienen aanvullende maatregelen te worden genomen, maar daar biedt de verkeersbestemming in het voornoemde uitwerkingsplan "Mortiere fase 9b" voldoende ruimte voor.

6.3.    De Afdeling stelt voorop dat ter beoordeling staat of uit de aan de uitwerkingsplannen ten grondslag gelegde onderzoeken kan worden afgeleid dat aan de voorwaarde in artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder i, van de planregels kan worden voldaan en daarmee of de plannen uitvoerbaar zijn. Daarbij moet worden uitgegaan van de planologische mogelijkheden in en rondom de plangebieden voor het treffen van afdoende maatregelen ten behoeve van de waterhuishouding om wateroverlast op het perceel van [appellant] te voorkomen. Niet is vereist dat de exacte maatregelen voor de beheersing van de waterhuishouding reeds in de planregels zijn vastgelegd, zoals [appellant] wenst. De capaciteit en de technische uitvoering van de waterberging zijn uitvoeringsaspecten die niet in een bestemmingsplan kunnen worden geregeld (zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ7428). De nadere uitwerking van de te treffen maatregelen dient plaats te vinden bij de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Het bevoegd gezag dient aan de hand daarvan te beoordelen of met het voorgelegde plan aan de voorwaarde in artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder i, van de planregels kan worden voldaan. Tegen die beoordeling kan [appellant] desgewenst opkomen.

    Uit het deskundigenverslag volgt dat er maatregelen (planologisch) mogelijk zijn om wateroverlast te voorkomen, zodat aan de voorwaarde in artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder i, van de planregels kan worden voldaan.

    In hetgeen [appellant] en bureau Sweco in het rapport "Beoordeling waterhuishouding [locatie] Middelburg" van 10 december 2019 (hierna: het rapport van Sweco van 10 december 2019) met betrekking tot het deskundigenverslag hebben aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor een ander oordeel. [appellant] heeft aangevoerd dat het college had moeten vasthouden aan de in het rapport van Grontmij van 28 augustus 2015 en de reactie van Arcadis van 15 september 2015 geadviseerde maatregelen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college in redelijkheid aansluiting kunnen zoeken bij het memo van Arcadis van 23 juli 2019, dat is gebaseerd op voortschrijdend inzicht over de beschikbare fysieke en planologische ruimte voor de maatregelen. Uit het deskundigenverslag kan bovendien niet worden afgeleid dat de uitwerkingsplannen in de weg staan aan de in het rapport van Grontmij van 28 augustus 2015 en de reactie van Arcadis van 15 september 2015 geadviseerde maatregelen. De afwatering hoeft verder, anders dan [appellant] stelt, niet uitsluitend binnen het plangebied plaats te vinden, zolang aan de voorwaarde in artikel 5, lid 5.2.1, aanhef en onder i, van de planregels wordt voldaan. Ook de in het rapport van 10 december 2019 door Sweco geadviseerde maatregelen - waaronder de handhaving van de watergang langs de Eendrachtsweg, een verbinding met de Mannezeesche Watergang, de aanleg van een robuuste sloot aan de noordwestzijde van het perceel van [appellant], de aanleg van een ondiepe greppel met drain aan de noordoostzijde van het perceel van [appellant] en de aanleg van een grindkoffer aan de zuidoostzijde van het perceel van [appellant] - zijn planologisch mogelijk. Volgens het deskundigenverslag sluiten de twee uitwerkingsplannen de huidige wijze van afwateren ook niet uit. Naar het oordeel van de Afdeling volgt uit het rapport van Sweco van 10 december 2019 niet dat een afdoende afwatering planologisch en/of technisch onmogelijk is.

    Gelet op het voorgaande bestaat geen grond voor het oordeel dat op voorhand vaststaat dat niet kan worden voldaan aan de voorwaarde in artikel 5, lid 5.2.1, onder i, van de planregels en dat de uitwerkingsplannen niet uitvoerbaar zouden zijn.

    Het betoog faalt.

Conclusie

7.    De beroepen van [appellant] tegen het besluit van 27 juni 2018 en het besluit van 4 september 2018 zijn ongegrond.

8.    Nu gelet op het voorgaande het beroep van [appellant] tegen het besluit van 4 september 2018 ongegrond is verklaard, zal het in dat besluit vastgestelde uitwerkingsplan met deze uitspraak onherroepelijk worden. Hieruit volgt dat het uitwerkingsplan, zoals vastgesteld bij het besluit van 31 juli 2018, geen rechtskracht meer zal verkrijgen. Onder deze omstandigheden ziet de Afdeling aanleiding voor het oordeel dat [appellant], zoals hij ter zitting ook heeft erkend, geen belang meer heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep tegen het besluit van 31 juli 2018. Gelet hierop dient het beroep van [appellant] tegen het besluit van 31 juli 2018 niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Proceskosten

9.    Nu het college het besluit van 4 september 2018 heeft genomen om gedeeltelijk tegemoet te komen aan het beroep van [appellant] tegen het besluit van 31 juli 2018, dient het college op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Middelburg van 31 juli 2018 tot vaststelling van het uitwerkingsplan "Mortiere fase 9c" niet-ontvankelijk;

II.    verklaart de beroepen van [appellant] tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Middelburg van 27 juni 2018 tot vaststelling van het uitwerkingsplan "Mortiere fase 9b" en het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Middelburg van 4 september 2018 tot vaststelling van het uitwerkingsplan "Mortiere fase 9c" ongegrond;

III.    veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Middelburg tot vergoeding van bij [appellant] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.312,50 (zegge: duizenddriehonderdtwaalf euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;

IV.    gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Middelburg aan [appellant] het door hem voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ten bedrage van € 340,00 (zegge: driehonderdveertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W.D.M. van Diepenbeek, voorzitter, en mr. P.H.A. Knol en mr. A. ten Veen, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.P.F. Boermans, griffier.

w.g. Van Diepenbeek    w.g. Boermans

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020

429-914.