Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:812

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
201902527/1/R1
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 11 februari 2019 heeft de raad van de gemeente Lochem het bestemmingsplan "Bosrijk Ruighenrode" vastgesteld. Het bestemmingsplan bevat een regeling voor het recreatieterrein aan de Vordenseweg 6 in Lochem, dat onder meer Bospark Ruighenrode en Bosrijk Ruighenrode omvat. Het plan is vastgesteld met het oog op de aanleg van 20 camperplaatsen op Bosrijk Ruighenrode en de permanente bewoning van één van de recreatiewoningen op Bospark Ruighenrode als bedrijfswoning ten behoeve van Bosrijk Ruighenrode. [appellant A] en anderen zijn eigenaren van recreatiewoningen op Bospark Ruighenrode. Zij verzetten zich tegen de nieuwe mogelijkheden die het plan biedt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902527/1/R1.

Datum uitspraak: 18 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A], wonend te [woonplaats], en anderen,

en

de raad van de gemeente Lochem,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Bosrijk Ruighenrode" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben [appellant A] en anderen beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Bosrijk Ruighenrode B.V. (hierna: de initiatiefnemer) heeft een schriftelijke uiteenzetting ingediend.

[appellant A] en anderen en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 februari 2020, waar zijn verschenen:

- [appellant A] en anderen, vertegenwoordigd door [appellant A] en [gemachtigde],

- de raad, vertegenwoordigd door ing. B. Vogelzang en mr. H. van Veldhuisen

- de initiatiefnemer, vertegenwoordigd door mr. H. [persoon], advocaat te Zutphen, [gemachtigden].

Overwegingen

Inleiding

1.    Het bestemmingsplan bevat een regeling voor het recreatieterrein aan de Vordenseweg 6 in Lochem, dat onder meer Bospark Ruighenrode en Bosrijk Ruighenrode omvat. Het plan is vastgesteld met het oog op de aanleg van 20 camperplaatsen op Bosrijk Ruighenrode en de permanente bewoning van één van de recreatiewoningen op Bospark Ruighenrode als bedrijfswoning ten behoeve van Bosrijk Ruighenrode.

2.    [appellant A] en anderen zijn eigenaren van recreatiewoningen op Bospark Ruighenrode. Zij verzetten zich tegen de nieuwe mogelijkheden die het plan biedt.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Ontvankelijkheid

4.    De raad voert verweer over de ontvankelijkheid van het beroep. Volgens de raad hebben niet alle appellanten een zienswijze over de in beroep bestreden plandelen naar voren gebracht, zodat het namens die appellanten ingestelde beroep niet-ontvankelijk is. Daarnaast is een aantal appellanten volgens de raad geen belanghebbende bij het bestreden besluit, omdat zij geen feitelijke gevolgen van de nieuw toegelaten mogelijkheden zullen ondervinden.

4.1.    [appellant A] en anderen menen dat het niet naar voren brengen van een zienswijze verschoonbaar is. Zij stellen dat het plangebied vijf zelfstandige recreatieterreinen omvat, maar dat de naam van het plan suggereert dat het alleen betrekking heeft op één van deze vijf recreatieterreinen, te weten Bosrijk Ruighenrode. In de kennisgeving van terinzagelegging van het ontwerpplan is verder evenmin vermeld dat het plangebied een groter gebied omvat. Daardoor wordt de suggestie gewekt dat het plan slechts betrekking heeft op het recreatieterrein Bosrijk Ruighenrode. Daarbij wijzen zij erop dat de voorgenomen bedrijfswoning niet op het terrein van Bosrijk Ruighenrode zal worden gerealiseerd, maar op het terrein van Bospark Ruighenrode, waarop zij hun recreatiewoningen hebben. Verder voeren [appellant A] en anderen aan dat zij niet permanent in hun recreatiewoningen mogen verblijven, zodat zij ook geen kennis kunnen nemen van de lokaal verspreide kennisgeving. Om deze reden en omdat het plan mede betrekking heeft op hun recreatiewoningen, vinden zij dat zij een persoonlijke kennisgeving van terinzagelegging van het ontwerpplan hadden moeten ontvangen.

    Over hun belang bij de bestreden nieuwe mogelijkheden stellen [appellant A] en anderen dat zij zakelijk gerechtigd zijn tot het terrein van Bospark Ruighenrode en de ten dienste van dit terrein gevestigde rechten van erfdienstbaarheid op het terrein van Bosrijk Ruighenrode.

4.2.    In de kennisgeving van terinzagelegging van het ontwerpplan staat:

"Ontwerp bestemmingsplan Bosrijk Ruighenrode NL. IMRO.0262. buRuighenrodeLo-BP31

Het bestemmingsplan Bosrijk Ruighenrode aan de Vordenseweg 6 Lochem beoogt 20 camperplaatsen te realiseren en één recreatiewoning aan te wijzen als bedrijfswoning.

[…]"

4.3.    De Afdeling stelt vast dat het beroep is ingesteld door [appellant A] mede namens 23 anderen. Namens alle appellanten is een zienswijze naar voren gebracht die betrekking heeft op de regeling voor bijgebouwen bij hun recreatiewoningen op Bospark Ruighenrode. Dit veronderstelt dat zij kennis hebben genomen van het ontwerpplan en hebben geconstateerd dat het plan niet alleen betrekking heeft op de gronden van Bosrijk Ruighenrode, maar tevens op de gronden van Bospark Ruighenrode. Bovendien worden in de kennisgeving uitdrukkelijk de thans in beroep bestreden planonderdelen vermeld. Het niet naar voren brengen van een zienswijze over de in beroep bestreden planonderdelen, acht de Afdeling dan ook niet verschoonbaar. Daarbij betrekt de Afdeling dat niet blijkt van een in dit verband relevante wijziging van het vastgestelde plan ten opzichte van het ontwerpplan. Overigens vloeit uit de Wet ruimtelijke ordening noch uit enig andere wet de verplichting voort dat de raad gehouden is tot het doen van een persoonlijke kennisgeving in een geval als hier aan de orde. Het behoort tot de verantwoordelijkheid van [appellant A] en anderen om op een andere manier kennis te nemen van publicaties van overheidswege als zij daarvan niet via het huis-aan-huisblad op de hoogte kunnen raken.

    [appellant A] en [appellant B] en [appellant C] en [appellante D] (hierna gezamenlijk: [appellant A] en [appellant C]) hebben afzonderlijk zienswijzen naar voren gebracht over de nieuwe mogelijkheden die het plan ten opzichte van het vorige plan biedt, te weten de camperplaatsen en de bedrijfswoning. Omdat zij zakelijk gerechtigd zijn tot de gronden van Bospark Ruighenrode en Bosrijk Ruighenrode hebben zij ook een rechtstreeks bij het bestreden besluit betrokken belang. Het beroep, voor zover door hen ingesteld, acht de Afdeling daarom wel ontvankelijk en zal dan ook hierna volledig inhoudelijk worden behandeld.

4.4.    Het voorgaande betekent dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het is ingesteld door anderen dan [appellant A] en [appellant C].

Processueel aspect

5.    [appellant A] en [appellant C] verzetten zich tegen het optreden van [persoon] als gemachtigde van de initiatiefnemer, omdat hij lid is van de raad van de gemeente Zutphen met welke gemeente de gemeente Lochem een samenwerkingsverband heeft. Volgens [appellant A] en [appellant C] heeft [persoon] zich gemengd in de voorbereiding van het plan en daarbij onjuiste informatie verstrekt op grond waarvan het plan vervolgens ten nadele van hen is gewijzigd. Verder zitten er volgens hen diverse onjuistheden in de door [persoon] ingediende schriftelijke uiteenzetting. Dit alles in samenhang bezien brengt volgens hen mee dat het bestemmingsplan in strijd met het verbod van vooringenomenheid is vastgesteld en dat de door [persoon] ingediende stukken buiten beschouwing moeten worden gelaten. Ter zitting hebben [appellant A] en [appellant C] verduidelijkt dat zij ervan uitgaan dat de raad zijn standpunt ten aanzien van de bedrijfswoning heeft gewijzigd op grond van onjuiste informatie van [persoon].

5.1.    Naar het oordeel van de Afdeling hebben [appellant A] en [appellant C] niet aannemelijk gemaakt dat de raad het plan heeft vastgesteld op basis van onjuiste informatie verstrekt door [persoon], zodat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de raad vooringenomen was bij de vaststelling van het plan.

    Het betoog faalt.

Procedurele aspecten

6.    [appellant A] en [appellant C] betogen dat in het raadsvoorstel de periode van terinzageligging van het ontwerpplan op onjuiste wijze is vermeld. Daarnaast worden in het raadsbesluit en het raadsvoorstel besluitnummer 2018-126390 gebruikt, terwijl op www.ruimtelijkeplannen.nl besluitnummer 2018-110682 wordt vermeld. Volgens hen is het plan daarom niet op rechtsgeldige wijze vastgesteld.

6.1.    Het ontwerpplan heeft van 5 juli 2018 tot en met 15 augustus 2018 ter inzage gelegen. Dat in het raadsvoorstel een andere periode wordt genoemd, heeft geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het bestreden besluit. Deze omstandigheid laat immers onverlet dat het ontwerpplan feitelijk gedurende zes weken ter inzage heeft gelegen overeenkomstig de in de kennisgeving van terinzagelegging genoemde periode.

    Voorts staat in het bestreden besluit dat de raad het bestemmingsplan Bosrijk Ruighenrode heeft vastgesteld, met als IMRO-code NL.IMRO.0262.buRuighenrodeLo-BP41. Het bestemmingsplan met deze IMRO-code is ook via www.ruimtelijkeplannen.nl te raadplegen. Dat in de loop van de procedure daarnaast verschillende andere besluitnummers als gemeentelijk kenmerk zijn gehanteerd, brengt niet mee dat het bestreden besluit in strijd met de rechtszekerheid is genomen.

    Het betoog faalt.

Het plangebied

7.    [appellant A] en [appellant C] betogen dat de raad ten onrechte de terreinen van Bospark Ruigenrode, Resort de Schakel, Ruighenrode Estate en Bungalowpark Ruighenrode in het bestemmingsplan heeft opgenomen. De raad had het plangebied moeten beperken tot het terrein van Bosrijk Ruighenrode. Het gemeentebestuur had volgens hen bij het begrenzen van het plangebied geen betekenis mogen toekennen aan het bedrijfsplan van de initiatiefnemer. Dat bedrijfsplan bevat onjuistheden die met name betrekking hebben op de omvang van Bosrijk Ruighenrode en de wijze waarop alle recreatieterreinen binnen het plangebied worden geëxploiteerd. De plantoelichting bevat vergelijkbare onjuistheden. De raad heeft nagelaten het bedrijfsplan op juistheid te controleren. Het plan wekt daardoor de onjuiste indruk dat de initiatiefnemer over de andere vier recreatieterreinen kan beschikken. De planbegrenzing is daarom in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

7.1.    De raad komt beleidsruimte toe bij het bepalen van de begrenzingen van een bestemmingsplan, maar die begrenzing moet wel strekken ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling stelt vast dat in het vorige plan "Buitengebied-Lochem" het recreatieterrein aan de Vordenseweg 6 als één samenhangend recreatieterrein is beschouwd, met onder meer een maximum aantal recreatiewoningen dat voor het gehele terrein geldt. Vanwege deze samenhangende regeling in het vorige plan, heeft de raad in redelijkheid kunnen besluiten om voor het gehele terrein een nieuw plan vast te stellen. Daarbij betrekt de Afdeling dat - anders dan [appellant A] en [appellant C] lijken te vrezen - de privaatrechtelijke rechten op de gronden niet in een bestemmingsplan worden geregeld, zodat dit plan daarin dus ook geen verandering brengt. In hetgeen [appellant A] en [appellant C] hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vastgestelde planbegrenzing strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

    Het betoog faalt.

De camperplaatsen

8.    [appellant A] en [appellant C] betogen dat de raad ten onrechte niet heeft onderzocht of de 20 toegelaten camperplaatsen op veilige wijze kunnen worden gerealiseerd, met name wat betreft het risico op brandoverslag. Daarbij voeren zij aan dat feitelijk minder ruimte beschikbaar is voor de camperplaatsen dan de door de raad genoemde 4.000 m2, nu nog rekening moet worden gehouden met de aan te houden afstand van 5 meter tot de erfgrens alsmede met de sanitaire voorzieningen, het aanwezige groen en het gevestigde recht van overpad.

8.1.    De raad stelt dat aspecten van brandveiligheid van de camperplaats zijn geregeld in het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Op grond van dit besluit dient de ingebruikname van de camperplaatsen vooraf te worden gemeld, waarna er wordt getoetst op brandveiligheid. Omdat het brandveilig gebruik van de camperplaats hiermee toereikend is geregeld, heeft de raad geen aanvullende regeling in het plan opgenomen. Daarbij wijst de raad erop dat de aanduiding een oppervlakte heeft van 4.000 m2, hetgeen ruim voldoende is om 20 camperplaatsen op veilige wijze te realiseren, ook als rekening wordt gehouden met de verdere inrichting van deze gronden.

8.2.    Hetgeen [appellant A] en [appellant C] hebben aangevoerd bevat geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid aansluiting heeft kunnen zoeken bij het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Omdat moet worden voldaan aan dit besluit, heeft de raad geen aanleiding hoeven zien om een specifieke planregeling op te nemen met het oog op de brandveiligheid. Gelet op de oppervlakte van de voor plaatsing van campers aangewezen en beschikbare gronden en de per camper benodigde ruimte, heeft de raad niet hoeven twijfelen aan de mogelijkheid van een uitvoering van de 20 camperplaatsen in overeenstemming met voormeld besluit.

    Het betoog faalt.

9.    [appellant A] en [appellant C] voeren aan dat de camperplaats is voorzien binnen het Natuurnetwerk Nederland en een Natura 2000-gebied. Binnen deze gebieden kan de nieuwe ontwikkeling niet worden toegestaan nu geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is verleend. Door het gebruik als camperplaats wordt de functie van het terrein verzwaard. Ter onderbouwing van hun betoog wijzen zij op delen van een milieueffectrapport dat is opgesteld ten behoeve van een vorig plan.

9.1.    De Afdeling stelt vast dat het plangebied niet in een Natura 2000-gebied ligt. Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied is "Stelkampsveld" op een afstand van ruim 6 km. Het betoog mist in zoverre dus feitelijke grondslag.

    Voorts is in dit geval geen sprake van een in planologisch opzicht relevante nieuwe functie of bestemming of uitbreiding daarvan binnen het Gelders natuurnetwerk of de Groene ontwikkelingszone als bedoeld in de Omgevingsverordening. Het plan is dan ook niet in strijd met de desbetreffende instructieregels uit de Omgevingsverordening vastgesteld.

    Het betoog faalt.

10.    [appellant A] en [appellant C] betogen dat de camperplaatsen niet mogen worden gerealiseerd vanwege een gevestigd recht van erfdienstbaarheid. In de eerste plaats zullen de camperplaatsen leiden tot meer verkeer over de toegangsweg, waardoor het recht van erfdienstbaarheid wordt verzwaard. In de tweede plaats zijn de camperplaatsen voorzien op gronden waar het recht van erfdienstbaarheid mede betrekking op heeft.

10.1.    Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling staat een privaatrechtelijke belemmering eerst aan de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan in de weg wanneer deze een evident karakter heeft. De burgerlijke rechter is immers de eerst aangewezene om de vraag te beantwoorden of een privaatrechtelijke belemmering in de weg staat aan de uitvoering van een activiteit (bijvoorbeeld de uitspraak van 30 januari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BY9957). Anders dan [appellant A] en [appellant C], leest de Afdeling in de overgelegde tekst van de gevestigde rechten geen evidente belemmering om op de aangeduide gronden, die momenteel de functie van weg of parkeerplaats hebben, camperplaatsen te realiseren. Het betoog geeft dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de verwezenlijking van het plan in de weg staat.

    Het betoog faalt.

11.    Voor zover [appellant A] en [appellant C] betogen dat in strijd met de daarvoor geldende regelgeving, waaronder dit bestemmingsplan, ten behoeve van de camperplaatsen bebouwing is opgericht en beplanting is verwijderd, overweegt de Afdeling dat dit aspecten van handhaving zijn die in deze procedure niet aan de orde kunnen komen.

De bedrijfswoning

12.    [appellant A] en [appellant C] betogen dat de raad ten onrechte een bedrijfswoning ten behoeve van Bosrijk Ruighenrode op Bospark Ruighenrode heeft toegelaten. Volgens hen bestaat er geen binding tussen beide terreinen. Daarnaast ontbreekt de noodzaak van een bedrijfswoning ten behoeve van Bosrijk Ruighenrode. Het ontbreken van noodzaak blijkt uit de omstandigheid dat er nooit eerder een bedrijfswoning is toegestaan, de openingstijden van Bospark Ruighenrode beperkt zijn en de stand van de techniek zodanig is dat niemand permanent aanwezig hoeft te zijn om toegang tot het terrein te verschaffen. Ook is de eigenaar van de beoogde bedrijfswoning niet betrokken bij de dagelijkse bedrijfsvoering van Bospark Ruighenrode; de exploitatie zal worden uitbesteed aan een beheerder. Het gebruik van één van de recreatiewoningen door deze beheerder als beheerderswoning wordt reeds gedoogd. Dit betekent dat er feitelijk sprake zal zijn van twee bedrijfswoningen.

12.1.    Aan het gehele plangebied is de bestemming "Recreatie - Verblijfsrecreatie" toegekend.

    Artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder a, van de planregels luidt:

"De voor 'Recreatie - Verblijfsrecreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. een bedrijfsmatig geëxploiteerd terrein voor recreatief (nacht)verblijf met bijbehorende bebouwing, terreinen en voorzieningen, waaronder begrepen verkeer- en parkeervoorzieningen en spel- en sportvoorzieningen;

[…]

met dien verstande dat:

[…]

i. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', één recreatiewoning mag worden gebruikt voor permanente bewoning als bedoeld in lid 3.4.1 onder b.

    Artikel 3, lid 3.4.1 (permanente bewoning) luidt:

" Voor het gebruik gelden de volgende regels:

a. de permanente bewoning van recreatiewoningen, kampeermiddelen, kampeerverblijven en/of andere onderkomens en gebouwen die niet voor permanente bewoning bestemd zijn, wordt als gebruik in strijd met dit bestemmingsplan aangemerkt;

b. in afwijking van het bepaalde onder a, mag ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' één recreatiewoning worden gebruikt voor permanente bewoning door (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar noodzakelijk is, gelet op de bestemming van het terrein."

12.2.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1697) is voor de vraag naar de noodzaak van een bedrijfswoning van belang of de bedrijfsprocessen ter plaatse zoveel tijd en aandacht opeisen, dat op grond daarvan een redelijk belang om op het perceel te wonen aanwezig moet worden geacht. In dit geval is de Afdeling van oordeel dat de raad de noodzaak van permanente bewoning aanwezig heeft kunnen achten. Daarvoor is redengevend dat de raad heeft toegelicht dat het terrein in het verleden verloederd is geraakt en dat de initiatiefnemer het terrein heeft gekocht met het voornemen om een kwaliteitsimpuls aan het terrein te geven. Met permanent toezicht op het terrein wordt het bereiken van deze doelstelling van het plan bevorderd. Daarnaast kan met de permanente bewoning worden bereikt dat de hotelgasten en de gebruikers van de camperplaatsen ook buiten openingstijden een aanspreekpunt hebben en aan hen toegang tot het terrein kan worden verschaft. Daarbij heeft de raad de permanente bewoning van één van de bestaande recreatiewoningen uit een ruimtelijk oogpunt in redelijkheid wenselijker kunnen achten dan de bouw van een geheel nieuwe bedrijfswoning. In de planregels is gewaarborgd dat uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "bedrijfswoning" één recreatiewoning mag worden gebruikt voor permanente bewoning door (het huishouden van) een persoon wiens huisvesting daar noodzakelijk is.

    Het betoog faalt.

13.    [appellant A] en [appellant C] voeren aan dat het gemeentebestuur een streng handhavingsbeleid voert ten aanzien van permanente bewoning van recreatiewoningen op Bospark Ruighenrode, maar dat het plan in strijd daarmee nu wel de permanente bewoning van één van de recreatiewoningen ten behoeve van Bosrijk Ruighenrode mogelijk maakt. Het toelaten van een bedrijfswoning is dan ook in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

13.1.    Over de door [appellant A] en [appellant C] gemaakte vergelijking met het handhavingsbeleid van het gemeentebestuur ten aanzien van permanente bewoning van recreatiewoningen, overweegt de Afdeling dat permanente bewoning zonder samenhang met de recreatieve bestemming een andere situatie is dan permanente bewoning ten behoeve van de bedrijfsmatige exploitatie van een deel van het recreatieterrein. In hetgeen zij hebben aangevoerd ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het plan in strijd met het gelijkheidsbeginsel is vastgesteld.

    Het betoog faalt.

14.    [appellant A] en [appellant C] betogen dat in het plan ten onrechte niet is gewaarborgd dat de bedrijfswoning slechts tijdelijk als bedrijfswoning in gebruik mag zijn. Zij wijzen daarbij op de motivering van de raad dat permanente bewoning slechts mag plaatsvinden zolang dat noodzakelijk is voor de bedrijfsvoering.

14.1.    De Afdeling stelt vast dat permanente bewoning van de aangeduide woning op grond van artikel 3, lid 3.4.1, onder b, van de planregels alleen mogelijk is zolang die noodzakelijk is voor de exploitatie van het recreatieterrein. Zodra blijkt dat permanente bewoning niet langer noodzakelijk is, wordt gehandeld in strijd met het plan en kan er handhavend worden opgetreden tegen permanente bewoning. Anders dan [appellant A] en anderen veronderstellen, ligt de door hen bedoelde tijdelijkheid reeds besloten in artikel 3, lid 3.4.1, onder b, van de planregels.

    Het betoog faalt.

15.    [appellant A] en [appellant C] betogen dat de raad in strijd met de statuten van de Vereniging van Eigenaars van Bospark Ruighenrode een bedrijfswoning op het recreatieterrein van Bospark Ruighenrode mogelijk heeft gemaakt. Weliswaar heeft de ledenvergadering hiermee ingestemd, maar deze instemming was voorwaardelijk en aan de gestelde voorwaarden is niet voldaan. Bovendien kan de instemming ook weer worden ingetrokken. Het plan is in zoverre niet uitvoerbaar.

15.1.    Ook bij de beoordeling van dit betoog staat voorop dat het in de eerste plaats aan de burgerlijke rechter is om de vraag te beantwoorden of in dit geval permanente bewoning plaatsvindt in strijd met de statuten van de Vereniging van Eigenaars van Bospark Ruighenrode. Bovendien heeft het bestuur van de VvE aan het gemeentebestuur medegedeeld dat de leden van de VvE met ruime meerderheid hebben besloten om permanente bewoning van één van de recreatiewoningen op Bospark Ruighenrode ten behoeve van Bosrijk Ruighenrode toe te staan. Weliswaar is deze toestemming voorwaardelijk en kan deze ook weer worden ingetrokken, maar het plan staat er niet aan in de weg dat permanente bewoning van de recreatiewoning weer wordt gestaakt. Gelet hierop geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een evidente privaatrechtelijke belemmering die aan de verwezenlijking van het plan in de weg staat.

    Het betoog faalt.

16.    Over het betoog van [appellant A] en [appellant C] dat het gemeentebestuur in strijd met de recreatiebestemming reeds permanente bewoning door arbeidsmigranten op het recreatieterrein tolereert, overweegt de Afdeling dat dit een aspect van handhaving is dat in deze procedure niet aan de orde is.

Conclusie

17.    Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door anderen dan [appellant A] en [appellant C]. Het beroep is voor het overige ongegrond.

18.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep niet-ontvankelijk voor zover het is ingesteld door anderen dan [appellant A], [appellant B], [appellant C] en [appellante D];

II.    verklaart het beroep voor het overige ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen, voorzitter, en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Boer, griffier.

w.g. Scholten-Hinloopen    w.g. Boer

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020

745.