Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:807

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
201904159/1/A3
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBMNE:2019:1616, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 31 juli 2018 heeft de korpschef van politie het verzoek van [appellant] om kennis te nemen van politiegegevens gedeeltelijk afgewezen. De vroegere vriendin van [appellant] heeft bij de politie melding gedaan van stalking door [appellant]. [appellant] heeft de korpschef daarom verzocht om kennisneming van zijn politiegegevens. [appellant] stelt dat de verslaglegging waarin zijn naam voorkomt onzorgvuldig en voor de politietaak niet relevant is en heeft daarom de korpschef verzocht om zijn persoonsgegevens te verwijderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JBP 2020/61
Module Privacy & AVG 2021/4150
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201904159/1/A3.

Datum uitspraak: 18 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 18 april 2019 in zaken nrs. 18/3342 en 18/3684 in het geding tussen:

[appellant]

en

de korpschef van politie.

Procesverloop

Bij besluit van 31 juli 2018 heeft de korpschef het verzoek van [appellant] om kennis te nemen van politiegegevens gedeeltelijk afgewezen.

Bij besluit van 21 augustus 2018 heeft de korpschef het verzoek van [appellant] om op hem betrekking hebbende politiegegevens te verwijderen, afgewezen.

Bij uitspraak van 18 april 2019 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen deze besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De korpschef heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellant] heeft een nader stuk ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. drs. C.J. Nierop, advocaat te Amsterdam, en de korpschef, vertegenwoordigd door [gemachtigde], zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    De vroegere vriendin van [appellant] heeft bij de politie melding gedaan van stalking door [appellant]. [appellant] heeft de korpschef daarom verzocht om kennisneming van zijn politiegegevens. Op 31 juli 2018 heeft [appellant] op het politiebureau inzage gehad in die gegevens. [appellant] heeft op grond van artikel 27, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet politiegegevens (hierna: Wpg) geen inzage gekregen in de gegevens die herleidbaar kunnen zijn naar betrokkenen en derden. Dit is in het besluit van 31 juli 2018 vastgelegd.

    [appellant] stelt dat de verslaglegging waarin zijn naam voorkomt onzorgvuldig en voor de politietaak niet relevant is en heeft daarom de korpschef verzocht om zijn persoonsgegevens te verwijderen. De korpschef heeft het verzoek om verwijdering bij het besluit van 21 augustus 2018 afgewezen.

Aangevallen uitspraak

2.    De rechtbank heeft geoordeeld dat de korpschef terecht het verzoek van [appellant] om kennis te nemen van politiegegevens deels heeft afgewezen. De rechtbank heeft kennis genomen van de vertrouwelijk overgelegde stukken en vastgesteld dat de weggelakte passages gegevens betreffen die in het kader van de politietaak zijn verwerkt dan wel gegevens betreffen van derden of gegevens die herleidbaar zijn tot derden. Als het belang van een derde in geding is, is het de korpschef niet toegestaan om die gegevens toch te verstrekken.

    De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld dat de korpschef de persoonsgegevens van [appellant] die hij heeft verwerkt in de Basisvoorziening Handhaving (hierna: BVH) niet hoefde te verwijderen. De korpschef diende de melding van de vroegere vriendin van [appellant] te registreren. Dat geen aangifte tegen [appellant] is gedaan en er geen vervolgingsstappen zijn ondernomen, maakt dit niet anders, aldus de rechtbank.

Hoger beroep

Geen kennisneming

3.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef het verzoek om kennisneming deels mocht afwijzen. Ze hanteert een onjuist criterium. Ingevolge artikel 27, eerste lid, aanhef, van de Wpg is afwijzing alleen gerechtvaardigd indien dit noodzakelijk en evenredig is. Er dient dus een belangenafweging plaats te vinden waarin ook zijn belangen worden meegewogen. Dit volgt ook uit artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). In dit geval is niet gebleken dat afscherming van de persoonsgegevens van een derde noodzakelijk is, omdat al duidelijk is wie die derde is, namelijk zijn vroegere vriendin. Ook is deze niet evenredig. De meldster heeft geen absoluut recht dat gedeelde informatie niet bekend wordt bij degene die in de melding beschuldigd wordt. Daarvan was zijn vroegere vriendin zich ook bewust. Als er een strafzaak zou volgen, zouden de gegevens ook bekend worden bij [appellant]. Het belang van de meldster kan daarom niet zwaarder wegen dan zijn belang om te weten wie hem heeft beschuldigd, waarvan hij beschuldigd wordt en hoe zijn persoonsgegevens in de politiesystemen verwerkt zijn. De korpschef heeft bovendien nagelaten per gegeven waarvan geen inzage wordt gegeven een beoordeling te geven, aldus [appellant].

3.1.    Artikel 25, eerste lid, van de Wpg luidde ten tijde van belang: "De verantwoordelijke deelt een ieder op diens schriftelijke verzoek binnen zes weken mede of, en zo ja welke, deze persoon betreffende politiegegevens verwerking ondergaan. […]".

    Artikel 27 luidde ten tijde van belang:

"1. Een verzoek, als bedoeld in artikel 25, eerste lid, wordt afgewezen voor zover het onthouden van kennisneming noodzakelijk is in het belang van:

a. de goede uitvoering van de politietaak;

b. de bescherming van de rechten van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van derden;

c. de veiligheid van de staat."

    Artikel 8 van het EVRM luidt:

"1. Een ieder heeft recht op respect voor zijn privé leven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie.

2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen."   

3.2.    Uit de geschiedenis van de totstandkoming van artikel 25 van de Wpg (Kamerstukken II 2005/06, 30 327, nr. 3, blz. 83) blijkt dat mede met het oog op artikel 8 van het EVRM in de Wpg een recht op kennisneming is opgenomen. Het recht op kennisneming is echter geen absoluut recht. Zoals de Afdeling eerder heeft geoordeeld (zie de uitspraak van de Afdeling van 18 januari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:224), moet de korpschef, gelet op artikel 27, eerste lid, van de Wpg, een verzoek om kennisneming van politiegegevens afwijzen indien dit ter bescherming van de in dat artikel vermelde belangen noodzakelijk is. De korpschef heeft hierbij geen beleidsruimte en dus geen ruimte voor een afweging van het belang van [appellant] bij kennisneming van de politiegegevens. Anders dan waar [appellant] van uitgaat, stond op het moment van het besluit van 31 juli 2018 in artikel 27, eerste lid, van de Wpg geen vereiste van evenredigheid en vormt het ontbreken van een belangenafweging daarom geen reden voor gegrondverklaring van het hoger beroep en vernietiging van het besluit op bezwaar.

3.3.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie de uitspraak van de Afdeling van 17 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3350), bevat de Wpg een uitputtende regeling voor de kennisgeving van politiegegevens als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van die wet. Voor de beoordeling of gegevens als politiegegevens dienen te worden aangemerkt, is onder meer bepalend of die gegevens een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon betreffen. Daarbij dient te worden beoordeeld of die gegevens alleen of in combinatie met andere gegevens zo kenmerkend zijn voor die persoon dat deze daarmee kan worden geïdentificeerd. Voor ieder gegeven in een mutatie dient een dergelijke beoordeling te worden gemaakt. De gelijksoortigheid van gegevens kan echter meebrengen dat niet per gegeven hoeft te worden gemotiveerd of en waarom een belang als bedoeld in artikel 27 van de Wpg zich tegen kennisgeving verzet. Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2581. In dit geval gaat het om één registratie in de BVH, waar alleen op grond van artikel 27, eerste lid, onder b, van de Wpg kennisneming van politiegegevens is onthouden. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de korpschef per politiegegeven had moeten motiveren waarom de in artikel 27, eerste lid, onder b, van de Wpg bedoelde belangen zich verzetten tegen kennisneming van die gegevens.

3.4.    De Afdeling heeft om een inhoudelijke beoordeling over de onthouding van kennisneming te kunnen geven kennis genomen van de vertrouwelijk overgelegde gegevens. [appellant] heeft hiervoor ter zitting toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb. Deze gegevens zijn de gehele melding en de persoonsgegevens van de meldster.

    De persoonsgegevens van de meldster zijn in het kader van de politietaak verwerkt en zijn daarom politiegegevens. De gegevens van de meldster hebben echter geen betrekking op [appellant] en kunnen daarom niet worden aangemerkt als hem betreffende politiegegevens in de zin van artikel 25, eerste lid, van de Wpg. Deze gegevens vallen niet onder het bereik van artikel 25, eerste lid, van de Wpg. Dat de gegevens al bij [appellant] bekend zijn en zijn verwerkt in mutaties die [appellant] betreffen, maakt dit niet anders.

    De melding omvat het hele incident en is daarmee herleidbaar tot [appellant]. Daarom bevat de melding wel politiegegevens die [appellant] betreffen. De korpschef heeft zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een melding, zeker indien het een melding van stalking is, moet kunnen worden gedaan zonder dat de meldster hoeft te vrezen dat de melding door betrokkenen kan worden ingezien. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1062, waarin ook de afwijzing van een verzoek om inzage in een melding van stalking aan de orde was, kan niet worden uitgesloten dat een situatie kan verergeren of escaleren in het geval dat het verzoek om kennisneming van de gegevens zou worden ingewilligd. In dit kader heeft de politie in deze situatie ook een de-escalerende aanpak nagestreefd door een stopbrief uit te reiken waarin [appellant] is opgedragen geen contact meer te zoeken met de meldster. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de korpschef heeft mogen concluderen dat de onthouding van kennisneming van de melding noodzakelijk is ter bescherming van de rechten van de betrokkene en de rechten en vrijheden van derden.

3.5.    Het betoog faalt.

Politiegegevens niet verwijderd

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de korpschef zijn persoonsgegevens die zijn verwerkt in de BVH niet hoefde te verwijderen. Hij heeft aangetoond dat er geen sprake was van stalking, dus de gehele melding en de kwalificatie daarvan is onjuist. In de BVH staat dat de pleegdatum 1 februari 2018 is, maar op dat moment waren hij en zijn toenmalige vriendin nog in harmonie. Ook bevindt zich in de BVH een verslag van het stopgesprek, dat volgt als melding is gemaakt van stalking en als doel heeft degene over wie een melding is gedaan te waarschuwen en te laten stoppen met het ongewenste gedrag. Hij heeft aangetoond dat dit gespreksverslag onjuist en onvolledig is. Noch de korpschef, noch de rechtbank heeft nader gemotiveerd op grond waarvan deze gegevens juist zijn. Bovendien heeft de rechtbank niet onderkend dat de korpschef de verklaring van [appellant] en de ondersteunende verklaringen van derden in de BVH op had moeten nemen, aldus [appellant].

4.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 2 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:560) is het in artikel 28, eerste lid, van de Wpg neergelegde correctierecht niet bedoeld om indrukken, meningen en conclusies waarmee de betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Voor zover verzoeken betrekking hebben op feitelijke gegevens, is het aan de verzoeker om aannemelijk te maken dat deze gegevens onjuist zijn.

    Het gespreksverslag is een zeer kort verslag waarin staat wat er is besproken en wat de indrukken van de politieambtenaar tijdens het gesprek waren. Voor zover in dit verslag feitelijke gegevens staan, heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat deze onjuist zijn. [appellant] kan zich niet vinden in de melding, de kwalificatie daarvan en de genoteerde pleegdatum en heeft uitgebreid uiteengezet waarom niet, maar deze gegevens zijn gebaseerd op hoe de meldster de situatie heeft ervaren, heeft gemeld en heeft gekwalificeerd en het is niet aan [appellant] om deze gegevens als feitelijk onjuist te bestempelen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de korpschef de gegevens niet hoefde te verwijderen.

4.2.    [appellant] heeft niet verzocht om aanvulling van de registratie in de BVH. Of de korpschef zijn verklaring en ondersteunende verklaringen van derden in de BVH op moest nemen, kan daarom in deze procedure niet aan de orde komen. Zoals de korpschef ter zitting heeft toegezegd, is hij bereid een korte reactie van [appellant] in de BVH op te nemen.

4.3.    Het betoog faalt.

Slotsom

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

6.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. C.M. Wissels, leden, in tegenwoordigheid van mr. P. Klein, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Klein

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020

176-851.