Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:805

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
201905899/1/V6
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2019:4957, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Vreemdelingenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 3 november 2017 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen. De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat met de door [appellant] overgelegde documenten zijn identiteit en nationaliteit niet zijn komen vast te staan. [appellant] heeft in bezwaar een geboorteakte overgelegd die is afgegeven op 30 juli 2018 en de staatssecretaris verzocht de authenticiteit ervan te bevestigen. Bureau Documenten van de Immigratie en Naturalisatiedienst heeft in de verklaring van onderzoek van 31 augustus 2018 met opgave van redenen geconcludeerd dat die geboorteakte met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201905899/1/V6.

Datum uitspraak: 18 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2019 in zaak nr. 18/6139 in het geding tussen:

[appellant]

en

de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.

Procesverloop

Bij besluit van 3 november 2017 heeft de staatssecretaris het verzoek van [appellant] om hem het Nederlanderschap te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 24 oktober 2018 heeft de staatssecretaris het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 24 juni 2019 heeft de rechtbank het daartegen door [appellant] ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 24 oktober 2018 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.

De staatssecretaris heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 februari 2020, waar [appellant], bijgestaan door mr. A.S. Sewman, advocaat te Velp, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door drs. J.M. Sidler, zijn verschenen.

Overwegingen

1.    Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

2.    De staatssecretaris heeft het verzoek afgewezen omdat met de door [appellant] overgelegde documenten zijn identiteit en nationaliteit niet zijn komen vast te staan. [appellant] heeft in bezwaar, in aanvulling op eerder overgelegde documenten, een geboorteakte overgelegd die is afgegeven op 30 juli 2018 en de staatssecretaris verzocht de authenticiteit ervan te bevestigen. Bureau Documenten van de Immigratie en Naturalisatiedienst (thans: Team Onderzoek en Expertise Documenten, hierna: TOED) heeft in de verklaring van onderzoek van 31 augustus 2018 (hierna: de verklaring van onderzoek) met opgave van redenen geconcludeerd dat die geboorteakte met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is.

3.    De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris het besluit van 24 oktober 2018 niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft voorbereid, omdat hij [appellant] niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn zienswijze op de verklaring van onderzoek naar voren te brengen en een contra-expertise te laten opstellen. Omdat [appellant] ter zitting bij de rechtbank alsnog heeft kunnen reageren, hij te kennen heeft gegeven geen contra-expertise te zullen laten opstellen en niet is gebleken dat de verklaring van onderzoek naar wijze van totstandkoming niet zorgvuldig en naar inhoud niet inzichtelijk en concludent is, heeft de rechtbank evenwel aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van dat besluit in stand te laten.

4.    [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand heeft gelaten. Hij voert aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de staatssecretaris zich er niet van heeft vergewist dat TOED bekend is met recente landeninformatie over de afgifte van documenten in Irak, zoals opgenomen in het algemeen ambtsbericht Irak van april 2018 van het ministerie van Buitenlandse Zaken. De staatssecretaris had zich ervan moeten vergewissen dat TOED beschikt over referentiemateriaal van de verschillende instanties die geboorteakten verstrekken, zoals Protection Assistance and Reintegration centers en mobiele rechtbanken, omdat er geen eenduidige procedure is voor de afgifte van geboorteakten. [appellant] betoogt verder dat hij afkomstig is uit de Koerdistan Autonome Regio waarover zowel de federale regering van Irak als de Kurdistan Regional Government (hierna: de KRG) administratieve rechten claimen. De staatssecretaris heeft zich er niet van vergewist of TOED de legalisatiestempels op zijn geboorteakte van de KRG niet ten onrechte heeft vergeleken met die van het Iraakse ministerie van Gezondheid en het ministerie van Justitie. Met de legalisatie van de geboorteakte door het Iraakse Ministery of Foreign Affairs (hierna: het MFA) staat de authenticiteit van het document vast. De stelling in de verklaring van onderzoek dat het MFA en de Iraakse ambassade zijn misleid, heeft TOED volgens [appellant] ten onrechte niet onderbouwd.

4.1.    De rechtbank heeft over het door [appellant] genoemde ambtsbericht terecht overwogen dat dit dateert van april 2018, zodat ervan uit mag worden gegaan dat TOED bekend is met de daarin beschreven landeninformatie en die bij de conclusie heeft betrokken. [appellant] heeft, gelet op de verklaring van onderzoek, niet aannemelijk gemaakt dat hij de geboorteakte heeft verkregen van een verstrekkende instantie, zoals een Protection Assistance and Reintegration center of mobiele rechtbank, zodat de staatssecretaris zich er niet van heeft hoeven te vergewissen dat TOED beschikt over referentiemateriaal van die instanties.

    De rechtbank heeft verder terecht overwogen dat de inhoud van de geboorteakte die is afgegeven op 30 juli 2018 wat betreft de namen van de vroedvrouw en arts afwijkt van de geboorteakte die is afgegeven op 5 januari 2012 en dit afbreuk doet aan de inhoudelijke juistheid van de eerstgenoemde geboorteakte. [appellant] heeft dit niet gemotiveerd bestreden.

    Ook het betoog dat de staatssecretaris zich er niet van heeft vergewist dat TOED de legalisatiestempels van de verschillende instanties wel met het juiste referentiemateriaal heeft vergeleken, kan [appellant] niet baten. Immers, in de verklaring van onderzoek staat dat de legalisaties van het Iraakse ministerie van Gezondheid, het Iraakse ministerie van Justitie en de KRG niet corresponderen met het beschikbare vergelijkings- en referentiemateriaal. Niet aannemelijk is dat TOED daarbij niet het vergelijkings- en referentiemateriaal van de desbetreffende instantie heeft gebruikt. Verder heeft TOED, anders dan [appellant] betoogt, in de verklaring van onderzoek de conclusie dat het MFA en de Iraakse ambassade zijn misleid onderbouwd door erop te wijzen dat zeer specifieke en technische kennis nodig is om valse documenten te kunnen herkennen en dat deze instanties niet beschikken over alle controlemogelijkheden en apparatuur waar TOED over beschikt.

    Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat niet is gebleken dat de verklaring van onderzoek naar wijze van totstandkoming niet zorgvuldig en naar inhoud niet inzichtelijk en concludent is en heeft zij terecht de rechtsgevolgen van het besluit van 24 oktober 2018 in stand gelaten.

5.    Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. A. Kuijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.V.T.K. Oei, griffier.

w.g. Steendijk    w.g. Oei

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020

670-899.

 

BIJLAGE

 

Rijkswet op het Nederlanderschap

Artikel 7

1. Met inachtneming van de bepalingen van dit Hoofdstuk verlenen Wij op voordracht van Onze Minister het Nederlanderschap aan vreemdelingen die daarom verzoeken.

[…]

Artikel 23

1. Bij of krachtens algemene maatregel van rijksbestuur kunnen nadere regelen worden gesteld ter uitvoering van deze Rijkswet.

[…]

Besluit verkrijging en verlies Nederlanderschap

Artikel 31

1. Bij de indiening van een naturalisatieverzoek verstrekt de verzoeker betreffende zichzelf, voor zoveel mogelijk, gegevens met betrekking tot:

a. geslachtsnaam en voornaam of voornamen, onderscheidenlijk naam of namen;

b. geboortedatum, geboorteplaats en geboorteland;

[…]

e. nationaliteit of nationaliteiten;

[…]

5. De autoriteit die het naturalisatieverzoek in ontvangst neemt, alsook Onze Minister, kan verlangen dat de verzoeker de juistheid van de verstrekte gegevens bewijst door middel van zo nodig gelegaliseerde en eventueel inhoudelijk geverifieerde documenten. […]

Handleiding Rijkswet op het Nederlanderschap

Toelichting bij artikel 7

Paragraaf 3.5. Over te leggen documenten

Het verzoek om naturalisatie moet zoveel mogelijk worden ondersteund door (bewijs)stukken. […]

Om zekerheid te verkrijgen over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling die door naturalisatie het Nederlanderschap wil verkrijgen, overlegt de vreemdeling nationaliteit en -identiteit vaststellende documenten (zie onder meer artikel 31 BvvN en paragraaf 3.5.1 en 3.5.3 bij artikel 7 RWN). […]

Paragraaf 3.5.1. Buitenlands reisdocument/aantonen bezit vreemde nationaliteit

Algemeen

De verzoeker moet in beginsel een geldig buitenlands reisdocument overleggen, inclusief alle pagina’s met in- en uitreisstempels. Dit niet alleen in verband met identificatie van de verzoeker maar ook om zijn nationaliteit en verblijf te kunnen vaststellen en de in het reisdocument vermelde personalia te vergelijken met de overgelegde akte(n) van de burgerlijke stand.

[…]

Paragraaf 3.5.2. Buitenlandse akten van de burgerlijke stand

De verzoeker moet in beginsel de volgende buitenlandse akten (van de burgerlijke stand) overleggen […]

- geboorteakte van hemzelf […]

Het belang van de buitenlandse geboorteakte in de naturalisatieprocedure is onder meer dat aan de hand daarvan de namen van de verzoeker om naturalisatie blijken naar diens eigen recht, en dat daarmee kan worden bepaald of betrokkene (al) een geslachtsnaam heeft of niet. […]