Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:801

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
201902269/1/A1
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 1 februari 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud) verleend voor een schapen- en rundveehouderij op het perceel [locatie 1] te Zevenhoven. Bij het bestreden besluit heeft het college opnieuw besloten op de aanvraag en daarbij de vergunning verleend voor het houden van 82 melk- en kalfkoeien, 58 stuks vrouwelijk jongvee en 1.300 schapen in een nieuw op te richten schapenstal. [vergunninghouder] beschikte al over een in 1999 verleende vergunning voor het houden van 82 melk- en kalfkoeien, 58 stuks vrouwelijk jongvee en 85 schapen. [appellanten] zijn omwonenden en vrezen overlast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OGR-Updates.nl 2020-0064
M en R 2020/49 met annotatie van E.M.N. Noordover
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201902269/1/A1.

Datum uitspraak: 18 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Zevenhoven, gemeente Nieuwkoop, (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]),

appellanten,

en

het college van burgemeester en wethouders van Nieuwkoop,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 1 februari 2019 heeft het college aan [vergunninghouder] een revisievergunning als bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud) verleend voor een schapen- en rundveehouderij op het perceel [locatie 1] te Zevenhoven.

Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 28 januari 2020, waar [appellanten], bijgestaan door [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door drs. A. Burger, ing. H.P.L. Beijerbergen en ir. A.C.W.M. Appels, zijn verschenen. Voorts is ter zitting [vergunninghouder] als partij gehoord.

Overwegingen

Inleiding

1.    Bij besluit van 12 maart 2012 heeft het college geweigerd de door [vergunninghouder] gevraagde revisievergunning voor de inrichting te verlenen. Bij uitspraak van 24 juli 2013 (ECLI:NL:RVS:2013:3012) heeft de Afdeling dat besluit vernietigd.

    Bij besluit van 1 juli 2014 heeft het college opnieuw besloten op de aanvraag en de gevraagde revisievergunning verleend. Op 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1602) heeft de Afdeling dat besluit vernietigd vanwege het geluidsaspect. Het college had bij de beoordeling van de geluidhinder vanwege het in werking zijn van de inrichting de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening gehanteerd. De Afdeling heeft het besluit vernietigd, omdat het college onvoldoende had gemotiveerd dat de in vergunningvoorschrift 4.1.1 vermelde maximale geluidgrenswaarde van 73 dB(A) toereikend is om geluidhinder te voorkomen, het college niet aannemelijk heeft gemaakt dat er geen alternatieve ontsluiting van het terrein mogelijk is, de laad- en losactiviteiten ten onrechte waren uitgezonderd van de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het college de geluidbelasting van het verkeer van en naar de inrichting ten onrechte niet had beoordeeld.

    Bij het bestreden besluit heeft het college opnieuw besloten op de aanvraag en daarbij de vergunning verleend voor het houden van 82 melk- en kalfkoeien, 58 stuks vrouwelijk jongvee en 1.300 schapen in een nieuw op te richten schapenstal. [vergunninghouder] beschikte al over een op 14 december 1999 verleende vergunning voor het houden van 82 melk- en kalfkoeien, 58 stuks vrouwelijk jongvee en 85 schapen.

    [appellanten] zijn omwonenden en vrezen overlast vanwege het in werking zijn van de inrichting.

2.    Op 1 oktober 2010 is de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo) in werking getreden. Bij de invoering van deze wet is een aantal andere wetten, waaronder de Wet milieubeheer, gewijzigd.

    Op grond van artikel 1.2, tweede lid, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Wabo blijft het recht zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van de Wabo van toepassing op de voorbereiding en de vaststelling van de beschikking op de aanvraag om een milieuvergunning indien vóór dat tijdstip een aanvraag is ingediend.

    Nu de aanvraag is ontvangen op 10 juli 2008 zijn de wetswijzigingen op dit geding niet van toepassing. Voor zover het gaat om regelgeving die niet bij de Invoeringswet Wabo is gewijzigd moet het recht worden toegepast zoals dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit gold.

M.e.r.-beoordeling

3.    [appellant] betoogt dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag uit 2008 voldoende informatie bevat voor een mer-beoordeling. Volgens hem had [vergunninghouder] een aanmeldingsnotitie moeten opstellen en bij de aanvraag moeten voegen. Volgens [appellant] heeft het college onvoldoende aandacht besteed aan de criteria uit bijlage III van de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, gewijzigd op 16 april 2014 (Pb EU 2012, L 26 en PbEU 2014 L124; hierna: de mer-richtlijn). Hij stelt dat ten onrechte geen beoordeling heeft plaatsgevonden van de risico’s vanwege endotoxines naar de omgeving en gezondheidsrisico’s ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting. Voor het aspect geur is volgens [appellant] uitgegaan van een onjuiste referentiesituatie en de berekening van cumulatieve effecten door veehouderijen in de omgeving heeft volgens hem op onjuiste wijze plaatsgevonden. [appellant] betoogt verder dat het college de gevolgen van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken. In dit verband stelt [appellant] dat significant negatieve effecten in de m.e.r.-beoordeling moeten worden beoordeeld. Voorts betoogt [appellant] dat ten onrechte geen veldonderzoek heeft plaatsgevonden in verband met de Flora- en Faunawet, terwijl het college zelf stelt dat door het dempen van sloten en het verwijderen van bomen en struiken belemmeringen voor beschermde vogelsoorten kunnen optreden. Een dergelijk onderzoek heeft evenmin plaatsgevonden bij de procedure over de omgevings-vergunning voor bouwen, omdat die van rechtswege is verleend. [appellant] stelt dat het onderzoek daarom in het kader van deze vergunningprocedure moet plaatsvinden.

3.1.    De eisen aan een mededeling als bedoeld in artikel 7.16 van de Wet milieubeheer gelden, zoals het college heeft gesteld, sinds 2017. De aanvraag die ten grondslag ligt aan het bestreden besluit dateert van 2 juli 2008. Het college stelt dat het over voldoende informatie beschikte om een m.e.r.-beoordeling te verrichten. Het college heeft deze beoordeling opgenomen in het "Besluit vormvrije beoordeling milieueffectrapportage [vergunninghouder], [locatie 1], Zevenhoven" van 14 augustus 2018.

3.2.    Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2395, heeft uiteengezet, bestaat zowel wat betreft de voor blootstelling aan endotoxinen te hanteren advieswaarden, als de wijze waarop kan worden berekend welke concentratie endotoxinen zal worden veroorzaakt door een veehouderij, thans nog een aanzienlijk aantal vragen waarvoor verder wetenschappelijk onderzoek is vereist. Dit laat evenwel onverlet dat een bestuursorgaan bij zijn besluitvorming over een inrichting mede de gevolgen van emissies van endotoxinen betrekt. Het is aan het bestuursorgaan om te bepalen op welke wijze dat gebeurt.

    Het college heeft in de m.e.r.-beoordeling gesteld dat, gezien de laatste wetenschappelijke onderzoeken met betrekking tot veehouderijen en volksgezondheid en het feit dat in de aangevraagde situatie aan de geurnormen en grenswaarden voor zwevende deeltjes wordt voldaan, er geen sprake is van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van omwonenden. In dit verband merkt het college op dat het bedrijf hygiënemaatregelen moet treffen om dierziekten te voorkomen.

    [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat het college zich ten onrechte op het hiervoor vermelde standpunt heeft gesteld. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college gezondheidsrisico's en risico's van endotoxinen in voldoende mate betrokken bij de m.e.r.-beoordeling.

3.3.    Bij de beoordeling van de kenmerken van het project heeft het college de Geurgebiedsvisie Nieuwkoop uit 2013 (hierna: geurgebiedsvisie) betrokken. Het college heeft in de m.e.r.-beoordeling gesteld dat in een straal van één kilometer rondom de inrichting enkele veehouderijen liggen waar dieren worden gehouden met een geuremissiefactor, waardoor cumulatie van geur een rol zou kunnen spelen. Het college heeft gesteld dat in de geurgebiedsvisie de agrarische situatie binnen de gemeente Nieuwkoop in kaart is gebracht. In het model is voor [locatie 1] het in 2008 aangevraagde aantal van 1.000 schapen ingevoerd. De kaart geeft de gecumuleerde geursituatie en kan worden beschouwd als achtergrondbelasting voor de bestaande situatie. Volgens de kaart zijn drie veehouderijen relevant voor de geursituatie in het gebied. Naast [locatie 1] zijn dit varkenshouderijen aan [locatie 2] en [locatie 3]. Gebleken is dat de voorgrondbelasting van de veehouderijen dominant is voor de geursituatie in het gebied. De geurhinder wordt bepaald door de geurbelasting van de individuele bedrijven. Voor de beoordeling van de geursituatie in de omgeving kan daarom worden volstaan met de bepaling van de voorgrondbelasting van [locatie 1]. De geurbelasting voldoet aan de normen uit de Wet geurhinder en veehouderij, aldus het college. In het verweerschrift heeft het college naar aanleiding van het beroep toegelicht dat de geurgebiedsvisie enigszins gedateerd is, maar dat er geen nieuwe veehouderijen zijn bijgekomen. Zoals [appellant] heeft opgemerkt, is de aanbevolen waarde voor het onderzoeksgebied in het rekenmodel V-Stacks twee kilometer. De binnen die afstand gelegen veehouderijen worden meegerekend in de achtergrondbelasting. Bij de berekening van de geurbelasting voor de geurgebiedsvisie is deze afstand toegepast. Dat in de m.e.r.-beoordeling is gesteld dat in een straal van één kilometer rond [locatie 1] twee veehouderijen liggen die relevant zijn voor de beoordeling, komt volgens het college omdat in het gebied tussen één en twee kilometer rond de inrichting geen relevante bedrijven liggen. Weliswaar is in de geurgebiedsvisie rekening gehouden met 1.000 schapen, maar de voorgrondbelasting met 1.300 schapen ligt bij de geurgevoelige objecten ruim onder de geurnorm voor het buitengebied, zodat volgens het college geen sprake is van aanzienlijke gevolgen voor het milieu. Met de door [appellant] genoemde wijziging van de Regeling ammoniak en veehouderij en de Regeling geurhinder en veehouderij (Stc. 2018, 39679) is de geurfactor voor schapen ongewijzigd gebleven. De voorgrondbelasting van de aangevraagde activiteiten is daarmee niet veranderd. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd over geur, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de standpunten van het college.

3.4.    Zoals de Afdeling heeft overwogen in overweging 35.1 van haar uitspraak van 29 januari 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:221), staat artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht eraan in de weg een beroepsgrond over het onderschatten van negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in een milieueffectrapport, inhoudelijk te bespreken, in het geval de normen van de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) kennelijk niet strekken tot bescherming van de belangen van omwonenden. In dit geval wonen [appellanten] ongeveer 2,4 km van het Natura 2000-gebied "Nieuwkoopse Plassen en De Haeck". Vanwege die afstand maakt voormeld Natura 2000-gebied geen deel uit van hun directe leefomgeving, zodat geen duidelijke verwevenheid bestaat van hun individuele belangen bij het behoud van een goede kwaliteit van hun directe leefomgeving met het algemene belang dat de Wnb beoogt te beschermen. De normen van de Wnb strekken daarom kennelijk niet tot de bescherming van hun belangen. Voor zover de onder 3 vermelde beroepsgrond inhoudt dat de negatieve effecten op Natura 2000-gebieden in de m.e.r.-beoordeling zijn onderschat, ziet de Afdeling dan ook aanleiding een inhoudelijke bespreking van deze beroepsgrond achterwege te laten.

3.5.    Ten aanzien van de flora en fauna stelt het college zich in de m.e.r.-beoordeling op basis van een bureaustudie op het standpunt dat de te verwachten soorten en de beoordeelde aanvraag geen aanleiding geven te veronderstellen dat de gevolgen voor de flora en fauna aanzienlijk zijn. Daarbij heeft het college betrokken dat het terreindeel waar de stal zal worden gebouwd gedeeltelijk is verhard en wordt gebruikt als opslaglocatie. Verder stelt het college dat effecten op beschermde soorten zijn uit te sluiten in het geval dat er geen bomen of struiken worden verwijderd of sloten worden gedempt. Het college stelt dat deze activiteiten geen onderdeel uitmaken van de aanvraag en daarom niet bij de beoordeling hoefden te worden betrokken. Gelet op het vorenstaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] betoogt geen grond voor het oordeel dat het college niet kon volstaan met een bureaustudie of dat het aspect flora en fauna onvoldoende bij de m.e.r.-beoordeling is betrokken.

3.6.    Wat [appellant] heeft aangevoerd geeft geen aanleiding voor het oordeel dat in de m.e.r.-beoordeling onvoldoende rekening is gehouden met de in bijlage III van richtlijn 85/337/EEG vermelde omstandigheden dan wel dat het college zich niet aan de hand van de m.e.r.-beoordeling in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu die het opstellen van een milieueffectrapport noodzakelijk maken.

    Het betoog faalt.

Geluidhinder

4.    [appellant] stelt dat het college de aanvraag buiten behandeling had moeten laten, omdat het over onvoldoende informatie beschikte ten aanzien van geluidhinder ten gevolge van het in werking zijn van de inrichting. Daarnaast stelt [appellant] dat sprake is van belangenverstrengeling, omdat het college ten onrechte akoestische onderzoeken heeft laten opstellen en onderdeel heeft laten uitmaken van de aanvraag. Volgens [appellant] had het college [vergunninghouder] in de gelegenheid moeten stellen om zijn aanvraag aan te vullen met akoestische onderzoeken. Dit was volgens hem nog mogelijk, omdat het college naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1602) een nieuw ontwerpbesluit ter inzage moest leggen.

4.1.    Artikel 8.5, eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud), gelezen in samenhang met de artikelen 5.1, eerste lid, 5.16, eerste lid en 5.18 van het Inrichtingen- en vergunningenbesluit milieubeheer (oud) bepalen welke gegevens door de aanvrager van een vergunning zoals bedoeld in artikel 8.4, eerste lid, van de Wet milieubeheer (oud) moeten worden verstrekt. Gesteld noch gebleken is dat niet aan deze vereisten is voldaan.

4.2.    Het buiten behandeling laten van de aanvraag was niet mogelijk, alleen al omdat het college de aanvraag al in behandeling had genomen. Zoals onder 1 is overwogen, heeft de Afdeling bij uitspraak van 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1602) de eerder verleende revisievergunning vernietigd vanwege het geluidsaspect. Het college had bepaalde activiteiten onvoldoende beoordeeld, dan wel onvoldoende gemotiveerd dat de gestelde geluidgrenswaarden toereikend waren ter voorkoming van geluidhinder. Naar aanleiding daarvan heeft het college SPA Ingenieurs verzocht om akoestisch onderzoek te doen. Het college heeft de rapporten van deze onderzoeken van onderscheidenlijk 13 juni 2016 en 5 januari 2017 met kenmerken 201620016.R01, respectievelijk 21620016B.N01, betrokken bij het nemen van het bestreden besluit. Hoewel [appellant] terecht stelt dat de aanvraag nog kon worden aangevuld, totdat op 15 augustus 2018 een nieuw ontwerpbesluit ter inzage werd gelegd, bestaat geen grond voor het oordeel dat het akoestisch onderzoek alleen in opdracht van [vergunninghouder] kon worden opgesteld.

    Verder stond in het ontwerpbesluit dat delen van de aanvraag, waaronder voormelde akoestische onderzoeken van 13 juni 2016 en 5 januari 2017 opgesteld door SPA Ingenieurs onderdeel uitmaken van de vergunning. Naar aanleiding van de door [appellant] ingediende zienswijze heeft het college gesteld dat deze formulering onjuist is, omdat voormelde akoestische onderzoeken geen onderdeel uitmaken van de aanvraag maar wel betrokken zijn bij de besluitvorming. Anders dan [appellant] betoogt, staat in het bestreden besluit daarom niet langer dat deze onderzoeken deel uitmaken van de aanvraag.

    Wat [appellant] aanvoert over het in opdracht van het college opstellen van een akoestisch onderzoek, geeft geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit. Het college heeft aan de uitspraak van de Afdeling van 20 mei 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1602) voldaan door het bestreden besluit van met onafhankelijke geluidonderzoeken te motiveren.

    Het betoog faalt.

5.    [appellant] stelt dat het college in het bestreden besluit ten onrechte geen duidelijkheid biedt over de status van de drie verschillende akoestische onderzoeken. Volgens [appellant] stelt het college ten onrechte dat rapport "Akoestisch onderzoek [vergunninghouder], [locatie 1] te Zevenhoven" met kenmerk Rakw897aaA0.jg, van 3 september 2008, opgesteld door Greten Raadgevende Ingenieurs, geen deel meer uitmaakt van de aanvraag, omdat [vergunninghouder] dit rapport niet heeft ingetrokken. Bovendien gaan de in opdracht van het college uitgevoerde akoestische onderzoeken, vermeld in overweging 4.2, uit van andere uitgangspunten dan het rapport bij de aanvraag, aldus [appellant]. Ook op de tekening die onderdeel uitmaakt van het bestreden besluit staan onderdelen waarmee volgens [appellant] in de in opdracht van het college uitgevoerde akoestische onderzoeken geen rekening is gehouden. In dit verband verwijst hij onder meer naar de aanwezigheid van tractoren met verschillende vermogens. Verder vreest [appellant] dat het college niet handhavend kan optreden in het geval de afvoer van rundvee in de nachtperiode vaker dan zes keer plaatsvindt, nu deze beperking in het akoestisch rapport van 3 september 2008 staat en dit rapport geen deel uitmaakt van het bestreden besluit. Ook zijn in de akoestisch onderzoeken van SPA Ingenieurs andere uitgangspunten gehanteerd dan in het bij de aanvraag horende akoestisch rapport. Volgens [appellant] is bij het nemen van het bestreden besluit onder meer ten onrechte geen rekening gehouden met de aangevraagde tractor met een bronvermogen van 105 dB(A), het gebruik van een los- en laadkraan in de dagperiode en de bedrijfsuren van de voertuigen. Volgens hem staat dan ook niet vast dat [vergunninghouder] aan de gestelde geluidgrenswaarden kan voldoen.

5.1.    Het college heeft de in overweging 4.2 vermelde akoestische rapporten betrokken bij het nemen van het bestreden besluit. Anders dan [appellant] betoogt, maakt het akoestisch rapport van 3 september 2008 deel uit van de aanvraag, maar heeft het college dit rapport en de andere akoestische rapporten niet verbonden aan de vergunning. Het college is daartoe ook niet verplicht.

    Het college heeft bij het nemen van het bestreden besluit voor de beoordeling van geluidhinder het Activiteitenbesluit milieubeheer (hierna: Activiteitenbesluit) tot uitgangspunt genomen. [appellant] heeft niet gesteld dat het college dit niet in redelijkheid heeft kunnen doen. [vergunninghouder] zal moeten voldoen aan de geluidgrenswaarden zoals opgenomen in de vergunningvoorschriften 1.8.2 en 1.8.3. Dit zijn de geluidgrenswaarden voor agrarische activiteiten zoals vermeld in artikel 2.17, vijfde lid, aanhef en onder a en b, van het Activiteitenbesluit. Het college stelt dat de vergunning, net als het Activiteitenbesluit, geen onderscheid maakt tussen de representatieve en incidentele bedrijfssituatie. Dit betekent dat [vergunninghouder] te allen tijde aan de gestelde geluidgrenswaarden dient te voldoen. Ter zitting heeft [vergunninghouder] toegelicht dat transporten van dieren na 06.00 uur plaatsvinden. In tegenstelling tot de door het college in eerdere besluiten gehanteerde "Handreiking industrielawaai en vergunningverlening" van oktober 1998 valt de periode van 06:00 uur tot 07:00 uur voor agrarische bedrijven op grond van het Activiteitenbesluit onder de dagperiode. [vergunninghouder] zal voor die activiteiten dan ook moeten voldoen aan de geluidgrenswaarden in de dagperiode. Op grond van het Activiteitenbesluit geldt voor de transporten geen maximum aantal dagen per jaar. Echter, in het geval [vergunninghouder] de gestelde geluidgrenswaarden overschrijdt, kan het college terzake handhavend optreden. Verder is in de akoestische onderzoeken van SPA Ingenieurs op juiste wijze rekening gehouden met de door [appellant] genoemde bronnen. In het akoestisch onderzoek van SPA Ingenieurs van 13 juni 2016 staan voor het rijden van tractoren, de meeneemheftruck en overige laad/losactiviteiten bronvermogens van onderscheidenlijk 103 dB(A), 105 dB(A) en 110 dB(A) vermeld. Op grond van artikel 2.17, vijfde lid, aanhef en onder a, van het Activiteitenbesluit geldt het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau alleen voor de vast opgestelde installaties en toestellen en op grond van artikel 2.17, vijfde lid, aanhef en onder c, van het Activiteitenbesluit zijn de maximale geluidgrenswaarden in de dagperiode niet van toepassing op laad- en losactiviteiten en op het in en uit de inrichting rijden van landbouwtractoren of motorrijtuigen met beperkte snelheid. Het college heeft het Activiteitenbesluit voor de beoordeling van geluidhinder als uitgangspunt genomen, zodat met voormelde aspecten rekening is gehouden in het rapport van SPA Ingenieurs van 5 januari 2017. Volgens dit rapport kan de inrichting met de aangevraagde activiteiten voldoen aan de gestelde geluidgrenswaarden. In hetgeen [appellant] betoogt, ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat dit standpunt onjuist is. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt dat [vergunninghouder] in de aangevraagde bedrijfssituatie niet aan de gestelde geluidgrenswaarden kan voldoen.

    Het betoog faalt.

Slotoverwegingen

6.    Het beroep is ongegrond.

7.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. E.A. Minderhoud, voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. C.C.W. Lange, leden, in tegenwoordigheid van mr. E.T. de Jong, griffier.

w.g. Minderhoud    w.g. [appellant]

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020

628.