Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:787

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
202000062/1/R4
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bij besluit van 9 augustus 2019 heeft het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zijn beslissing om op 1 augustus 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

202000062/1/R4.

Datum uitspraak: 18 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellante], wonend te Den Haag,

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 augustus 2019 heeft het college zijn beslissing om op 1 augustus 2019 spoedeisende bestuursdwang toe te passen wegens het in strijd met de Afvalstoffenverordening 2010 van de gemeente Den Haag aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen, op schrift gesteld. Daarbij heeft het college vermeld dat een gedeelte van de kosten van de toepassing van bestuursdwang, te weten € 126,00, voor rekening van [appellante] komt.

Bij besluit van 22 november 2019 heeft het college het door [appellante] hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft [appellante] beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 maart 2020, waar het college, vertegenwoordigd door M. Eser, is verschenen.

Overwegingen

1.    De toepassing van spoedeisende bestuursdwang heeft bestaan uit het verwijderen van een doos die op 1 augustus 2019 is aangetroffen naast een ondergrondse restafvalcontainer (hierna: ORAC) ter hoogte van de Newtonstraat 43 in Den Haag. Het college is ervan uitgegaan dat [appellante] de doos verkeerd heeft aangeboden, omdat haar naam en adres op het adreslabel op de doos staan.

2.    [appellante] betwist niet dat de doos van haar afkomstig is, maar stelt dat zij niet degene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gezet. Zij wijst erop dat de flat waarin zij woont een inpandige containerruimte heeft waar zij altijd haar huisvuil weggooit. Zij voert aan dat zij de doos in de containerruimte kon weggooien, waardoor het voor haar niet logisch zou zijn om de doos ergens anders weg te gooien. Zij wijst erop dat haar doos door een andere bewoner kan zijn meegenomen en dat diegene vervolgens de doos naast de ORAC kan hebben gezet. Bij haar beroepschrift heeft zij foto's meegestuurd van de containerruimte in haar flat. Op de foto's is te zien dat daarin ten minste zes grote rolcontainers staan waar de aangetroffen doos in had gepast.

2.1.    Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling mag ervan worden uitgegaan dat de persoon tot wie de aangetroffen afvalstoffen kunnen worden herleid, ook de overtreder is, tenzij de betrokkene het tegendeel aannemelijk maakt. Zie voor een uiteenzetting van deze rechtspraak de uitspraak van 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2432.

2.2.    De omstandigheid dat [appellante] haar huisvuil kan weggooien in de inpandige containerruimte in haar flat, maakt niet aannemelijk dat zij niet degene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gezet. Hoewel het in beginsel logisch is dat zij haar huisvuil in de containerruimte weggooit, betekent dat niet dat zij in dit geval deze doos niet toch om een bepaalde reden naast de ORAC in de Newtonstraat kan hebben gezet.

    Door te wijzen op de mogelijkheid dat een andere bewoner de doos heeft meegenomen uit de containerruimte en vervolgens naast de ORAC heeft gezet, heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat dat in dit geval met de doos is gebeurd en zij niet degene is geweest die de doos naast de ORAC heeft gezet.

    Gelet op het voorgaande heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt zij niet de overtreder is. Het college heeft haar dan ook terecht als overtreder aangemerkt.

    Het betoog faalt.

3.    Het beroep is ongegrond.

4.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. F.C.M.A. Michiels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. L.S. Kors, griffier.

w.g. Michiels    w.g. Kors

lid van de enkelvoudige kamer    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020

687.