Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RVS:2020:781

Instantie
Raad van State
Datum uitspraak
18-03-2020
Datum publicatie
18-03-2020
Zaaknummer
201801625/2/R3
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij tussenuitspraak van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2198, heeft de Afdeling de raad van de gemeente Delft opgedragen om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken te herstellen in het besluit van 21 december 2017, waarbij de raad het bestemmingsplan "Het Arsenaal" heeft vastgesteld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2020/146
Module Ruimtelijke ordening 2020/8320
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

201801625/2/R3.

Datum uitspraak: 18 maart 2020

AFDELING

BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

[appellant A] en [appellant B], beiden wonend te Delft,

en

de raad van de gemeente Delft,

verweerder.

Procesverloop

Bij tussenuitspraak van 3 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2198, heeft de Afdeling de raad opgedragen om binnen 16 weken na verzending van deze tussenuitspraak de daarin omschreven gebreken te herstellen in het besluit van 21 december 2017, waarbij de raad het bestemmingsplan "Het Arsenaal" heeft vastgesteld. Deze tussenuitspraak is aangehecht.

Ter uitvoering van de tussenuitspraak heeft de raad bij besluit van 26 september 2019 (hierna: het herstelbesluit) het bestemmingsplan "Het Arsenaal" opnieuw, gewijzigd, vastgesteld.

Daartoe in de gelegenheid gesteld hebben [appellant A] en [appellant B] een zienswijze naar voren gebracht over de wijze waarop de gebreken zijn hersteld.

De raad en Driestar B.V. en Cepezed Projects B.V. hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 24 februari 2020, waar [appellant A] en [appellant B] en de raad, vertegenwoordigd door mr. D.J.T. van Rees, ing. E.H.A. de Beer en ing. M.A. Trooster, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting Driestar en Cepezed Projects, vertegenwoordigd door mr. L. van Schie-Kooman, advocaat te Delft, en [gemachtigde], als partij gehoord.

Overwegingen

Het besluit van 21 december 2017

1.    De Afdeling heeft in de tussenuitspraak onder 5.11 geoordeeld dat de raad de gevolgen van het plan, voor zover dit parkeren mogelijk maakt op de gronden achter Breestraat 3, voor het woon- en leefklimaat van [appellant A] en [appellant B] wat betreft het aspect geluid onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt. In het rapport "Geluid- en luchtkwaliteitsonderzoek voor de herontwikkeling van het Armamentarium aan de Korte Geer 1 te Delft" van bureau Peutz van 4 juli 2017 (hierna: het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 4 juli 2017) dat de raad aan het besluit van 21 december 2017 ten grondslag heeft gelegd, is voor de beoordeling van de geluidbelasting op het volgens dit rapport maatgevende beoordelingspunt Breestraat 3 namelijk rekening gehouden met een stenen afscherming van 2,30 m hoog ter plaatse van de tuin van Breestraat 3. Op de zitting van 30 april 2019 is echter aangegeven dat deze muur, voor zover deze staat achter de woning Breestraat 3, zou worden verwijderd. Omdat er in het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 4 juli 2017 kennelijk is van uitgegaan dat deze muur een zekere geluidwerende werking heeft en omdat er als gevolg van de sloop van de muur op kortere afstand van de woning van [appellant A] en [appellant B] geparkeerd kan worden dan waarvan in dat rapport is uitgegaan, is de raad niet van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan uitgegaan. Het besluit van 21 december 2017 is in zoverre vastgesteld in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb).

1.1.    Het beroep tegen het besluit van 21 december 2017 is gegrond. Dit besluit dient wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb te worden vernietigd, wat betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd - Arsenaal", voor zover het betreft de daarin op grond van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder m, in combinatie met artikel 1, lid 1.16, van de planregels opgenomen mogelijkheid om parkeerplaatsen te realiseren ter plaatse van de gronden achter Breestraat 3.

1.2.    In de tussenuitspraak heeft de Afdeling de raad opgedragen om met inachtneming van wat is overwogen onder 5.11 van die tussenuitspraak:

- de gevolgen van het plan ten aanzien van het aspect geluid bij een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan inzichtelijk te maken en nader te motiveren waarom die gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant A] en [appellant B] aanvaardbaar zijn;

- dan wel het besluit te wijzigen door vaststelling van een andere planregeling, bijvoorbeeld door ter plaatse van de gronden achter Breestraat 3 in het plan vast te leggen dat maximaal drie parkeerplaatsen zijn toegestaan, en voor die situatie de gevolgen van het plan ten aanzien van het aspect geluid inzichtelijk te maken en nader te motiveren waarom die gevolgen voor het woon- en leefklimaat van [appellant A] en [appellant B] aanvaardbaar zijn.

Het herstelbesluit

2.    Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft bureau Peutz in opdracht van de raad een nieuw geluidonderzoek verricht, waarvan de resultaten zijn neergelegd in het rapport "Geluid- en luchtkwaliteitsonderzoek voor de herontwikkeling van het Armamentarium aan de Korte Geer 1 te Delft" van 21 augustus 2019 (hierna: het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 21 augustus 2019). In dit rapport is de geluidwaarde als gevolg van het gebruik van vier parkeerplaatsen achter Breestraat 3 op de achtergevel van [locatie] berekend. Vervolgens heeft de raad bij besluit van 26 september 2019 het bestemmingsplan "Het Arsenaal", voor zover voor hier relevant, met de volgende wijzigingen opnieuw vastgesteld.

     In het bij herstelbesluit opnieuw, gewijzigd, vastgestelde bestemmingsplan zijn aan artikel 3 van de planregels de leden 3.3.5 en 3.3.6 toegevoegd.

     Lid 3.3.5 luidt: "Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - beperking parkeren' is parkeren niet toegestaan van 19.00 uur tot 7.00 uur." Ten behoeve van deze bepaling is op de verbeelding ter plaatse van de gronden achter Breestraat 3 de aanduiding "overige zone - beperking parkeren" opgenomen.

     Lid 3.3.6 luidt: "Parkeren is uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting' een aaneengesloten geluidwerende voorziening of andere aaneengesloten bebouwing met een minimale hoogte van 1,80 meter aanwezig is en in stand wordt gehouden." Ten behoeve van deze bepaling is op de verbeelding ten noorden, ten noordoosten en ten zuiden van de aanduiding "overige zone - beperking parkeren" en ten zuiden van de tuinen [locatie] en Breestraat 5a de aanduiding "wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting" opgenomen.

     Ter zitting is met partijen vastgesteld dat op het door de raad beoogde parkeerterrein achter Breestraat 3 feitelijk maximaal vier parkeerplaatsen kunnen worden gerealiseerd.

2.1.    Het herstelbesluit is ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb mede onderwerp van het geding. Het beroep van [appellant A] en [appellant B] is van rechtswege mede gericht tegen dit besluit.

3.    [appellant A] en [appellant B] kunnen zich niet verenigen met het herstelbesluit. Ter zitting heeft het geschil zich toegespitst op:

- de uitgangspunten die zijn gehanteerd in het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 21 augustus 2019, voor zover daarin volgens hen geen rekening is gehouden met de garagebox achter de tuin van [locatie] als relevante geluidbron en met de uitbouw van Breestraat 5a,

- de handhaafbaarheid van de aanduiding "overige zone - beperking parkeren" in combinatie met artikel 3, lid 3.3.5, van de planregels en

- de uitvoerbaarheid van de aanduiding "wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting" in combinatie met artikel 3, lid 3.3.6, van de planregels.

Goede procesorde

- Omvang geding

4.    Driestar en Cepezed Projects stellen dat [appellant A] en [appellant B] met hun zienswijze over de gehanteerde uitgangspunten in het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 21 augustus 2019 hun beroepsgronden ten onrechte uitbreiden met nieuwe, niet eerder aangedragen beroepsgronden.

4.1.    Gelet op het belang van een efficiënte geschilbeslechting alsmede de rechtszekerheid van de andere partijen, kan in het licht van de goede procesorde niet worden aanvaard dat na de tussenuitspraak nieuwe beroepsgronden worden aangevoerd die al tegen het oorspronkelijke besluit naar voren hadden kunnen worden gebracht.

4.2.    De Afdeling stelt vast dat in het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 4 juli 2017, dat ten grondslag ligt aan het besluit van 21 december 2017, de geluidbelasting als gevolg van parkeerplaatsen op het volgens dat rapport maatgevende beoordelingspunt Breestraat 3 is berekend. [appellant A] en [appellant B] hebben zich in de procedure tegen dat besluit gericht tegen de gehanteerde uitgangspunten die relevant zijn voor die berekening. In het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 21 augustus 2019, dat ten grondslag ligt aan het herstelbesluit, is voor het eerst de geluidbelasting als gevolg van de parkeerplaatsen ter plaatse van de voorziene locatie in de tuin van Breestraat 3 op de achtergevel van [locatie] berekend. De vraag naar de relevantie van de garagebox achter de tuin van [locatie] en de uitbouw van Breestraat 5a is eerst bij deze berekening gerezen. Alleen al hierom kunnen [appellant A] en [appellant B] hun zienswijzen over deze uitgangspunten in deze procedure aan de orde stellen.

- Nader stuk voor zitting

5.    Naar aanleiding van de zienswijze van [appellant A] en [appellant B] heeft bureau Peutz in opdracht van de raad de notitie "Reactie op zienswijze aangepast BP Het Arsenaal (bestuurlijke lus), 201801625/2/R3" van 7 februari 2020 (hierna: de notitie van Peutz) opgesteld. [appellant A] en [appellant B] hebben ter zitting gesteld dat deze notitie wegens strijd met een goede procesorde bij de beoordeling van het beroep buiten beschouwing moet worden gelaten, omdat deze notitie zodanig kort voor zitting is ingediend dat zij onvoldoende tijd hebben gehad om hierop te reageren.

5.1.    Op grond van artikel 8:58 van de Awb kunnen partijen tot tien dagen voor de zitting nadere stukken indienen, maar die mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Voor het antwoord op de vraag of de goede procesorde zich daartegen verzet, zijn in het algemeen bepalend de proceseconomie, de reden waarom de desbetreffende stukken pas in een laat stadium zijn toegezonden, de mogelijkheid voor andere partijen om adequaat op die stukken te reageren en de processuele belangen van de partijen over en weer.

5.2.    Het nadere stuk van de raad van 10 februari 2020 met daarbij als bijlage de notitie van Peutz is door de Afdeling op 10 februari 2020 ontvangen; dat is 14 dagen voor de zitting. Dit nadere stuk met de notitie van Peutz is op 11 februari 2020 door de Afdeling doorgestuurd naar [appellant A] en [appellant B]. In de notitie van Peutz wordt gereageerd op de zienswijze van [appellant A] en [appellant B]. [appellant A] en [appellant B] zijn ter zitting in de gelegenheid gesteld om hierop te reageren. Dit hebben zij ook gedaan. Voor zover zij menen dat zij vanwege tijdgebrek ten onrechte niet de mogelijkheid hebben gehad om de notitie van Peutz door een deskundige te laten beoordelen, overweegt de Afdeling dat de notitie van Peutz dient ter verduidelijking van het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 21 augustus 2019 en niet leidt tot wijziging van de conclusies die daarin zijn opgenomen. Gelet op de datum van dat geluid- en luchtkwaliteitsrapport hebben [appellant A] en [appellant B] voldoende gelegenheid gehad om voor de in dat rapport gehanteerde uitgangspunten die onderwerp zijn van geschil, desgewenst zelf een deskundige in te schakelen zonder eerst een reactie van de raad over deze punten af te wachten. Er bestaat dan ook geen aanleiding om de notitie van Peutz wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten.

Uitgangspunten akoestisch onderzoek

6.    [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat ten onrechte geen parkeerbewegingen naar de garagebox achter [locatie] in het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 21 augustus 2019 zijn meegenomen als mobiele bron.

    Daarnaast voeren zij aan dat in het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 21 augustus 2019 ten onrechte geen rekening is gehouden met de uitbouw van Breestraat 5a. Volgens [appellant A] en [appellant B] treden door deze uitbouw geluidreflecties op, als gevolg waarvan de geluidbelasting op hun achtergevel hoger is dan waarvan in het rapport is uitgegaan. Ter onderbouwing van dit standpunt hebben zij ter zitting gewezen op een volgens hen analoge situatie in de notitie van Peutz. Hierin staat over een ander, niet meer aanwezig bouwwerk op het terrein achter de tuinen, waarmee in het onderzoek wel rekening is gehouden, dat hiermee wordt uitgegaan van een "worst case" situatie omdat zonder dit bouwwerk de geluidreflecties pas op grotere afstand van de woning optreden. Omdat de uitbouw van Breestraat 5a op kortere afstand staat van het parkeerterrein en de woningen dan dit bouwwerk, en dit bouwwerk kennelijk van invloed was op de geluidbelasting, is het volgens hen onwaarschijnlijk dat de uitbouw van Breestraat 5a geen invloed heeft op de geluidbelasting op de achtergevel van [locatie].

6.1.    De Afdeling ziet in wat [appellant A] en [appellant B] op deze punten hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 21 augustus 2019 zodanig gebrekkig is of zodanige leemten in kennis vertoont dat de raad zich hierop voor het bepalen van de aanvaardbaarheid van de vier parkeerplaatsen op de gronden achter Breestraat 3 niet heeft mogen baseren. Daartoe overweegt de Afdeling als volgt.

     Volgens de raad wordt de garagebox niet meer gebruikt voor parkeren, maar is deze incidenteel nog in gebruik als opslagruimte. Hoewel het plan op zichzelf niet in de weg staat aan het gebruik van de garagebox voor parkeren, heeft de raad ter zitting toegelicht dat, gelet op de ligging van de garagebox achter de voorziene parkeerplaatsen, feitelijk een parkeerplaats zou komen te vervallen op de gronden achter Breestraat 3 wanneer de garagebox voor parkeren zou worden gebruikt. Er kunnen daardoor feitelijk niet meer dan vier parkeerplaatsen in gebruik zijn. Gelet hierop is in het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 21 augustus 2019 naar het oordeel van de Afdeling met vier parkeerplaatsen uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale mogelijkheden van het plan.

     Over de uitbouw van Breestraat 5a staat in de notitie van Peutz dat deze in het onderzoek niet is meegenomen omdat de uitbouw op een dusdanige afstand tot de achtergevel van [locatie] is gelegen dat deze geen hogere geluidniveaus kan veroorzaken dan de berekende geluidniveaus. Ter onderbouwing hiervan is in bijlage 1 van de notitie van Peutz een aanvullende berekening opgenomen waarbij op de achtergevel van [locatie] aan de kant van Breestraat 5a de toetspunten 10c en 10d zijn toegevoegd en rekening is gehouden met de uitbouw Breestraat 5a. Hieruit volgt dat de maximale geluidbelasting (LAmax) op de toetspunten 10a en 10b afgerond niet afwijkt van de berekende geluidbelasting in het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 21 augustus 2019. Daarnaast volgt hieruit dat de LAmax op de toetspunten 10c en 10d maximaal 69 dB(A) bedraagt. Ter zitting is door een geluiddeskundige van Peutz toegelicht dat de toetspunten het dichtst op de uitbouw, het verst van het parkeerterrein liggen. Op deze toetspunten neemt de bijdrage van reflectie weliswaar toe, maar het directe geluid moet een grotere afstand afleggen dan geldt voor de punten die dichter bij het parkeerterrein liggen. Omdat voorts niet al het geluid op de uitbouw wordt gereflecteerd, leidt de uitbouw niet tot een relevante toename van de geluidbelasting. Over het bouwwerk op het terrein achter de tuinen heeft de geluiddeskundige toegelicht dat er geen berekening is uitgevoerd zonder dit bouwwerk. Volgens de geluiddeskundige wordt het geluidniveau op de achtergevel zonder dit bouwwerk in ieder geval niet hoger, maar dat betekent niet dat een relevante verlaging van het geluidniveau optreedt. Met deze toelichting acht de Afdeling de in de notitie van Peutz getrokken conclusie op dit punt voldoende inzichtelijk.

     Het betoog faalt.

Parkeerverbod tussen 19:00 en 07:00 uur

7.    [appellant A] en [appellant B] voeren aan dat het parkeerverbod tussen 19:00 en 07:00 uur dat geldt voor de gronden achter Breestraat 3, onvoldoende handhaafbaar is. Volgens hen is handhaving niet reëel omdat het geen openbare weg, maar particuliere gronden betreft. Ook achten zij van belang dat zij volgens hen steeds zelf om handhaving moeten verzoeken wanneer zij een overtreding constateren. Ter zitting hebben zij hieraan toegevoegd dat het parkeerverbod in de avond en nacht geldt en controle in de praktijk pas de volgende ochtend zal plaatsvinden, terwijl de auto’s er dan mogelijk niet meer, of niet meer in strijd met het bestemmingsplan, zullen staan.

7.1.    Ingevolge artikel 3, lid 3.3.5, van de planregels is ter plaatse van de aanduiding "overige zone - beperking parkeren" parkeren niet toegestaan van 19:00 tot 07:00 uur. De Afdeling ziet geen aanknopingspunten voor het oordeel dat deze gebruiksregel niet handhaafbaar is. Indien het parkeerterrein in strijd met het bestemmingsplan tussen 19:00 en 07:00 uur wordt gebruikt voor parkeren, kan het gemeentebestuur handhavend optreden. Dat het parkeerterrein op particuliere grond ligt en niet in openbaar gebied, doet hieraan niet af. De omstandigheden dat [appellant A] en [appellant B] een eventuele overtreding mogelijk zelf moeten melden, dat niet valt uit te sluiten dat zij dit ’s avonds en ’s nachts niet onmiddellijk kunnen doen en dat het kan voorkomen dat controle pas de volgende ochtend plaatsvindt, maken niet dat de gebruiksregel niet handhaafbaar is. Daarbij betrekt de Afdeling dat controle op naleving van het parkeerverbod door een handhavingsambtenaar, al dan niet naar aanleiding van een melding, ook op gezette tijden ’s avonds en ’s nachts kan plaatsvinden, en dat er daarnaast verschillende methoden zijn om ook na 07:00 uur ’s ochtends alsnog een overtreding vast te stellen. Het betoog faalt.

     Overigens is de toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen niet de enige methode om zorg te dragen voor naleving van het parkeerverbod. Zo kunnen er ook fysieke maatregelen worden getroffen waarmee het parkeerterrein tussen 19:00 en 07:00 uur niet voor auto’s toegankelijk is. Driestar en Cepezed Projects hebben ter zitting naar voren gebracht dat momenteel wordt nagedacht over dergelijke maatregelen.

In stand houden tuinmuur

8.    [appellant A] en [appellant B] voeren onder verwijzing naar figuur 3B uit het geluid- en luchtkwaliteitsrapport van 21 augustus 2019 aan dat tussen Breestraat 3 en [locatie] een afscherming van minimaal 1,8 m hoog benodigd is. Volgens [appellant A] en [appellant B] is dit de tuinmuur die door hen is gebouwd en op de grond van [locatie] staat. Dit betekent volgens hen dat de verplichting die is neergelegd in artikel 3, lid 3.3.6, van de planregels om de benodigde afscherming ten behoeve van de parkeerplaatsen in stand te laten, op hen rust. Dit is volgens hen in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

8.1.    Ingevolge artikel 3, lid 3.3.6, van de planregels is parkeren op de gronden achter Breestraat 3 uitsluitend toegestaan indien ter plaatse van de aanduiding "wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting" een aaneengesloten geluidwerende voorziening of andere aaneengesloten bebouwing met een minimale hoogte van 1,8 m aanwezig is en in stand wordt gehouden. De Afdeling stelt vast dat aan het noordoostelijke deel van het parkeerterrein aan de gronden die grenzen aan de tuin [locatie] de aanduiding "wetgevingzone - voorwaardelijke verplichting" is toegekend. De aanduiding is niet toegekend aan de gronden van [locatie]. Anders dan [appellant A] en [appellant B] menen, rust de voorwaardelijke verplichting als bedoeld in artikel 3, lid 3.3.6, van de planregels dan ook niet op hen. Het betoog faalt.

Conclusie herstelbesluit

9.    Het beroep tegen het besluit van 26 september 2019 is ongegrond.

Proceskosten

10.    Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.    verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B], gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Delft van 21 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Het Arsenaal", gegrond;

II.    vernietigt het besluit van de raad van de gemeente Delft van 21 december 2017 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Het Arsenaal", wat betreft het plandeel met de bestemming "Gemengd - Arsenaal", voor zover het betreft de daarin op grond van artikel 3, lid 3.1, aanhef en onder m, in combinatie met artikel 1, lid 1.16, van de planregels opgenomen mogelijkheid om parkeerplaatsen te realiseren ter plaatse van de gronden achter Breestraat 3;

III.    verklaart het beroep van [appellant A] en [appellant B], gericht tegen het besluit van de raad van de gemeente Delft van 26 september 2019 tot vaststelling van het bestemmingsplan "Het Arsenaal", ongegrond;

IV.    gelast dat de raad van de gemeente Delft aan [appellant A] en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro) vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.

Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. F.C.M.A. Michiels en mr. B.J. Schueler, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.J. Kuipers, griffier.

w.g. Van Altena    w.g. Kuipers

voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 18 maart 2020

271-896.